De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.2.3:8.2.3 Tussenconclusie en vooruitblik
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.2.3
8.2.3 Tussenconclusie en vooruitblik
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702089:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het deskundigenrapport neemt in het onteigeningsrecht een centrale plaats in. Procespartijen hebben er een gerechtvaardigd belang bij dat de deskundigen kwalitatief aan de maat zijn en daartoe steeds voldoende deskundig, onafhankelijk en onpartijdig zijn. Klachten met betrekking de kwaliteit van de onteigeningsdeskundige doen zich maar weinig voor. Als er bij de rechter al bedenkingen worden geuit over de kwaliteit van de deskundige, gaan die altijd over een vermeend gebrek aan onpartijdigheid. Aan de hand van vijf conclusies is in het bovenstaande de rechtspraak van de onteigeningsrechter geanalyseerd. De belangrijkste conclusie komt uit het arrest Jennissen/Staat: niet de enkele schijn van partijdigheid is beslissend, maar of de schijn van partijdigheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. De rechter is daarin streng. Zo is het ontoelaatbaar dat de ingeschakelde deskundige, of zelfs maar diens kantoor (in een onteigeningsproject of vergelijkbare kwestie) actief is geweest voor een van beide procespartijen.
Als de aanbevelingen uit dit onderzoek worden gevolgd, zou een op de zaak toegespitst disclosure statement het vereiste inzicht in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deskundigen kunnen opleveren. Eventuele bedenkingen omtrent de onafhankelijkheid of onpartijdigheid kunnen dan op objectieve en controleerbare gronden worden afgehandeld. Op dit moment wordt er in het onteigeningsrecht echter nog geen gebruik gemaakt van disclosure statements.
De blik wordt hierna gericht op de bestuursrechtelijke nadeelcompensatierechter. Wordt deze vaker geconfronteerd met klachten over de kwaliteit van deskundigen dan de onteigeningsrechter? Zo ja, is daar een verklaring voor? Hoe gaat de bestuursrechter eigenlijk om met klachten over de kwaliteit? Is dat anders dan de civiele onteigeningsrechter? En, is dat te verklaren?