Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/2.5.1
2.5.1 Normatieve redenen, relativiteit en het remedierecht
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657411:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo wordt de leer wel geduid door bijv. Asser/Sieburgh 6-IV 2019/129; Jansen, in GS Onrechtmatige daad, par. 1.1.4; Di Bella 2014, p. 126-134; J.B.M. Vranken, annotatie bij HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, NJ 2008/576 (Iraanse Vluchteling), par. 7.
Den Hollander 2016, p. 71-86. Zie ook: Van den Berge 2017, p. 46-48; Lindenbergh 2007.
HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:28, NJ 2020/121, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Deutsche Bank/X).
Zie bijv. HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3521, NJ 2011/179 (Van der Plas/Janssens); Hof Arnhem-Leeuwarden 2 september 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6779, NJF 2014/411; Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2015:3737, TBR 2015/197; Rb. Amsterdam 6 augustus 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3398. Zie hierna Hoofdstuk 4.
Zie bijv. 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0893, NJ 2015/32, m.nt T. Hartlief (Doerga/Ymere); HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1229, RvdW 2016/717 (Ymere/Een arts); Hof ’s-Hertogenbosch 28 februari 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV7721 (X/Stichting Trudo); Hof Arnhem 13 november 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY4601 (X/Stichting Eigen Haard); Hof Amsterdam 28 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:222 (Particuliere verhuurder/Huurder); Hof Den Haag 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2197, NJF 2017/455; Rb. ’s-Gravenhage 16 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3506; Rb. Amsterdam 5 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3567; Rb. Amsterdam 22 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:275. Zie hierna Hoofdstuk 7.
Stel dat de APV van mijn gemeente mij verbiedt andere zonwering op mijn kozijnen aan te brengen dan een aan bepaalde kleurvoorschriften beantwoordende luifel. Die regel bestaat om ervoor te zorgen dat het straatbeeld uniform is. In weerwil van die regel breng ik geen luifel, maar reflecterende folie op de ruiten aan. Wanneer ik op een zonnige dag het raam openzet verblindt de weerkaatsing van de zon een van de passerende automobilisten, die als gevolg van de verblinding tegen een geparkeerde auto aanrijdt. Ervan uitgaande dat ik hier niet op bedacht hoefde te zijn en er dus geen ongeschreven zorgplicht op mij rustte de ramen gesloten te houden, kan de automobilist alleen nog proberen een vordering te stoelen op mijn schending van de APV. Die vordering zal waarschijnlijk worden afgewezen op grond van het relativiteitsvereiste: de APV-regel strekte er immers niet toe de automobilist te beschermen. En die gedachte strookt met die van Gardner: de redenen voor het volgen van de APV waren gelegen in het beschermen van het straatbeeld, niet in het beschermen van de automobilist.
Sommige auteurs menen dat het relativiteitsvereiste simpelweg een instrument is om al te vergaande aansprakelijkheid in te dammen.1 Heel overtuigend is dat niet. Als dat het doel van de bepaling zou zijn, waarom heeft de wetgever dat instrument dan zo expliciet gelinkt aan de strekking van de geschonden norm? Dat was dan niet nodig geweest. Natuurlijk heeft de relativiteit wel het effect vergaande aansprakelijkheid te voorkomen, maar dat verklaart haar niet. Beter lijkt het om het relativiteitsvereiste te zien als een instrument om de oorspronkelijke normatieve verhouding tussen gerechtigde en verplichte te gebruiken om de remedie te formuleren.2 Het vereiste dwingt ons immers te bezien of de normatieve redenen voor naleving van de primaire gedragsregel wel een normatieve reden kunnen geven voor de vergoeding van schade. En zo zit het ook in het voorbeeld van de APV. De APV strekt ertoe het straatbeeld te beschermen. Met andere woorden: de reden voor naleving is het beschermen van het straatbeeld. De schade van de automobilist komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de APV niet tot bescherming daartegen strekte. Met andere woorden: de reden om die regel na te leven was om het straatbeeld te beschermen en die reden biedt geen grondslag voor een verplichting tot schadevergoeding jegens de ongelukkige automobilist.
Deze gedachte, die we de ‘relativiteitsgedachte’ zouden kunnen noemen, werkt op meer terreinen dan bij het relativiteitsvereiste alleen. Neem het recente Deutsche Bank/X.3De kwestie kwam neer op het volgende. Een bank had bij een van haar klanten een investeringsfonds onder de aandacht gebracht zonder daarbij te vermelden dat zij geen zelfstandig onderzoek naar de betrouwbaarheid van het fonds had gedaan. Het onder de aandacht brengen an sich was niet onrechtmatig; het nalaten melding te maken van het niet-doen van onderzoek wel. De klant investeerde in het fonds en jaren later ging het als gevolg van fraude failliet. De vraag was nu: is de bank aansprakelijk voor de schade omdat zij het fonds onder de aandacht heeft gebracht van de klant? Niet zonder meer, aldus de Hoge Raad. Het attenderen op het investeringsfonds was niet onrechtmatig. Dat de klant zijn beslissing te investeren had gebaseerd op die attendering doet dan ook niet ter zake. De normschending was erin gelegen dat de bank niet goed had uitgelegd dat ze geen onderzoek naar dat fonds had gedaan. Bij die normschending is de vraag wat er zou zijn gebeurd als de bank correct had gewaarschuwd. Schadevergoeding was dus alleen verschuldigd als de klant bij juiste informatie ook van investering zou hebben afgezien. De redenen voor naleving van de primaire norm leven voort in de remedie.
De idee dat de redenen voor naleving van de materieelrechtelijke norm doorwerken in de remedie is bovendien niet uniek aan de schadevergoeding. Bij een rechterlijk bevel is er zelfs weinig inbeeldingsvermogen voor nodig. Omdat het bevel niet meer is dan een vordering tot nakoming, zijn de redenen voor het opleggen van het bevel vanzelfsprekend identiek aan de redenen die ten grondslag liggen aan de norm. Bij andere remedies, zoals de schadevergoeding in natura en de ‘winstafdracht’ is die vertaalslag minder voor de hand liggend. Zoals ik hierna zal betogen is het echter niet zonder reden dat de schadevergoeding in natura vooral wordt toegewezen waar een unieke zaak verloren is gegaan,4 en de winstafdracht vooral wordt ingezet waar de gerechtigde een voordeel heeft getrokken uit een goed dat aan een ander toebehoorde.5 Die remedies zouden wel eens heel goed kunnen passen bij de redenen die aan de oorspronkelijke norm ten grondslag lagen.
Deze abstracte gedachte moet natuurlijk wel nog enigszins worden geconcretiseerd om van praktisch nut te zijn. De echte concretisering zal plaatsvinden in de hoofdstukken 3 tot en met 9, die het best kunnen worden gezien als toepassingen van de hier verdedigde benadering, maar in theoretisch opzicht kan er ook nog het een en ander worden verduidelijkt.