Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.9.2.3
2.9.2.3 Doel van de verhogingen
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS463243:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie Memorie van Antwoord (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 5, p. 7).
Zie Memorie van Antwoord (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 5, p. 7).
Zie Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 3, p. 17).
Zie Memorie van Antwoord (TK, vergaderjaar 1954-1955, 4080, nr. 5, p. 10).
Zie Nota inzake enige amendementen (TK, vergaderjaar 1957-1958, 4080, nr. 29, p. 3)
Feteris acht dit onderscheid overigens erg gekunsteld (Zie Feteris, M.W.C., 1993, p. 52).
“De administratieve boete heeft, met name indien het een niet-ordeboete betreft, een element van vergelding in zich, vergelijkbaar met de geldboete in het strafrecht.” (Memorie van Toelichting, TK, vergaderjaar 1989-1990, 21 369, nr. 3, p. 3).
Over doel en strekking van de verhogingen is gedurende de parlementaire behandeling het nodige gezegd. Volgens de regering moest van de lichte verhoging van artikel 9, derde lid, van de AWR een ‘krachtige preventieve werking’ uitgaan.1 Ook geeft de regering, ter onderbouwing van het standpunt dat tegen de verhoging geen bezwaar of beroep aangetekend kan worden, te kennen dat het karakter van deze verhoging ‘uitsluitend zijn grond vindt in redenen van administratieve aard’.2
Volgens de regering komt de andere lichte verhoging van artikel 22 qua strekking overeen met artikel 9, derde lid, van de AWR,3 wat mijns inziens ook blijkt uit de volgende passage uit de Memorie van Antwoord:
“De onderhavige verhoging toch is bedoeld als wapen tegen de belastingplichtigen, die erop speculeren, dat de inspecteur administratief niet in staat is direct na het vervallen van de in artikel 19 bedoelde termijn van tien dagen naheffingsaanslagen vast te stellen.”4
De verhogingen van 100 procent hadden echter volgens de regering een geheel ander doel (de onderstrepingen zijn van mijn hand, IK):
“De administratieve boete, bedoeld in artikel 18, lid 1, en artikel 21, lid 1, eerste volzin – een verhoging met 100 pct. – wordt daarentegen volgens het wetsontwerp slechts belopen voor zover het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten, dat te weinig belasting is geheven. Terwijl de eerder bedoelde boeten (de lichte boeten: IK) beogen de werking van een gebod – tot medewerking – in te scherpen, dus een preventieve strekking hebben, bedoelen de thans aan de orde zijnde boeten een repressieve reactie te geven op ontduiking of ten minste culpose ondermijning van de belastingheffing.”||5
Bij de lichte verhogingen ligt de nadruk derhalve op een afschrikwekkende, preventieve werking en bij de zware verhogingen is vergelding door repressie het uitgangspunt.6 Deze zienswijze is door de regering herhaald bij een voorgenomen wijziging van de Algemene Wet inzake de douane en de accijnzen (AWDA).7 Over het middel (de boete) en het doel (vergelding, preventie) en de relatie tussen die twee, kom ik later te spreken (zie hoofdstuk 6).