Mandeligheid
Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/23.1:23.1 Inleiding
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/23.1
23.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS488452:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 1 heb ik Opzoomer royaal geciteerd. Het belang van zijn opmerkingen is zo groot dat ik niet schroom om het desbetreffende citaat hier te herhalen.
‘De afgescheiden grondeigenaars moesten voor den scheidsmuur nauw verbonden eigenaars zijn. Men had dien muur als een gemeenen muur te beschouwen. Maar moest het dan de gewone gemeenschap, de gewone mede-eigendom zijn, het condominium of de communio pro indiviso zonder de minste wijziging? Daarmee kon de praktijk moeilijk vrede hebben. De gemeenschap kon hier in sommige opzichten minder streng zijn dan gewoonlijk, in andere moest zij daarentegen veel strenger zijn. Strekte bij den gewonen mede-eigendom ieders recht zich over elk stuk van het geheel uit, ofschoon dan op ideële wijze, hier achtte men het goed, ieder bij de uitoefening, van den eigendom althans bij een deel dier uitoefening, tot de helft te beperken, als reikte werkelijk zijn eigendom slechts zoo ver en als bestond er geen gemeenschap.’1
De conclusie van Opzoomer is vervolgens dat hier eigenlijk sprake is van een
‘soort van middelding tusschen gescheiden eigendommen en mede-eigendom, of liever nog: het is mede-eigendom, gemeenschap, maar waar het nodig is gewijzigd naar hetgeen alleen aan gescheiden eigendommen laat denken.’2
Door Vandenberghe wordt opgemerkt dat de rechten ten aanzien van een gemeenschappelijke muur worden ‘gelokaliseerd’.
Of anders: de rechten mogen hoofdzakelijk uitgeoefend worden opdat deel van de muur dat naar de zijde van het eigen erf is gericht.3 De aard van de muur brengt volgens Vandenberghe ook met zich mee dat het niet toegestaan is – zelfs niet ingeval de eigenaren van de muur daartoe samen besluiten – om aan een willekeurige derde het steunrecht af te geven.4 Er zou sprake zijn van een
‘niet geoorloofde verminking van het wezen zelf van de instelling van de mandeligheid.’
Dit bijzondere element – het gelokaliseerd zijn van bevoegdheden – komt in het oude Burgerlijk Wetboek vooral tot uitdrukking in de art. 684, 686, 689 BW (oud).
In het huidige Wetboek vinden wij deze bijzonderheid terug in de art. 5:67 lid 1 en 68.
Naast deze ‘gelokaliseerde’ bevoegdheden wordt in de art. 685 en 692 BW (oud) nog een aantal andere bevoegdheden genoemd.
Al deze bevoegdheden zullen in dit hoofdstuk worden besproken.
In het tweede deel van dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan de verplichtingen en lasten van de mede-eigenaren.