Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/4.3.6
4.3.6 Evaluatie
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298354:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 544 en O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), FM nr. 113, Deventer: Kluwer 2005, p. 280 t/m 282 en p. 311.
J.A.G. van der Geld, ‘Het onderscheid tussen eigen en vreemd vermogen in de Nederlandse vennootschapsbelasting’, in: Over de grenzen van de vennootschapsbelasting (Juch-bundel), Deventer: Kluwer 2002, p. 90-91 met betrekking tot de tax credit variant van zijn voorstel.
Immers, hoe kan de debiteur weten wat het effectieve tarief van de crediteur is als de debiteur en de crediteur niet gelieerd zijn. Ditzelfde probleem kan zich voordoen wanneer een debiteur obligaties heeft uitgegeven om zich te financieren en zijn crediteuren niet kent. Zie J. Vleggeert, ‘Naar een (meer) gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen in de vennootschapsbelasting?’, WFR 2003/6545, p. 1487. In deze zin ook O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), FM 113, Deventer: Kluwer 2005, p. 281. Van Strien meent dat deze praktische problemen zich mogelijk nog wel op laten lossen, maar ziet toch andere (onder andere Europeesrechtelijke) bezwaren in grensoverschrijdende situaties. J. van Strien, Renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, FM nr. 119, Deventer: Kluwer 2007, p. 540 t/ 543.
J.P. Boer, J.A. Booij, B.E.J. Castelijn, H. Vording, R.J. de Vries, ‘Blauwdruk voor een boxenstelsel in de vennootschapsbelasting’, WFR 2004/6604, p. 1857/1858.
Op deze wijze is ook de groepsrentebox van art. 12c Wet VPB 1969 vormgegeven, zij het dat deze box optioneel is. De box is daarom niet te beschouwen als een aftrekbeperking maar als een faciliteit. Art. 12c treedt overigens pas in werking op een bij Koninklijk Besluit bepaald tijdstip waarbij aan dat tijdstip terugwerkende kracht kan worden verleend. De bepaling vindt dan voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren die aanvangen op of na dat tijdstip van inwerkingtreding. Op 7 februari 2007 heeft de Europese Commissie aangekondigd op grond van de staatssteunregels een formele onderzoeksprocedure tegen de rentebox in te leiden. IP 07/154, V-N 2007/12.14. Zie verder Besluit EC van 28 maart 2007, nr. 2007/C 66/12, V-N 2007/19.16. Uit de Brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 3 juli 2008, nr. AFP 2008-00455, V-N 2008/34.17 blijkt dat sindsdien regelmatig overleg met de Commissie heeft plaatsgevonden: ‘In dat kader is ook de mogelijkheid van een verplichte rentebox die de staat geen geld kost aan de orde gekomen, omdat het optionele karakter een van de elementen is waarmee de Commissie vanuit staatssteun optiek moeite heeft.’
O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), FM nr. 113, Deventer: Kluwer 2005, p. 282.
F.A. Engelen, ‘(Door)werken aan groepsrente in 2008’, NTFR 2008/1, p. 2.
Engelen c.s. stellen in dit verband voor om renten en kosten ter zake van schulden die verband houden met een deelneming in een verbonden lichaam bij het bepalen van de winst buiten aanmerking te laten. F.A. Engelen, H. Vording, S van Weeghel, ‘Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscaal vestigingsklimaat’, WFR 2008/6777, p. 891-906. Dit voorstel komt aan de orde in paragraaf 10.3.
O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), FM nr. 113, Deventer: Kluwer 2005, p. 283.
O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), FM nr. 113, Deventer: Kluwer 2005, p. 285. In vergelijkbare zin J.P. Boer, J.A. Booij, B.E.J. Castelijn, H. Vording, R.J. de Vries, ‘Blauwdruk voor een boxenstelsel in de vennootschapsbelasting’, WFR 2004/6604, p. 1857 t/m 1862.
Zie O.C.R. Marres, Winstdrainage door renteaftrek (beoordeling van artikel 10a Wet op de vennootschapsbelasting 1969), FM 113, Deventer: Kluwer 2005, p. 283-284 en F.A. Engelen, ‘(Door)werken aan groepsrente in 2008’, NTFR 2008/1, p. 3.
Zie F.A. Engelen, H. Vording, S van Weeghel, ‘Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscaal vestigingsklimaat’, WFR 2008/6777, p. 891-906.
F.A. Engelen, ‘(Door)werken aan groepsrente in 2008’, NTFR 2008/1, p. 3.
Wordt het wenselijk geacht vreemd vermogen op het niveau van de debiteur gelijk te behandelen aan eigen vermogen, dan is de rente niet meer aftrekbaar ongeacht of zij bij de crediteur in de heffing wordt betrokken. Bovendien wordt de rente bij de vennootschapsbelastingplichtige crediteur vrijgesteld, zelfs wanneer de debiteur de rente heeft kunnen aftrekken.
Is ook sprake van een gelijke behandeling van vreemd vermogen en eigen vermogen wanneer de fiscale positie van de vennootschap wordt bezien in samenhang met die van haar vermogensverschaffers? Is de verschaffer van het vermogen een a.b.-houder, dan zal zowel het dividend als de rente worden belast in box 2 naar een tarief van 25% (in 2007 geldt een tarief van 22%). De gecombineerde belastingdruk op het dividend en de rente is dan 44,125%. Bij de particuliere verschaffer van vermogen die geen aanmerkelijk belang heeft, worden zowel aandelen als schuldvorderingen belast in box 3 naar een forfaitair rendement van 4% en een tarief van 30%. Vanuit het perspectief van de inkomstenbelastingplichtige verschaffer van het vermogen en de vennootschap gezamenlijk wordt vreemd vermogen dus behandeld als eigen vermogen.
Is de verschaffer van het vermogen een lichaam dat is onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting, dan wordt zowel het dividend als de rente vrijgesteld. Vanuit de invalshoek van de vennootschapsbelastingplichtige verschaffer van het vermogen en de vennootschap gezamenlijk wordt het vreemd vermogen dus eveneens behandeld als eigen vermogen.
Behoort een gelijke gecombineerde belastingdruk op het dividend en de rente in binnenlandse verhouding dus tot de mogelijkheden, in grensoverschrijdende situaties is dit minder vanzelfsprekend. Zo is de rente bij een buitenlandse vennootschapsbelastingplichtige debiteur doorgaans aftrekbaar. Wordt zij bij de Nederlandse crediteur vrijgesteld, dan zou vreemd vermogen vanuit het gezamenlijke perspectief van de Nederlandse crediteur en de buitenlandse debiteur beter worden behandeld dan eigen vermogen.
Verder is het mogelijk dat de rente bij de buitenlandse particuliere verschaffer van het vermogen wordt belast naar een hoger tarief dan het dividend. Is de buitenlandse verschaffer van het vermogen aldaar onderworpen aan vennootschapsbelasting, dan zal de rente bovendien in het algemeen niet zijn vrijgesteld. Vanuit de invalshoek van de Nederlandse debiteur en de buitenlandse crediteur wordt vreemd vermogen in dergelijke gevallen slechter behandeld dan eigen vermogen. Vanwege deze internationale mismatches is het naar mijn mening niet wenselijk de aftrek van de rente eenzijdig te schrappen.1
Gesuggereerd is om in afwachting van de invoering van een nieuw systeem waarin vreemd vermogen ook elders in de wereld op dezelfde wijze wordt behandeld als eigen vermogen, een tax credit aan de debiteur te verlenen voor de belasting die over de ontvangen rente door de crediteur is betaald.2 Dit voorstel komt erop neer dat rente in de vennootschapsbelasting aftrekbaar zou worden tegen het effectieve tarief van de crediteur. De gelijke behandeling van vreemd vermogen aan eigen vermogen wordt aldus niet bereikt. Verder zijn Europeesrechtelijke bezwaren tegen het voorstel in te brengen (zie hiervoor hoofdstuk 13 waar de compenserende heffingstoets van art. 10a wordt besproken) en kleven er praktische problemen aan.3
Verder is voorgesteld om alle rentebetalingen en -inkomsten op te nemen in een aparte box. Het tarief van deze box zou rond 15% moeten liggen. Deze box zou deel uitmaken van een vennootschapsbelasting die verder een algemene box (met een tarief van rond de 20%), een aandelenbox en eventueel ook een r&d-box zou kennen. Eventuele verliezen zouden slechts binnen de desbetreffende box in aanmerking komen.4 Wanneer een Nederlandse debiteur geen rente-inkomsten heeft, komt dit voorstel er voor hem dus op neer dat de rente niet langer aftrekbaar is. Bij de crediteur die is onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting, zal de rente echter wel worden belast naar een tarief van 15%. Is de crediteur onderworpen aan een buitenlandse inkomsten- of vennootschapsbelasting, dan zal de rente doorgaans zelfs worden belast naar een tarief dat aanzienlijk hoger is dan 15%. Vreemd vermogen wordt dan slechter behandeld dan eigen vermogen in gevallen waarin het dividend zou zijn vrijgesteld op grond van een deelnemingsvrijstelling, reden waarom dit voorstel niet mijn voorkeur heeft.
Ook is geopperd om alleen de groepsrente te defiscaliseren. De rente op een lening van een verbonden lichaam is dan niet langer aftrekbaar. Daar staat tegenover dat de rente die is ontvangen van een verbonden lichaam niet meer wordt belast.5 De rente op een lening die is verstrekt door een derde, blijft daarentegen aftrekbaar en de rente op een lening aan een derde blijft belast.
Dit alternatief berust in de eerste plaats op de gedachte dat in geval van interne schuldverhoudingen belastingarbitrage een grotere rol speelt.6 Engelen stelt het nog scherper: ‘De keuze tussen eigen en vreemd vermogen zal immers met name binnen een groep van verbonden lichamen veelal in overwegende mate door fiscale overwegingen worden bepaald.’7 Is dit uitgangspunt juist? Het is immers zeer wel denkbaar dat een lening tussen verbonden lichamen niet primair is ingegeven door fiscale motieven (men denke aan de gevallen waarin voor de toepassing van art. 10a Wet VPB 1969 een beroep kan worden gedaan op de zakelijkheidstoets). Voor dergelijke leningen schiet de defiscalisering van de groepsrente zijn doel voorbij.
De fiscale arbitrage tussen eigen vermogen en vreemd vermogen beperkt zich daarnaast niet tot leningen tussen groepsmaatschappijen maar laat zich ook denken ten aanzien van leningen die zijn aangegaan bij derden. Er is voor een concern immers een prikkel om het vreemd vermogen daar te alloceren waar het tarief van de vennootschapsbelasting het hoogst is. Een aftrek van de rente tegen een hoog belastingtarief resulteert immers in een grotere belastingbesparing dan een aftrek tegen een lager tarief. Voor deze vorm van uitholling van de belastinggrondslag biedt de defiscalisering van de groepsrente geen soelaas.8
In de tweede plaats wordt met de defiscalisering van de groepsrente beoogd om een speciaal regime te creëren voor de winst uit groepsfinancieringsactiviteiten, een motief dat door Marres wordt verklaard vanuit de wens om het investeringsklimaat te bevorderen.9 Het belang dat de voorstanders van de defiscalisering van de groepsrente aan deze stimulans hechten, weegt in hun ogen kennelijk op tegen de nadelen die daaraan zijn verbonden wanneer de maatregel als aftrekbeperking functioneert.
Aan de defiscalisering van de groepsrente kleeft bovendien het bezwaar dat de combinatie van de aftrek van de rente op leningen verstrekt door derden en de vrijstelling van ontvangen groepsrente winstdrainage in de hand werkt. In de woorden van Marres: ‘Die mogelijkheid is er ook reeds doordat rente op een schuld ter financiering van een deelneming aftrekbaar is, maar deze mogelijkheid weegt hier zwaarder omdat de rente in grensoverschrijdende gevallen veelal bij de debiteur aftrekbaar zal zijn. Vaak zal in de praktijk hier dan een “double dip” ontstaan: een dubbele aftrekpost binnen hetzelfde concern, zonder corresponderende heffing.’10
Het is mogelijk deze vorm van winstdrainage te vermijden door de rente op een lening die is verstrekt aan een verbonden lichaam toch te belasten wanneer zij is gefinancierd uit geld dat is ingeleend van derden.11 De double dip kan ook worden voorkomen door de rente op een lening die is verstrekt aan een verbonden lichaam wel vrij te stellen maar de aftrek te weigeren van de rente op de daarmee verband houdende derdenlening.12 De keerzijde van beide uitzonderingen is dat rente op een lening van een verbonden lichaam toch aftrekbaar is wanneer de crediteur het geld op zijn beurt heeft ingeleend van derden. In feite wordt groepsrente dan alleen gedefiscaliseerd voor zover de lening door de verbonden crediteur is gefinancierd uit eigen vermogen (dan wel uit een lening van een verbonden crediteur die uit eigen vermogen is verstrekt).
Hoe moet worden vastgesteld of een schuld aan een verbonden crediteur is gefinancierd uit eigen vermogen dan wel uit extern vreemd vermogen? Engelen stelt voor om de rente op een schuld aan een verbonden lichaam wel in aftrek toe te laten indien de crediteur ‘of een daarmee verbonden lichaam (...), met het doel waarvoor de schuld is aangegaan rechtens dan wel in feite direct of indirect een schuld is aangegaan bij een niet verbonden lichaam of natuurlijk persoon’.13 Vooralsnog is echter niet duidelijk hoe deze zinsnede moet worden uitgelegd. Samenvattend heeft de invoering van een systeem waarin de rente niet langer aftrekbaar is voor de debiteur en wordt vrijgesteld bij de vennootschapsbelastingplichtige crediteur, als voordeel dat eigen vermogen en vreemd vermogen op het niveau van de vennootschap meer gelijk worden behandeld. Vanuit het perspectief van de vennootschap en de vermogensverschaffer gezamenlijk kan dit doel worden bereikt als de aftrek in binnenlandse verhoudingen wordt bezien. In grensoverschrijdende situaties leidt dit systeem echter tot een meer ongelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen, reden waarom de eenzijdige invoering ervan, naar het mij voorkomt, ongewenst is. Het alternatief om alleen de groepsrente te defiscaliseren, schiet naar mijn mening zijn doel voorbij in gevallen waarin een lening tussen verbonden lichamen niet primair is ingegeven door fiscale motieven.