De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.6.3.2:3.6.3.2 VIBA
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/3.6.3.2
3.6.3.2 VIBA
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS386106:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ondernemingskamer 10 januari 2002, ARO 2002/18, JOR 2002/27 (VIBA I).
Hoge Raad 21 februari 2003, NJ 2003,181, ARO 2003/39, JOR 2003/58 (VIBAII).
Ondernemingskamer 1 augustus 2003, ARO 2003/132, JOR 2003/2057 (VIBAIII).
Ondernemingskamer 5 augustus 2005, ARO 2005/167, JOR 2005/241 (VIBAIV).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
VIBA NV was een beursgenoteerde onderneming met als belangrijkste aandeelhouders: de familie Lampe (23%), Hardamant (32,3%) en Recobel (10%). De laatste vennootschap is een dochteronderneming van Reesink. Reesink c.q. Recobel had verschillende malen aangegeven geïnteresseerd te zijn in uitbreiding van zijn belang in VIBA. Bestuur en raad van commissarissen van VIBA vonden dat onwenselijk en toen het Lampe-pakket te koop aangeboden werd, besloten ze dit pakket buiten bereik van Reesink te houden door de aandelen zelf aan te kopen en onder te brengen in een daarvoor opgerichte BV(Hardamant finance) waaraan tevens het Hardamant pakket werd verkocht. Reesink had bezwaren tegen de ‘Hardamantconstructie’ en diende een enquêteverzoek in. De Ondernemingskamer oordeelde dat sprake was van wanbeleid,1 maar deze beschikking werd door de Hoge Raad vernietigd.2 Tijdens het enquêteonderzoek presenteerde VIBA een werknemersparticipatieplan op de aandeelhoudersvergadering. Dit plan houdt in dat het door Hardamant Finance gehouden Lampe-pakket werd aangewend ten behoeve van de werknemers. De aandelen werden geplaatst bij een daarvoor opgerichte stichting en VIBA financierde de aankoop van de aandelen. De stichting had vervolgens certificaten uitgegeven ten behoeve van de werknemers van VIBA. Vier certificaten vertegenwoordigden één aandeel. Reesink voerde als bezwaren tegen het werknemersparticipatieplan aan (i) dat VIBA handelde in strijd met de wet en zakelijk onverantwoord Hardamant heeft gefinancierd en (ii) dat VIBA door middel van het werknemersparticipatieplan de stemverhoudingen in de algemene vergadering van aandeelhouders op onaanvaardbare wijze had beïnvloed. De Ondernemingskamer overwoog dat sprake was van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen.3 Omdat de voordelen voor de werknemers slechts gering waren, was het volgens de Ondernemingskamer de vraag in hoeverre de door VIBA gekozen oplossing was ingegeven door motieven die te maken hebben met – beheersing van – de stemverhoudingen in de aandeelhoudersvergadering. De Ondernemingskamer gelastte daarom een onderzoek naar het beleid en gang van zaken bij VIBA. De onderzoeker concludeerde vervolgens dat het beleid van VIBA als voldoende inzichtelijk en verantwoord is te beschouwen. Naar aanleiding van deze conclusie overwoog de Ondernemingskamer dat geen sprake is van wanbeleid.4 Bij het oordeel dat geen sprake is van wanbeleid speelden drie aspecten van het werknemersparticipatieplan een rol. In de eerste plaats was de doelstelling van het werknemersparticipatieplan van belang. Uit het onderzoek volgde dat het werknemersparticipatieplan was ingegeven door de wens van VIBA te verhinderen dat Reesink haar belang in VIBA aanmerkelijk zou kunnen uitbreiden, maar het plan vond evenzeer zo niet in belangrijke mate zijn grond in de wens van het bestuur van VIBA haar werknemers te doen delen in de resultaten van VIBA en deze daardoor voor langere tijd aan zich te doen binden. Volgens de onderzoeker was deze laatste doelstelling gerealiseerd en was er dus geen grond voor de conclusie dat het werknemersparticipatieplan op oneigenlijke gronden in het leven is geroepen.
In de tweede plaats speelde de financiering van het werknemersparticipatieplan een belangrijke rol. Volgens de Ondernemingskamer was geen sprake van wanbeleid op grond van de omstandigheid dat de werknemers slechts een bescheiden financiële opoffering moesten doen. VIBA had een, uit oogpunt van rendement, alleszins aanvaardbare tegenprestatie bedongen en uit het onderzoek volgt niet dat VIBA met de investering een financieel risico heeft aanvaard. De derde omstandigheid was de onafhankelijkheid van het bestuur van de stichting. Verzoeksters hadden niet of onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bestuur van het stichting administratiekantoor niet onafhankelijk zou functioneren of dat haar (stem)gedrag in de algemene vergadering van aandeelhouders van VIBA zou worden bepaald door de wens om de belangen van verzoeksters te dwarsbomen.