Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/11.2
11.2 Legaliteit, lex certa, lex mitior, ne bis in idem, verjaring, herziening en rechtsbeginselen
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 25 mei 1993, Series A vol. 260-A (Kokkinakis), par. 40.
EHRM 15 november 1996, no. 17862/91 (Cantone), par. 35, en 17 september 2009, AB 2010/102 (Scoppola), par. 102.
EHRM 17 februari 2004, EHRC 2004/31 (Maestri); 10 oktober 2006, RvdW 2007/163 (Pessino) en 25 juni 2009, no. 12157/05 (Liivik).
EHRM 21 januari 2003, EHRC 2003/23 (Veeber) en 22 juli 2003, EHRC 2003/82 (Gabarri Moreno).
EHRM 29 maart 2006, EHRC 2006/62 (Achour).
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 28.
Grundmann-van de Krol en Kristen, 'Europese aanpak van marktmisbruik, in: Handboek Marlamisbruik (2008), p. 67-68. Zie voorts HvJ EG 16 juni 2005, AB 2006/108 (Pupino); 22 november 2005, JOR 2006/49 (Grongaard) en ABRvS 28 februari 2007, AB 2007/183.
HvJ EG 18 mei 2006, C-397/03 P (Archer Daniels Midland), par. 21-22.
In een geval waarin de onderneming in dat jaar geen omzet had gemaakt mocht niettegenstaande de tekst van de verordening een ander boekjaar in aanmerking worden genomen, aldus HvJ EG 7 juni 2007, C-76/06 P (Britannia Alloys).
Art. 16 Grondwet is identiek aan art. 1 lid 1 Sr.
Enige voorbeelden van rekkelijke jurisprudentie van de straf- en bestuursrechter zijn HR 31 oktober 2000, NJ 2001/14 (Krulsla); 6 februari 2007, NJ 2007/110 (Postmixen) en 23 februari 2010, JB 2010/114 (Rookverbod); CBb 28 juli 2005, JOR 2005/248 (ABN AMRO) en CBb 20 december 2007, AB 2008/56. Er is daarentegen ook jurisprudentie van de bestuursrechter voorhanden waarin principiële grenzen worden opgeworpen: ABRvS 4 maart 2009, JB 2009/99; CRvB 29 juli 2008, JFVWB 2008/264 en CBb 9 juli 2009, AB 2009/295 (Geijkt weegwerktuig).
Mulder en Doorenbos, Schets van het economisch stafrecht (2008), p. 22. Voorbeelden zijn te vinden in 1-11( 30 augustus 2005, NJ 2005/540 en 19 september 2006, NJ 2007/39.
Mulder en Doorenbos, Schets van het economisch stafrecht (2008), p. 31-32.
Doorenbos, 'Specialisatie en rechtsvinding in het economisch strafrecht', Trema 2010/7, p. 275-277.
In de MvT bij de Vierde tranche is in dit verband overwogen: 'Naarmate de te handhaven norm meer aansluit bij in de maatschappij levende fundamentele waarden, komt strafrechtelijke handhaving eerder in aanmerking. In het verlengde daarvan geldt, dat naarmate meer behoefte bestaat aan openbare berechting van een normovertreding, het strafrecht eender in aanmerking komt.' (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 118).
Kamerstukken 11 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 125.
Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 77-82.
EHRM 17 september 2009, AB 2010/102 (Scoppola).
HvJ EG 9 maart 2006, C-436/04 (Van Esbroeck) en 18 juli 2007, C-288/05 (Kretzinger).
HvJ EG 29 juni 2006, C-289/04 P (Showa Denko).
EHRM 10 februari 2009, NJCM-Bulletin 2009/4, p. 373 (Sergey Zolotukhin) en EHRM 16 juni 2009, EHRC 2009/99 (Ruotsalainen).
EHRM 13 december 2005, AB 2006/285 (Nilsson).
EHRM 23 september 1998, NJCM-Bulletin 2000/4 (Malige).
Zie ook ter zake van voordeelontneming EHRM 5 juli 2001, EHRC 2001/56 (Phillips) en 5 juli 1005, no. 19581/04 (Van Offeren).
EHRM 24 mei 2007, no. 65582/01 (Radchikov).
Cleiren, Strafrecht. Tekst & Commentaar. De tekst van het wetboek van strafrecht en enkele aanverwante wetten voorzien van commentaar (2010), p. 9.
Zie ABRvS 30 januari 2008, JB 2008/58 (Euro Aktief).
Anders: Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 144.
Anders: HR 6 oktober 2009, RF 2010/12 (HIM Fumess), par. 6.4.
Om die reden moet een dergelijke kennisgeving als besluit worden aangemerkt. Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 149-150. Zie Rb Rotterdam 29 september 2008, LJN BF6961.
Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 136 en 1-11( 1 februari 2011, JB 2011/56.
Onder meer 1-11( 13 september 2005, NJ 2006/49; 30 september 2008, JOR 2009/11 (Mercurius) en 1 februari 2011, JB 2011/56.
Zie HR 23 januari 2007, NJ 2007/83 en 7 juli 2009, NJ 2010/20.
HR 7 november 2006, LJN AY8987. Zie ook punt 8 van de conclusie van A-G Vellinga bij HR 23 januari 2007, NJ 2007/83. Anders: Hof Amsterdam 4 mei 2010, JOR 2010/163.
CBb 12 juni 2007, RF 2007/51 (Sparkasse) en Rb Rotterdam 1 juli 2010, IJN BM9911 (Boomkwekerijen).
Zie verder paragraaf 10.2.
EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 103.
Kamerstukken II 2008-2009, 32 045, nr. 2.
Zie HR 11 januari 2005, LJN AR3663.
Zie HR 10 februari 2009, NJ 2009/167.
Klip, 'Recente rechtspraak strafrecht en Europese Unie', DD 2006/75, p. 1061-1062.
HvJ EG 16 maart 2006, AB 2006/191 (Kapferer).
Novum is eigenlijk een onjuiste term, want het gaat om een nieuw gebleken omstandigheid (dus een feit dat zich al eerder voordeed) en niet om een nieuwe omstandigheid. Zie in dit verband ook Bffiring en Marseille, 'De ongekende vrijheden en beperkingen van art. 4:6 Awb', JBplus 2002/2, p. 60. De term novum is dermate ingeburgerd dat ik hem niettemin gebruik.
HR 7 september 2004, L1N AQ9834 (Schiedammer Parkmoord I).
Bijzondere omstandigheden deden zich voor in HR 26 juni 2001, NJ 2001/564 (Puttense moordzaak II).
Kamerstukken II 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 8-9.
1-11( 7 oktober 2008, NJ 2009/44 (Lucia de B.).
1-112 23 juni 2009, LJN B11689 (Ina Post).
Kamerstukken 11 2008-2009, 32 045, nr. 3, p. 28.
1-11( 30 oktober 2001, NJ 2002/230 en NJ 2002/231.
Zie Kamerstukken 11 2008/09, 32 044, nrs. 2 en 3.
Kamerstukken 11 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 3 en 15.
Zie voor het voorgaande ook Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 9-12.
EHRM 28 februari 2006, no. 6965/02 (Savinsky).
EHRM 24 mei 2007, no. 65582/01 (Radchikov).
EHRM 20 juli 2004, no. 50178/99 (Nikitin).
Bijlsma, 'Herziening ten nadele: de Wet hervorming herzieningsregeling en het EVRM', NJCMBulletin 2009/2, p. 153-154.
HvJ EG 16 december 1976, 33/76 (Rewe) en 16 december 1976, 45/76 (Cornet).
Uit HvJ EG 29 oktober 2009, C-63/08 kan volgt dat een vervaltermijn van twee weken voor het instellen van een vordering tot nietigverklaring van een ontslag in strijd komt met het beginsel van doeltreffendheid.
HvJ EG 3 september 2009, AB 2009/335 (Olimpiclub)
HvJ EG 16 maart 2006, AB 2006/191 (Kapferer).
HvJ EG 13 januari 2004, AB 2004/58 (Kt hne & Heitz) en 12 februari 2008,AB 2008/100 (Kempter).
HvJ EG 30 september 2003, J73 2004/41 (Köbler). Zie ook HvJ EG 13 juni 2006, AB 2006/248 (TDM).
PG Awb I, p. 245.
Ondermeer Vz ABRvS 3 mei 2001, AB 2001/198; ABRvS 12 februari 2003, JV 2003/135; 4 april 2003, JB 2003/139; CRvB 4 november 2003, RSV2004/20 en CBb 11 september 2008, LJNBF8809.
ABRvS 4 april 2003, JB 2003/139; CRvB 6 november 2003, JB 2004/29; 4 december 2003, JB 2004/32; 27 februari 2004, RSV 2004/166; CBb 6 augustus 1996, JB 1996/219 en 26 maart 2009, JOR 2009/141.
Zie bijvoorbeeld CRvB 11 februari 2009, AB 2009/135 en Rb Rotterdam 18 november 2010, LJN B04582.
Zie ABRvS 30 oktober 2002, NJB 2002, p. 2002, p. 2249, nr. 62 en CRvB van 18 december 2003, LJN A00974.
CRvB 21 oktober 2003, AB 2004/11. Ook worden gevallen waarin wel tijdig bezwaar is gemaakt tegen een onjuiste regeluitleg en gevallen waarin dit niet is gebeurd niet als gelijke gevallen gezien, aldus CRvB 30 juni 2006, RSV 2006/345.
CRvB 15 april 2004, JB 2004/222.
Bijvoorbeeld ABRvS 7 april 2003, JV 2003/278 en CRvB 15 augustus 2003, 03/15 AOW (niet gepubliceerd).
ABRvS 24 december 2002, JV 2003/77; 12 januari 2004, JV 2004/81 en 5 februari 2004, AB 2004/109.
Ondermeer ABRvS 4 april 2003, JV 2003/219, JB 2003/139 en AB 2003/315; 21 juli 2003, JV 2003/432 en 7 november 2003, JV 2004/15.
CRvB 15 april 2004, JB 2004/222.
ABRvS 17 juli 2002, AB 2002/395 en 28 februari 2003, AB 2003/349.
PG Awb Il, p. 515.
Ondermeer ABRvS 10 oktober 2002, ABkort 2002/737 (onjuist opvatten beroepsgrond is geen herzieningsgrond); CRvB 21 april 1998, ABkort 1998/439 (terugvinden bewijsstukken levert geen novum op) en CRvB 19 november 1998, Rawb 1999/118 (herzieningsverzoek wegens vermeende onjuiste rechtsopvatting is geen herzieningsgrond).
Ondermeer ABRvS 16 maart 1999, JB 1999/88.
1-11( 30 oktober 2001, NJ 20021230; ABRvS 14 juli 1995, JB 1995/245 en CRvB 3 januari 2008, JB 2008/63.
CRvB 22 december 2005, LJN AU8939 en CBb 26 maart 2009, RF 2009/70 (ABN Amro).
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 239241. In gelijke zin Widdershoven, Verhoeven e.a., De Europese agenda van de Awb (2007), p. 80-81.
Gerards, 'Rechterlijke belangenafweging in het publiekrecht', RM Themis 2006/4, p. 151.
Zie bijvoorbeeld art. 39 lid 2 van de derde witwasrichtlijn 2005/60/EG en HvJ EG 8 september 2005, C-40/04 (Yonemoto).
Niettemin is de volledige boete op bestraffing gericht. De mededingingsboetes zijn dan ook niet ten dele fiscaal aftrekbaar, alsdus HR 7 januari 2010, LJN BL0214.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 29 juni 2006, C-289/04 P (Showa Denko) en CBb 7 juli 2010, AB 2010/235.
In Rb Rotterdam 8 april 2010, JOR 2010/158, overwoog de rechtbank in dit verband dat de redelijkheidstoets ter zake van de gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid een boete op te leggen wel vol te toetsen elementen kent.
Denk hier aan lustice and faimess and procedural due process' in Dworkins Law's Empire (1986), p. 244; en aan `Antinomien der Rechtsidee' in Radbruchs, Rechtsphilosophie (1973), p. 164 e.v.
IIR 21 januari 1986, NJ 1987/663 (Belangenafweging).
Zie Hof Amsterdam 21 januari 2009, LJN BH0496 (Wilders).
Zie Rb Alkmaar 16 november 2009, LJN BK3440 en LJN BK3472 (Onderzoek Sierra).
Het legaliteitsbeginsel dat is geworteld in het Nederlandse bestuurs- en strafrecht (art. 5:4 Awb, art. 1 Sr en art. 1 Sv) wordt met name gevoed door art. 7 EVRM, terwijl de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het strafrecht de daarmee correlerende beginselen van een behoorlijke procesorde juist in een wisselwerking staan ten opzichte van de rechtsbeginselen in het Unierecht. Dat is niet vreemd, want het EVRM is een mensenrechtenverdrag, terwijl organen van de Europese Unie zelf wetgeving produceren — die door de lidstaten moet worden geïmplementeerd — en de Europese Commissie is belast met de uitvoering van Unierecht. Het lex mitior-principe, het beginsel van ne bis in idem, de verjaring en de beperkte mogelijkheid van herziening van strafvonnissen en van bestuurlijke boetebesluiten te vragen hangen nauw samen met het legaliteits- en rechtzekerheidsbeginsel. Ik zal die kwesties daarom in deze paragraaf kort aan de orde stellen. Ik zal eerst het legaliteitsvereiste en het bepaaldheidsgebod bepreken, daarna zal ik ingaan op de andere met het rechtszekerheidsbeginsel samenhangende rechtsfiguren en ten slotte zal enige aandacht uitgaan naar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Legaliteit en lex certa
Art. 7 lid 1 EVRM codificeert het nulla poena sine lege-beginsel. Het gaat zowel om het verbod van strafbaarheid met terugwerkende kracht als het verbod met terugwerkende kracht een zwaardere straf op te leggen. Uit de jurisprudentie ter zake van de art. 8 en 10 EVRM valt op te maken dat 'bij wet voorzien' vooral ziet op de voorzienbaarheid van de rechtsnorm, dus het lex certa-vereiste of het bepaaldheidsgebod. Zo vreemd is dit niet, gelet op enerzijds het feit dat ook common law-landen lid zijn van de conventie, terwijl anderzijds ook voor civil law-landen geldt dat een wetsbepaling in de loop van de tijd anders kan worden ingekleurd. Daar komt bij dat het in de eerste plaats de nationale rechter is die de nationale regelhiërarchie zal kennen. Hier ligt voor het EHRM een zeer terughoudende taak. Het criterium is dus vooral de voorzienbaarheid.1 Hoewel het Hof wel het adagium nullum crimen, nulla poena sine lege onderschrijft en met zoveel woorden ook het uitbreiden van strafbaarheid via analoge constructies ontoelaatbaar acht, wordt voorts onderschreven dat het begrip law in art. 7 EVRM dezelfde betekenis heeft als het elders in het verdrag en dat art. 7 EVRM niet in de weg staat aan het tot ontwikkeling brengen van de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid via case-law, zolang die ontwikkeling consistent is met de essentie van het vergrijp en redelijkerwijs kon worden voorzien. Bij die uitleg betrekt het Hof bovendien de in het EVRM zelf neergelegde materiële mensenrechten (respect voor de menselijke waardigheid en de menselijke vrijheden).2 Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het Hof niet snel een strafbepaling strijdig acht met het bepaaldheidsgebod. In het verlengde hiervan is het Hof van oordeel dat aan de eis van voorzienbaarheid kan zijn voldaan in het geval dat 'the person concerned has to take appropriate legal advice to assess, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which a given action may entail'.3 Deze notie is met name relevant voor het economisch strafrecht en het economisch bestuursrecht, waar op ondernemingen veelal een zware zorgvuldigheidsnorm wordt gelegd. Er zijn ook voorbeelden waarin het Hof de norm te onbepaald vond. Met name bij zeer vage of in onbruik geraakte normen die ineens weer van stal worden gehaald of bij het omgaan van de nationale rechter wil het EHRM wel ingrijpen.4 Het Hof heeft zich ook gebogen over het verbod van strafbaarheid met terugwerkende kracht. Een uitbreiding van strafmodaliteiten die op oude zaken wordt toegepast werd in strijd geacht met art. 7 EVRM.5 Het hanteren van een nieuwe recidiveregel kon daarentegen wel door de beugel omdat de nieuwe belastende regel eerst was gaan gelden op een tijdstip voordat klager het tweede delict pleegde. Voor hem was aldus voorzienbaar dat hij bij het plegen van het tweede delict als recidivist zou worden bestraft.6
Ook de Europese Unie gaat uit van de Rule of Law.7 Zo is in art. 13 VEU bepaald dat iedere instelling handelt binnen de grenzen van de haar door de verdragen verleende bevoegdheden, wordt in art. 6 VEU de rechtsstaatgedachte verwoordt en volgt uit art. 19 VEU dat het Hof van Justitie de eerbiediging van het recht verzekert bij de uitlegging en toepassing van de verdragen. Dit lijkt een sluitend systeem van bevoegdheden op te leveren. Wel voorziet art. 352 VEU er in dat de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees parlement met eenparigheid van stemmen de passende besluiten kan nemen teneinde de doelstellingen van de verdragen te verwezenlijken ook al voorzien de verdragen daar niet in. Afbreuk aan het legaliteitsbeginsel doet dit echter niet. Een lidstaat kan geen verplichting uit een niet of niet correct geïmplementeerde richtlijn opleggen aan de justitiabele en aldus deze richtlijn tegen hem inroepen. De rechtszekerheid en het legaliteitsbeginsel, met het daarin besloten bepaaldheidsgebod, het beginsel van geen straf zonder voorafgaande wet en het verbod van terugwerkende kracht verzetten zich tegen toepassing van niet of niet correct geïmplementeerde richtlijn ten nadele van de justitiabele via een richtlijnconforme interpretatie of rechtstreekse toepassing.8 In het Europese mededingingsrecht hanteert de Europese Commissie richtsnoeren bij de vaststelling van de boete. Bij wijziging van die richtsnoeren heeft volgens het Hof te gelden dat nieuwe zwaardere richtsnoeren ook mogen worden toegepast op gedragingen van voor de beleidswijziging, omdat de Commissie voor een doeltreffende toepassing van de communautaire mededingingsregels het niveau van de geldboeten op elk moment aan de eisen van dit beleid moet kunnen aanpassen, waaruit tevens zou volgen dat ondernemingen die betrokken zijn bij een administratieve procedure waarin geldboeten kunnen worden opgelegd, niet het gewettigd vertrouwen kunnen koesteren dat de Commissie het vroeger gehanteerde niveau van de geldboeten niet zal overschrijden, noch dat zij een methode van berekening van de geldboeten zal hanteren.9 Het verbod van terugwerkende kracht gaat hier dus uit een oogpunt van doeltreffendheid niet op. Hoewel deze rekkelijkheid nogal opmerkelijk is, moet worden bedacht dat de Commissie wel altijd binnen het boetemaximum van art. art. 23 verordening 1/2003 moet blijven (maximaal 10% van totale omzet van het vorige boekjaar van de onderneming).10
In art. 1 lid 1 Sr en art. 1 Sv ligt het legaliteitsbeginsel besloten voor het strafrecht en strafvordering. Uit deze bepalingen volgt respectievelijk dat geen feit strafbaar is dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling11 en dat strafvordering alleen plaats heeft op de wijze bij de wet voorzien. Het legaliteitsbeginsel doet zich in het bestuursrecht evenzeer sterk gevoelen waar sancties in het geding zijn. Met de Vierde tranche Awb is dit uitgangspunt thans ook uitdrukkelijk gecodificeerd (art. 5:4 Awb). In hoofdstuk 8 heb ik onder meer de strafrechtelijke jurisprudentie rond het bepaaldheidsgebod vergeleken met de bestuursrechtelijke jurisprudentie. Uit de daar genoemde voorbeelden zou voorzichtig kunnen worden afgeleid dat de strafrechter net iets rekkelijker is dan de bestuursrechter, waar het gaat om het bepaaldheidsgebod en omissies door de wetgever.12 In de literatuur zijn hiervoor ook aanknopingpunten te vinden. Zo stelt Doorenbos dat de Hoge Raad zich meer pragmatisch opstelt dan principieel waar in art. 1 en la WED wordt verwezen naar inmiddels vervallen, gewijzigde, hernummerde of verplaatste wetsartikelen. Er wordt dan door de strafrechter heengestapt over de kennelijk vergissing van de wetgever door de onjuiste vermelding in art. 1 en la WED te lezen met verbetering van de begane misslag.13 Voorts kan worden gewezen op de naar risicoaansprakelijkheid tenderende strafrechtelijke aansprakelijkheid in het economisch strafrecht.14 Voor de ondernemer geldt een verregaande plicht zich te informeren omtrent de inhoud van gebods- en verbodsnormen. Doorenbos noemt nog een plausibele reden: juist omdat in het economisch strafrecht de doelen van de betreffende geldende normen niet vanzelf spreken, moet de strafrechter zich bedienen van een teleologische wetsuitleg. Het onvermijdelijke gevolg hiervan is dat de economische strafrechter een betrekkelijk instrumentele rol heeft te vervullen.15 In de bestuursrechtelijke literatuur wordt vanouds meer geworsteld met de legaliteitseis, zo lijkt het. Dit hangt wellicht samen met de scheiding der machten en met het specialiteitsbeginsel die een pregnante rol spelen in het bestuursrecht. Daar komt bij dat de bestuursrechter door de gelede normstelling, die in het bestuursrecht toch vaker uitgangspunt is dan in het strafrecht, meer gewend is een exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften te verrichten. Bij die exceptieve toetsing komen naast de toetsing aan het verbod van willekeur, veelvuldig vragen aan bod inzake de reikwijdte van bovenliggende wettelijke bepalingen, rechtstreeks werkende verdragsbepalingen en de omzetting van richtlijnen. Ik merk op dat het hier meer om indrukken dan om harde conclusies gaat.
Ik wijs hier voorts op het volgende. In het strafrecht kan onderscheid worden gemaakt tussen commissie- en omissiedelicten en tussen schuld- en opzetdelicten. Verder is er een variëteit aan deelnemings- en samenloopvarianten. Al deze kwesties zijn van invloed op de mate waarin een norm helder is. In het bestuursrecht wordt juist gepoogd de zaken eenvoudiger te houden dan in het strafrecht, juist omdat in het bestuursrecht het ordeningskarakter voorop staat en minder aandacht bestaat voor norminprenting.16 Zo wordt in het bestuursrecht het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen niet gemaakt. Er zijn in het bestuursrecht enkel overtredingen of gedragingen (zie art. 5:1 Awb). Voor de leerstukken van strafbare poging en voorbereidingshandelingen is dan ook geen ruimte in het bestuursrecht.17 De meeste overtredingen zijn kleurloos, er wordt nauwelijks gewerkt met schuldvarianten, met dien verstande dat de mate van verwijtbaarheid vaak wel een rol kan spelen bij de afstemming van de bestuurlijke boete (art. 5:46 lid 2 Awb). Dit laat onverlet dat ook in het bestuursrecht 'delicten' voor komen waarin niet zozeer het gevolg als wel de geobjectiveerde intentie van de handeling centraal staat. Zie bijvoorbeeld art. 5:58 lid 1, onderdeel b, Wft dat een verbod behelst een transactie of handelsorder in financiële instrumenten te verrichten of te bewerkstelligen teneinde de koers van die financiële instrumenten op een kunstmatig niveau te houden. Ook wordt ter zake van de bestuurlijke boete inmiddels regelmatig over de strafrechtelijke schutting heen gekeken voor wat betreft leerstukken die zien op daderschap. De Vierde tranche geeft daar ook aanleiding toe (zie art. 5:1 lid 2 en lid 3 Awb).18
Lex mitior, ne bis in idem en verjaring
De lex mitior-regel en het ne bis in idem-beginsel hangen nauw samen met legaliteit en rechtszekerheid. Hoewel in art. 7 lid 1 EVRM niet, zoals in art. 15 lid 1 IVBPR, de lex mitior-regel is opgenomen, is het Europees Hof in de zaak Scoppola na enige rechtsvergelijking omgegaan door in art. 7 EVRM voortaan wel een dergelijke regel te lezen.19 Met betrekking tot ne bis in idem kan een sterke normerende werking uitgaan van de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Zo wordt ter zake van dezelfde feiten als bedoeld in art. 54 SUO heengekeken door verschillen in nationale kwalificaties. Zo overwoog het Hof van Justitie dat het recht van vrij verkeer slechts met succes wordt gewaarborgd indien de dader van een handeling weet dat hij na zijn veroordeling en het ondergaan van zijn straf of, in voorkomend geval, na de onherroepelijke vrijspraak in een lidstaat, zich binnen de Schengen-ruimte kan verplaatsen zonder te hoeven vrezen dat hij wordt vervolgd in een andere lidstaat, die aanvoert dat deze handeling in zijn rechtsorde een ander delict oplevert.20 Hierbij zij overigens opgemerkt dat het Hof van Justitie in mededingingszaken geen acht slaat op eerdere boeteoplegging door derde staten bij de vraag of en tot welke hoogte door de Europese Commissie een mededingingsboete kan worden opgelegd ter zake van dezelfde feiten.21 In art. 14 lid 7 IVBPR is bepaald dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Nederland heeft een voorbehoud gemaakt bij art. 14 lid 7 IVBPR: de waarborg gaat bij ons niet verder dan waarin art. 68 Sr voorziet. Minder ver dan het IVBPR gaat het door Nederland nog niet geratificeerde Zevende Protocol bij het EVRM. Met recente rechtspraak heeft het EHRM mede onder verwijzing naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake art. 54 SUO afscheid genomen van zijn beperkte uitleg van het in art. 4 Zevende Protocol bij het EVRM besloten liggende ne bis in idem-beginsel door voortaan hetzelfde feit materieel in plaats van formeel in te kleuren.22 Daarbij plaats ik wel de kanttekening dat de zaken Nilsson23 en Malige24 wellicht niet moeten worden geplaatst in de sleutel van het verbod van dubbele vervolging. In deze zaken gaat het om een strafrechtelijke en een bestuurlijke sanctie, welke laatste rechtstreeks voortvloeit uit de strafrechtelijke veroordeling.25 Hoewel Nederland het Zevende Protocol niet heeft geratificeerd speelt het ne bis in idem-beginsel dat art. 4 van dat protocol uitdrukt toch ook voor ons een rol, namelijk over de band van het in art. 6 EVRM neergelegde vereiste van een fair trial. Waar het tweede lid van art. 4 van het Zevende Protocol bij nova of fundamentele gebreken in de vorige procedure een nieuwe vervolging mogelijk maakt, ziet het fair trial vereiste op de vervolgvraag of gebruikmaking van die bevoegdheid in een voorkomend geval redelijk is. Zo werd geoordeeld dat de mogelijkheid tot herziening niet dient te worden aangewend om het openbaar ministerie de gelegenheid te bieden alsnog een gedegen onderzoek te laten verrichten, zodat er nu wel een veroordeling kan volgen.26
De lex mitior-regel is in ons strafrecht neergelegd in art. 1 lid 2 Sr, waarin is bepaald dat bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan de voor de verdachte gunstigste bepalingen, worden toegepast. De vraag is hoe ruim die bepaling moet worden uitgelegd. Gaat het om de strafmaat of ook de strafbaarheid van het delict en speelt ook de concrete mogelijkheid tot oplegging van de straf naar het nieuwe recht een rol? In het strafrecht is de beperkt materiële leer heersend, die inhoudt dat materiële wijzigingen doorwerken ten gunste van de verdachte, ingeval deze veranderingen blijk geven van een gewijzigd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van het feit.27 De Vierde tranchewetgever heeft art. 1 lid 2 Sr in art. 5:46 lid 4 Awb van overeenkomstige toepassing verklaard. Wat onder de zinsnede `de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf' in art. 15 lid 1 IVBPR moet worden verstaan vergt een autonome beoordeling in de vergelijking van de sanctie naar oud en nieuw recht. Dat neemt niet weg dat ik het in overeenstemming met art. 15 lid 1 IVBPR acht dat de vraag naar het inzicht van de wetgever ter zake van de strafwaardigheid van de gedraging een rol kan spelen.28 Wel meen ik dat de wetgever geen overgangsrecht zou moeten vaststellen teneinde oude gevallen niet te laten profiteren van een nieuw lichter regime. Een dergelijk overgangsrecht doet mijns inziens teveel af aan het uitgangspunt van art. 1 lid 2 Sr.29 Ook indien de rechter zich na implementatie van Europese richtlijnen over de zaak buigt zie ik niet in waarom de overtreder niet van de gunstiger wetgeving zou moeten profiteren.30 Het legaliteitsbeginsel staat in de weg dat bij verandering van wetgeving wordt aangeknoopt bij de hogere strafmaat (art. 1 lid 1 Sr en art. 5:4 lid 2 Awb).
In art. 68 Sr is het ne bis in idem-beginsel neergelegd. Onherroepelijkheid van een eerdere rechtelijke uitspraak (of van een andere afdoening) is een voorwaarde voor het verbod van een tweede vervolging. De art. 74, 74a, 74ben74c Sr voorzien in het verlengde van art. 68 Sr in bepalingen met betrekking tot het al dan niet vervallen van het recht tot vervolging in verband met een politie- of OM-transactie. Het recht op strafvordering vervalt doordat de verdachte voldoet aan de voorwaarden die door de politie of officier van justitie zijn gesteld ter voorkoming van strafvervolging. Indien de verdachte aanbiedt de maximale geldboete te betalen binnen een door de officier gestelde termijn moet de officier een transactieaanbod doen. Indien na een transactie met succes bij het gerechtshof een klacht wegens niet vervolgen wordt ingediend dan herleeft het recht op strafvordering. Art. 5:43 Awb codificeert eveneens het ne bis in idem-beginsel: geen bestuurlijke boete wordt opgelegd indien aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving dat geen boete zal worden opgelegd is bekendgemaakt.31 In de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie komt naar voren dat met betrekking tot dezelfde overtreding aansluiting moet worden gezocht bij hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr en de jurisprudentie van de Hoge Raad ter zake van die bepaling.32Art. 5:44 Awb ziet op de zogenoemde cumulatieverboden ofwel het una via-beginsel. Uit de wetsgeschiedenis komt niet ondubbelzinnig naar voren dat de wetgever bij deze una via-regeling met de term dezelfde gedraging ook hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr op het oog heeft. Wel ligt een dergelijke gelijkstelling in de rede. Het spiegelbeeld van deze una via-bepaling is te vinden in art. 243 Sv: indien een bestuurlijke boete is opgelegd vervalt de mogelijkheid van strafvervolging. Er is hierop één afwijking: indien aanvankelijk is volstaan met bestuurlijke afdoening en een klacht als bedoeld in art. 12 Sv wegens niet vervolgen met succes wordt ingesteld bij het gerechtshof, dan komt de reeds opgelegde boete te vervallen, zo volgt uit art. 5:47 Awb, opdat alsnog een vervolging door de officier van justitie kan worden ingesteld. Het strafrecht heeft als ultimum remedium aldus — terecht — een streepje voor op de bestuurlijke afdoening. De jurisprudentie van de Hoge Raad laat zien dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van hetzelfde feit. Er wordt vooral gekeken naar de precieze strekking van de bepaling en het soort van verwijt dat wordt gemaakt.33 Dit betekent dat bij één handelingscomplex al gauw het strafrecht en de bestuurlijke boete naast elkaar kunnen worden ingezet of dat er tweemaal een strafrechtelijke vervolging kan plaatshebben of tweemaal een boete opgelegd voor verschillende deelaspecten. Deze nationale jurisprudentie botst met die van het Hof van Justitie ter zake van art. 54 SUO en met die van het EHRM ter zake van het Zevende Protocol.
Het recht op strafvervolging of tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt door de dood van de verdachte/overtreder (art. 69 Sr en art. 5:42 Awb). Daarnaast kan het recht tot strafvervolging of tot het opleggen van een bestuurlijke boet vervallen door verjaring. Art. 70 Sr voorziet in verschillende verjaringstermijnen afhankelijk van de ernst van het feit: drie jaren voor alle overtredingen; zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld; twaalf jaren voor de misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld; twintig jaren voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld. Misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld verjaren niet. Art. 5:45 Awb bevat een vervaltermijn van vijf jaar voor bestuurlijke boetes die meer dan € 340 bedragen en een vervaltermijn van drie jaar voor lagere boetes. Bij voortdurende delicten kan men zich afvragen of een splitsing moet worden gemaakt tussen gedragingen of omissies die zijn verjaard en gedragingen of omissies die voortduurden na het verjaarde gedeelte. De Hoge Raad zoekt voor de vraag of het omissiedelict is verjaard aansluiting bij het tijdstip waarop het delict eindigt, zonder die splitsing aan te brengen.34 Waar het gaat om voortdurend commissiedelict of het in een periode meermaals plegen van een feit is deze lijn niet bewandelbaar. Er zal dan een splitsing moeten worden aangebracht in een verjaard gedeelte en een niet verjaard gedeelte.35 In het bestuursrecht geldt hetzelfde principe.36 Zowel in het strafrecht als het bestuursrecht is voorzien in stuitingshandelingen en gelden afzonderlijke verjaringstermijnen voor de strafexecutie/invordering.37
Herziening van onherroepelijke uitspraken en besluiten
Art. 15 lid 6 IVBPR bevat een expliciete opdracht aan de verdragspartijen om een schadevergoedingsregeling in het leven te roepen voor de gevallen dat na een eerdere onherroepelijke veroordeling het veroordelende vonnis wordt vernietigd of gratie volgt op grond van de overweging dat een nieuw (gebleken) feit onomstotelijk aantoont dat sprake is van een gerechtelijke dwaling als gevolg waarvan straf is ondergaan, tenzij betrokkene (enig) verwijt treft dat het novum niet tijdig bekend is geworden.38 Het EVRM kent — behoudens het Zevende Protocol — geen vergelijkbare eis. Uit art. 13 EVRM volgt dat de verdragspartij en ervoor zorg dienen te dragen dat een effectief rechtsmiddel openstaat om de uit het EVRM voortvloeiende rechten te waarborgen. In een voorkomend geval zal dat betekenen dat, ook al zijn de nationale rechtsmiddelen uitgeput, hetgeen ingevolge art. 35 EVRM juist een voorwaarde is voor een ontvankelijke klacht, bij constatering van een verdragsschending, een nationale instantie zal moeten voorzien in effectieve reparatie. In dit verband kan nog worden gewezen op de volgende overweging van het Hof: `(...) It reiterates that when an applicant has been convicted despite an infringement of his rights as guaranteed by Aaide 6 of the Convention, he should, as far as possible, be put in the position that he would have been in had the requirements of that provision not been disregarded, and that the most appropriate form of redress would, in principle, be trial de novo or the reopening of the proceedings, if requested (...).'39
In ons strafrecht kan herziening worden verzocht door de veroordeelde en door de procureur-generaal bij de Hoge Raad (art. 458 lid 1 Sv). Er zijn gelet op art. 457 lid 1 en lid 2 Sv drie gronden voor een herzieningsverzoek. Ik zal hier de volgorde aanhouden zoals die is voorzien met het wetsvoorstel Wet hervorming herziening ten voordele.40 De eerste herzieningsgrond ziet op conflict van rechtspraak. Daarvan is sprake als niet met elkaar te rijmen bewezenverklaringen zijn uitgesproken.41 Als tweede grondslag voor een herziening kan gelet op art. 457 lid 1 Sv een uitspraak van het Europees Hof dienen, waarin is vastgesteld dat het EVRM dan wel een protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit op grond van dezelfde bewijsmiddelen heeft geleid, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in art. 41 EvRm.42Met Klip43 kan uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie — waaruit volgt dat de nationale rechter in civiele zaken niet gehouden is terug te komen op een onherroepelijke uitspraak indien die achteraf berust op een verkeerde uitleg van Unierecht44 — worden afgeleid dat geen herziening van een strafrechtelijke veroordeling mogelijk is, zolang art. 457 Sv enkel voorziet in reparatie vanwege een uitspraak in de betreffende zaak door het EHRM. De derde grond, het novum,45is in de praktijk de belangrijkste grond voor herziening. Net als in het bestuursrecht (zie hierna) doet zich hier de vraag voor wat precies een novum is. Het moet volgens de wettekst gaan om `eenige omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting den rechter niet was gebleken en die op zich zelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt'. Een andersluidend oordeel van een deskundige omtrent feiten en omstandigheden waarmee de feitenrechter destijds bekend was kan dus geen ingang vormen voor een herzieningsverzoek: 'Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een zodanige feitelijke omstandigheid worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, slechts als een novum kan gelden voorzover daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak, waarvan herziening wordt gevraagd, heeft gewezen:46 Een opening biedt de zinsnede 'behoudens bijzondere omstandigheden' .47 Het wetsvoorstel Wet hervorming herziening ten voordele voorziet in vervanging van de term eenige omstandigheid in een gegeven. Volgens de regering kan een gegeven een nieuwe feitelijke omstandigheid betreffen, maar ook een gewijzigd deskundigeninzicht over al bekende feiten. Door deze wijziging worden de knelpunten in de huidige regeling opgelost.48 De kritiek vanuit rechtspsychologische hoek dat de voorgestelde wijzigingen de Hoge Raad alle ruimte bieden om vast te houden aan de huidige strenge koers dat het moet gaan om een feitelijkheid die de feitenrechter voorheen niet heeft kunnen kennen, pareert de regering met de opmerking dat uit bijvoorbeeld de herzieningsuitspraken van de Hoge Raad in de zaken Lucia de B.49 en Ina Post50 kan worden afgeleid dat de vraag of het gaat om een gegeven waarmee de rechter al bekend was, niet bevestigend wordt beantwoord om de enkele reden dat het gegeven is terug te voeren op bewijsmateriaal dat aan de rechter is voorgelegd, maar dat beslissend is of de gegevens die aan dit bewijsmateriaal kunnen worden ontleend al aan de rechter bekend waren.51
Net als in het bestuursrecht hanteert ook de strafrechter een buitenwettelijke herstelmogelijkheid. Zo heeft de Hoge Raad in gevallen waarin door een administratieve vergissing een tijdig ingezonden schriftuur niet was opgemerkt een aanvullend arrest gewezen.52
Tegelijk met het wetsvoorstel Wet hervorming herziening ten voordele is door de regering het wetsvoorstel Wet herziening ten nadele ingediend.53 Het wetsvoorstel voorziet er onder meer in dat het college van procureurs-generaal bij de Hoge Raad een verzoek tot herziening ten nadele van de gewezen verdachte kan indienen indien: er na het onherroepelijk worden van de einduitspraak nieuw bewijs aan het licht is gekomen dat het ernstige vermoeden doet rijzen dat de verdachte, als de rechter daarmee bekend zou zijn geweest, zou zijn veroordeeld (novum); of dat er sprake is van één of meer zogenaamde falsa; wanneer is vastgesteld dat er sprake is geweest van bijvoorbeeld vals ontlastend bewijsmateriaal en het ernstige vermoeden bestaat dat als de valsheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een veroordeling van de gewezen verdachte. Herziening ten nadele op grond van een novum zal alleen mogelijk zijn wanneer er sprake is van nieuw technisch bewijs of van een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte of diens medeverdachte. Herziening ten nadele op grond van nova zal voorts alleen mogelijk zijn bij misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld en dat dood van een ander ten gevolge heeft. Voor de falsa gelden deze beperkingen niet. De gedachte is hier dat indien de verdachte eerder zelf heeft zorggedragen dat geen eerlijk proces heeft plaatsgevonden, hij ook voor lichtere vergrijpen geen aanspraak kan maken op de rechtszekerheid dat de zaak ten einde is gekomen.54 Wel zal verjaring in de weg kunnen staan aan een tweede vervolging en kan na een tweede poging niet nogmaals om herziening worden verzocht.
De herziening ten nadele zal niet in strijd zijn met de tekst van art. 68 lid 1 Sr. Want deze ne bis in idem-bepaling maakt een uitzondering voor de gevallen dat rechterlijke uitspraken vatbaar zijn voor herziening. Herziening ten nadele hoeft evenmin in strijd te komen met verdragsverplichtingen. Enerzijds heeft Nederland het Vierde Protocol bij het EVRM niet geratificeerd en heeft het een voorbehoud gemaakt bij art. 14 lid 7 EVRM. Anderzijds geeft het Vierde Protocol bij het EVRM de nodige ruimte om ingeval van nieuwe feiten of nieuw ontdekte feiten een strafzaak te heropenen en legt het Comité voor de Rechten van de Mens art. 14 lid 7 IVBPR restrictief uit, zoals de regering stelt. Ook zal art. 54 SUO geen belemmering hoeven te vormen. De herziening ten nadele heeft immers geen gevolgen voor het vrije verkeer, het betreft immers herziening van een uitspraak van de nationale rechter (voorgestelde art. 482b lid 3, onderdeel d, Sv).55 Wel ligt er potentieel een probleem in art. 6 EVRM. Waar het tweede lid van art. 4 van het Zevende Protocol bij nova of fundamentele gebreken in de vorige procedure een nieuwe vervolging mogelijk maakt, ziet het vereiste van een fair trial op de vervolgvraag of gebruikmaking van die bevoegdheid in een voorkomend geval redelijk is. Zo is door het EHRM geoordeeld dat de mogelijkheid tot herziening niet dient te worden aangewend om onherroepelijke uitspraken die niet manifestly unreasonable zijn open te breken56 of om het openbaar ministerie de gelegenheid te bieden alsnog een gedegen onderzoek te laten verrichten, zodat er nu wel een veroordeling kan volgen.57 Met betrekking tot de herziening ten nadele geldt enerzijds dat in beginsel pas sprake is van een vervolging waarop art. 6 EVRM ziet indien de Hoge Raad heeft beslist dat de zaak moet worden herzien, zodat het verzoek van het OM tot herziening ten nadele niet reeds een nieuwe criminal charge oplevert.58 Anderzijds voorziet het voorgestelde art. 482c Sv in de mogelijkheid om voorafgaande aan het herzieningsverzoek onderzoek te laten verrichten, indien er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de Hoge Raad een aanvraag gegrond zal achten en het onderzoek dringend noodzakelijk is. Zelfs kan de gewezen verdachte in bewaring worden genomen, met dien verstande dat de Hoge Raad daarover beslist (art. 482f Sv). Met Bijlsma59 meen ik dat de inzet van de onderzoeksbevoegdheden en het gebruik van dwangmiddelen voorafgaande aan de beoordeling van het herzieningsverzoek met zich kunnen brengen dat wel degelijk sprake is van een criminal charge ook voordat sprake is van een uitspraak van de Hoge Raad dat het verzoek om herziening ten nadele gegrond is. Zolang de dwangmiddelen niet worden ingezet om eerdere misslagen te herstellen, maar omdat aannemelijk is dat zich nova of falsa voordoen, voorzie ik geen echte problemen.
Kenmerkend in het bestuursrecht is dat besluiten na ommekomst van een bepaalde termijn onherroepelijk worden en dat partijen gebonden zijn aan een uitspraak die gezag van gewijsde heeft gekregen. In de zaken Rewe en Comet oordeelde het Hof dat de vaststelling van redelijke beroepstermijnen op straffe van verval van rechten niet in strijd is met de — overigens eerst in die uitspraken geformuleerde — eisen van gelijkwaardigheid en effectiviteit.60 Indien zowel voor aanspraken ontleend aan het nationale recht als aan de Unie geldt, dat die binnen een vaste termijn moeten worden ingeroepen is er geen sprake van discriminatie. Indien de beroepstermijn voorts redelijk is, kan niet worden gezegd dat het in praktijk onmogelijk is de aan het Unierecht ontleende rechten uit te oefenen.61 Indien een lidstaat voorziet in een stelsel waarin het gezag van gewijsde van een uitspraak doorwerkt voor besluitvorming voor opvolgende jaren dan komt de eis van effectiviteit in beeld. In de Italiaanse zaak Olimpiclub werd geoordeeld dat het op deze wijze oprekken van de onherroepelijkheid van uitspraken ontoelaatbaar is, indien in de betreffende uitspraak Gemeenschapsrecht verkeerd is toegepast.62 De eisen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid brengen volgens het Hof van Justitie met zich dat indien de nationale autoriteiten of de nationale rechter naar nationaal recht geen bevoegdheid hebben terug te komen van onjuist maar onherroepelijke beslissingen, zij ter zake van de onjuiste toepassing van Unierecht geen uitzondering op deze regel hoeven te maken,63 maar dat, wanneer er wel een dergelijke bevoegdheid geldt naar nationaal recht, telkens van die bevoegdheid gebruik zal moeten worden gemaakt, indien de aanvrager wel destijds de nationale rechtsmiddelen heeft uitgeput, maar de nationale rechter heeft verzuimd ambtshalve het Unierecht toe te passen en evenmin prejudiciële vragen heeft gesteld.64 Daarnaast zijn lidstaten aansprakelijk voor onrechtmatige rechtspraak, welke aansprakelijkheid niet bij nationale wetgeving verder kan worden beperkt dan de door het Hof van Justitie vastgestelde criteria van een gekwalificeerde en kennelijke schending van Unierecht.65
Ingevolge art. 4:6 Awb is de aanvrager, die na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag doet, gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden — gezamenlijk wel nova genoemd66 — te vermelden (lid 1) en kan het bestuursorgaan, wanneer niet aan die stelplicht is voldaan, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking zonder eerst een termijn te stellen voor het aanvullen van de aanvraag (lid 2). De wetgever had met de in art. 4:6 Awb vervatte stelplicht van de aanvrager dat sprake is van een novum door de aanvrager (lid 1) en de vereenvoudigde afdoening bij het ontbreken daarvan (lid 2) voor ogen dat het indienen van een nieuwe aanvraag na een eerdere afwijzing niet ertoe kan leiden dat de aanvrager daarmee kan bewerkstellingen dat een onherroepelijke beschikking alsnog weer langs een omweg kan worden aangetast door het indienen van een nieuwe aanvraag en dat deswege zonder gestelde nova een korte afwijzing kon volstaan.67 In lijn met de parlementaire geschiedenis is dat de bestuursrechter, gelet op het openbare orde-karakter van de toegang tot de bestuursrechter (art. 6:7 en 8:1 Awb), ambtshalve toetst of sprake is van een eerder afwijzend besluit en of nova zijn gesteld.68 Art. 4:6 Awb wordt analoog toegepast op het verzoek om terug te komen van een ambtshalve genomen besluit.69 In uitzonderlijke gevallen kan het onverkort door het bestuursorgaan vasthouden aan de nova-eis dermate onredelijk uitpakken dat de bestuursrechter toch tot een (iets) ruimere toetsing komt.70 De vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden is zelf weliswaar een rechtsvraag, maar het antwoord moet in het feitelijke worden gezocht. Het moet gaan om feiten en niet om argumenten.71 Zo zal ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds hierom stranden,72 tenzij dat beroep steunt op nieuw gebleken feiten.73 Argumenten als deze hadden immers bij het bezwaar en beroep tegen de eerdere niet begunstigende beschikking naar voren gebracht kunnen worden. Hieruit volgt voorts dat argumenten die aantonen dat het eerdere besluit onjuist was, waaronder (gewijzigde) jurisprudentie, geen nova zijn.74 Aan beslissingen en rechtsvaststellingen liggen zelf mogelijk wel feiten en omstandigheden ten grondslag die nova kunnen vormen.75 Bewijsstukken waaruit eerder aangevoerde feiten of omstandigheden blijken kunnen eveneens nova zijn.76 Voorts kunnen nieuwe feiten ook eerst blijken uit een rechterlijke uitspraak.77 Bij wijziging van regelgeving of beleid is een nieuwe aanvraag mogelijk geen herhaalde aanvraag, maar een eerste aanvraag.78
Ingevolge art. 8:88 lid 1 Awb kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die: (a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, (b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en (c) waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Een herhaalde aanvraag als bedoeld in art. 4:6 Awb biedt meer mogelijkheden dan een herzieningsverzoek. Zo spelen blijkens de parlementaire geschiedenis nieuwe wetenschappelijke inzichten geen rol bij art. 8:88 Awb, maar kunnen die wel aanleiding vormen voor het bestuur om (op verzoek) terug te komen op een eerder besluit.79 Een strikte ex tune beoordeling dus door de rechter. Voorts is er geen sprake van enige discretionaire ruimte voor de rechter. De rechter stelt zich in dit verband strikt op.80 Ook wordt de eis gesteld dat een dergelijk verzoek analoog aan art. 6:12 Awb binnen een redelijke termijn wordt ingediend.81 Naast de herziening als bedoeld in art. 8:88 Awb is er een praktijk ontstaan dat de rechter bij evidente rechterlijke misslagen of evidente administratieve fouten ambtshalve of op verzoek over kan gaan tot vervallenverklaring of rectificatie van de uitspraak.82 Gelet op de beperkte herzieningsgronden van art. 8:88 Awb zal bij schending van het EVRM en het Unierecht reparatie moeten plaatshebben over de band van art. 4:6 Awb. Art. 8:88 Awb heeft al met al dus niet dezelfde betekenis als de herziening door de Hoge Raad in het strafrecht, nog daargelaten dat de herziening in het strafrecht een grotere slaagkans kan hebben dan reguliere cassatie, omdat bij herziening juist wel de feiten aan de orde kunnen komen. Is er aanleiding om ingeval van bestraffende sancties ruimhartiger invulling te geven aan art. 4:6 en art. 8:88 Awb? Met betrekking tot bestuurlijke boetes zal het gewoonlijk gaan om ambtshalve genomen besluiten. In zoverre gaat het om de analoge toepassing van art. 4:6 Awb. In boetezaken wordt deze bepaling inderdaad overeenkomstig toegepast. De aanlegger zal dan in beginsel relevante nova moeten stellen.83
Rechtsbeginselen
De drie meest fundamentele rechtsbeginselen van de Europese rechtsorde zijn het subsidiariteitsbeginsel (art. 5 EG, thans art. 5 VEU), het beginsel van Gemeenschapsof Unietrouw (art. 10 EG, thans art. 4 lid 3 VEU) en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit (art. 12 EG, thans art. 18 VWEU) zijn. Het gaat hier dus om specifieke verschijningsvormen van het evenredigheidsbeginsel, het beginsel van rechtszekerheid en het gelijkheidsbeginsel. Met het oog op bestraffende sancties lijken in Europese context echter vooral het verdedigingsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (niet in de zin van subsidiariteit) van groot belang. Daarom ga ik hier kort op in. Deze beginselen komen overigens ook — in andere vorm — tot uiting in art. 6 EVRM en de jurisprudentie van het EHRM. In de EU is het verdedigingsbeginsel vooral uitgewerkt in de rechtspraak van Hof inzake het mededingingsrecht. Dit verdedigingsbeginsel kent de volgende deelaspecten: het recht om het eigen standpunt kenbaar te maken; het recht om inlichtingen te ontvangen en inzage in de stukken; het recht om geheimhouding van concurrentiegevoelige en bedrijfsvertrouwelijke informatie; het recht op geheimhouding van verschafte informatie buiten of na de procedure; het verbod van zelfincriminatie; het recht op vertrouwelijkheid tussen de cliënt en zijn advocaat; het recht op rechtsbijstand; en voldoende tijd om de verdediging voor te bereiden.84 Het evenredigheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel lijkt in Europese context buiten handhavingszaken inhoudelijk meer handen en voeten te hebben dan in de Nederlandse context (art. 3:4 lid 2 Awb), omdat door het Hof voller naar de effectiviteit van het middel wordt gekeken en ook eventuele alternatieven worden afgewogen.85 Waar het gaat om handhaving van het Unierecht wordt door richtlijnen en het Hof van Justitie de eis gesteld dat sancties in dit verband (of die nu wel of niet strafrechtelijk van aard zijn) even zwaar zijn als die welke gelden voor vergelijkbare, even ernstige overtredingen van het nationale recht, en in ieder geval doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn.86 Met deze eisen wordt vooral gedoeld op de ondergrens van sancties en niet op de bovengrens. Zo spelen in mededingingszaken vooral afschrikking en voordeelontneming een rol.87 De Commissie en de NMa wordt dan ook veel ruimte gelaten om binnen het wettelijk maximum een boeterichtsnoeren vast te stellen en toe te passen.88 Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in de Nederlandse context — het mededingingsrecht daargelaten — de vollere evenredigheidstoets bij bestraffende sancties niet is terug te voeren op het Unierecht, maar op art. 6 lid 1 EVRM. Niettemin kan het evenredigheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 49 lid 3 van het Handvest van de grondrechten van de EU, nopen tot strafmatiging.
Met betrekking tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geldt dat hoewel niet letterlijk al deze beginselen zijn gecodificeerd in de Awb, een aantal van die beginselen van belang kan zijn bij de evenredigheidstoetsing als bedoeld in art 3:4 lid 2 Awb. Zo kunnen het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel een rol spelen bij de inkleuring van evenredigheid.89 Welke beginselen zijn het belangrijkst? Aan de rechtsidee zelf liggen drie fundamentele uitgangspunten ten grondslag; namelijk dat het recht geldt (positiviteit); dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van ongelijkheid en ten slotte zullen er inhoudelijke normen gesteld moeten worden (streven naar rechtvaardigheid).90 Hieruit volgt dat de beginselen van rechtszekerheid, gelijkheid en evenredigheid de drie belangrijkste rechtsbeginselen zijn. Daarbij geldt dat daarmee uiteraard nog niet is gegeven welke gevallen gelijk zijn en wat evenredig is. De inhoud van die beginselen wordt naar tijd, plaats en context nader ingevuld. Waar het gaat om de punitieve handhaving door bestuursorganen moeten aan deze drie meer materiële beginselen wellicht het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play en het motiveringsbeginsel worden toegevoegd, althans voor zover die zien op de verdedigingsrechten. Gewezen kan worden op de procedurele bepalingen in de Awb ter zake van boeteoplegging (art. 5:48-5:53 Awb). Verder geldt de evenredigheidsmaatstaf niet alleen voor besluiten, maar ook voor feitelijk handelen. Zo bepaalt art. 5:13 Awb dat een toezichthouder van zijn bevoegdheden slechts gebruik maakt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
De beginselen van een behoorlijke procesorde die in strafrechtelijke jurisprudentie zijn ontwikkeld lopen grotendeels parallel aan de eerder tot ontwikkeling gekomen algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met dien verstande dat de onderverdeling in het strafrecht minder fijnmazig is. Onderscheiden wordt tussen het beginsel van zuiverheid van oogmerk (verbod van détournement du pouvoir), het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging (evenredigheidsbeginsel), het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Het kan bij het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging gaan om de wijze van aanwending van al dan niet pro-actieve opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen, in welk verband wordt gesproken van de in art. 8 leden 1 en 5 Politiewet 1993 neergelegde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, die hun bestuurlijke equivalent vinden in art. 5:13 Awb. Maar uiteraard is dit beginsel ook van toepassing op de vervolgingsbeslissing. Net als in het bestuursrecht is hier sprake van een zogenoemde marginale toetsing door de rechter. De belangen moeten worden afgewogen door het OM. Het is niet de taak van de rechter te toetsen of die afweging juist is, maar slechts of die niet (kennelijk) onredelijk is.91 Deze redelijkheidstoets kan zowel het (vervolgings)beleid zelf betreffen als een concrete (vervolgings)beslissing. De toetsing van de redelijkheid van een beslissing die er juist toe strekt dat niet wordt vervolgd zal ook aan de orde kunnen zijn ingeval van een klacht wegens niet vervolgen (art. 12i lid 2 Sv).92 Indien het OM geen open kaart speelt, bijvoorbeeld omdat het mogelijk ontlastende stukken achterhoudt, loopt het een grote kans — indien dit althans ten processe komt vast te staan — dat het niet-ontvankelijk is wegens ernstige strijd met een behoorlijke procesorde.93 Ik zou willen voorstellen deze niet-ontvankelijkheidsgrond te koppelen aan het beginsel van fair play, dat in het bestuursrecht wordt gehanteerd, danwel aan het verdedigingsbeginsel, zoals we dat tegenkomen in het (Europees) bestuursrecht en dat ook is neergelegd in art. 6 lid 3 EVRM. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel zal in het strafrecht op zowel het vlak van de vervolgingsbeslissing als de strafmaat waarschijnlijk minder snel slagen dan in het bestuursrecht. Dit hangt respectievelijk samen met de beperkte opsporings- en vervolgingscapaciteit94 en met het uitgangspunt dat het strafrecht meer dadergericht is dan daadgericht.
Eerste deelconclusie
Waar het gaat om het legaliteitsbeginsel en de eisen van de rechtszekerheid, waaronder het bepaaldheidsgebod, voldoen het Nederlandse materiële straf- en bestuursrecht aan de minimumeisen die het EHRM stelt. Een rekkelijke uitleg van wetsbepalingen en het hanteren van een verregaande zorgplicht in het economisch straf- en bestuursrecht zijn toegestaan, zolang de uitleg die de rechter aan de norm geeft kenbaar en voorzienbaar is. Waar het gaat om de toepassing van de meest gunstige bepaling (lex mitior) steekt onze strafrechtelijk jurisprudentie niet op alle punten erg gunstig af ten opzichte van de door mij voorgestane ruime uitleg van art. 15 lid 1 slotdeel IVBPR. Ook vind ik het jammer dat Nederland voorbehouden maakt ter zake van ne bis in idem (en het daarmee samenhangende una via). Voorts valt op dat de Hoge Raad deze leerstukken vrij eng toepast. Vanuit mensenrechtelijk en Europees perspectief acht ik het onwenselijk dat Nederland achterblijft met betrekking tot de toepassing van de leerstukken ne bis in dem en una via. Het nationale strafrecht en het nationale bestuursrecht bieden in het algemeen voldoende mogelijkheid om terug te komen van onherroepelijke vonnissen en besluiten. In beginsel is het vereiste dat de verzoeker relevante nova stelt immers niet onredelijk, terwijl voorts in uitzonderlijke gevallen iets ruimer door de rechter wordt getoetst. Bovendien kunnen schendingen van het EVRM worden gerepareerd. Schendingen van Unierecht kunnen in het strafrecht overigens niet worden gerepareerd, terwijl dit wel mogelijk is in het bestuursrecht. Het eventueel invoeren van de herziening ten nadele in het strafrecht, zoals wordt beoogd met het wetsvoorstel Wet herziening ten nadele, hoeft niet in strijd te komen met verdragsverplichtingen, mits geen lichtvaardig gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot een tweede vervolging. Het moet gaan om echte nova of falsa. Waar het gaat om de rechtsbeginselen lijkt Nederland in de pas te lopen met de in de Europese Unie ontwikkelde beginselen, met dien verstande dat het verdedigingsbeginsel niet zozeer afzonderlijk wordt erkend als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of als beginsel van een behoorlijke procesorde, maar dat het wel degelijk handen en voeten krijgt over de band van het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van fair play en het beginsel van een redelijke belangenafweging. Daarbij merk ik op dat met betrekking tot de evenredigheidstoets inzake bestuurlijke boetes vooral art. 6 lid 1 EVRM hier te lande maatgevend is en in mindere mate — met uitzondering van het mededingingsrecht de invulling van dit beginsel in het Unierecht. Niettemin kan het evenredigheidsbeginsel, zoals vastgelegd in art. 49 lid 3 van het Handvest van de grondrechten van de EU, nopen tot strafmatiging.