De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.7.1:17.7.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/17.7.1
17.7.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370152:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In feitelijke instanties lijkt art. 3:317 BW opvallend vaak aanleiding tot misverstand te geven. Om die reden rijst de vraag of het herformulering verdient — daargelaten overigens op zichzelf of art. 3:317 BW moet worden gehandhaafd.1Art. 3:317 lid 1 BW luidt:
"De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt".
Wij zagen al dat de Hoge Raad deze bepaling in zijn standaardarrest van 14 februari naar haar ratio interpreteert: onder een schriftelijke uiting in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW moet worden verstaan "een — voldoende duidelijke — waarschuwing aan de schuldenaar" dat hij met een aanspraak nog rekening moet houden. In zijn Conclusie voor HR 25 januari 20022 schreef A-G Bakels nader:
"(...) 2.1 Het gaat erom dat de schuldeiser zijn wederpartij duidelijk maakt dat het hem nog steeds menens is. Daaraan hoeft niet af te doen dat hij tegelijk blijk ervan geeft te beseffen dat men van een kikker geen veren kan plukken, zodat een compromis niet is uitgesloten. In een uitnodiging aan de schuldenaar om in onderhandeling te treden ligt immers in de regel besloten dat de schuldeiser zich het recht op nakoming (vooralsnog) voorbehoudt.
Tegen deze achtergrond moeten naar inmiddels vaste rechtspraak de van artikel 3:317 lid 1 BW onderdeel uitmakende woorden "een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt", worden begrepen in het licht van de strekking van de stuitingshandeling. Deze is dat de schuldenaar voldoende duidelijk dient te worden gewaarschuwd dat hij, ook na het verstrijken van de (reguliere) verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser in te stellen vordering kan verweren.
De vraag of een schuldeiser in een schriftelijke mededeling zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden, is een kwestie van uitleg. Bij deze uitleg dient de rechter de Haviltex-maatstaf te hanteren. Bij de toepassing daarvan moet de rechter de brief waarin de stuiting zou zijn gedaan, in zijn context lezen. Hij mag daarom niet ermee volstaan te letten op de inhoud daarvan, maar dient tevens de overige omstandigheden van het geval in zijn oordeel te betrekken. Op een onjuiste rechtsopvatting berustend dan wel onvoldoende gemotiveerd was dus het oordeel dat een bepaalde brief, op zichzelf gelezen, geen rechtsgeldige stuitingshandeling inhoudt, zonder dat het hof kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken dat in die brief werd verwezen naar een andere brief waarin met zoveel woorden melding is gemaakt van de wens tot betaling van de openstaande facturen in samenhang met het feit dat die brief afkomstig was van een incassobureau.
Tegen deze achtergrond zijn de onderdelen 3 en 4 in zoverre gegrond, dat het hof ten onrechte spreekt over "de strikte eisen die de wet aan een stuitingshandeling stelt". Van "strikte eisen" is mij in dit verband niets bekend."
In lijn met deze benadering overwoog de Hoge Raad vervolgens in zijn arrest van 24 november 20063 inderdaad:
"In genoemde brief wordt met zoveel woorden gesteld dat aan de aansprakelijkheid van de bestuurder van de bij Noordhollandsche verzekerde motorfiets niet valt te tornen, dat de klachten van [eiseres] afkomstig zijn van het ongeval en dat Noordhollandsche wordt verzocht het nodige te doen om tot regeling van de schade te kunnen overgaan. In het licht van de eerdere correspondentie laat de brief van 15 december 1997 geen andere uitleg toe dan dat [eiseres] zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming heeft voorbehouden als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW."
De Haviltex-maatstaf wordt niet met zoveel woorden genoemd, maar gegeven de verwijzing van de Hoge Raad naar "eerdere correspondentie" kan er eigenlijk nauwelijks nog twijfel over bestaan dat hij wel geldt. Zo zou ik concluderend menen dat de Hoge Raad art. 3:317 BW met oog voor de ratio van de stuitingshandeling op alleszins begrijpelijke wijze uitlegt.