Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.2.5
IV.2.5. Een cijfermatig voorbeeld van twee verschillende schenkingen terzake des doods
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS581532:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bij de ‘sommen-ineensmassa’ van art. 4:37 lid 4 BW, die een grens geeft voor de omvang van de sommen ineens, blijven de schulden als bedoeld onder 4:7 lid 1 onder i BW eveneens buiten beschouwing. Ook hier geldt de quasi-legaatgedachte, zodat de maximumomvang van de sommen-ineens niet beperkt wordt door schenkingen ter zake des doods van art. 4:126 BW. De ‘niet-ten volle schenking’ heeft – mijns inziens ten onrechte – wel invloed op de omvang van de som-ineens. Ik verwijs naar par. 2.3 van dit hoofdstuk, alwaar over de beperkte strekking van art. 7:177 BW werd geschreven en naar par. 1.9 van dit hoofdstuk.
De ‘schenking ter zake des doods’, zoals hiervoor beschreven, al dan niet vallend binnen art. 4:126 lid 1 BW of art. 7:177 BW, zal zowel door de schenker als de begiftigde, zo vermoed ik, beleefd worden als een legaat, of anders gezegd: als een ‘erfrechtelijk gebeuren’. De begiftigde ter zake des doods klopt immers, net als de legataris, die ook slechts een vorderingsrecht heeft (art. 4:117 lid 1 BW), bij de erfgenamen aan en verzoekt om ‘afgifte’ van het geschonkene. Gevoelsmatig zal dit eveneens het geval zijn bij een schenking onder voorbehoud van vruchtgebruik, een ‘niet-ten volle schenking’, ook al hoeft er juridisch niet meer geleverd te worden. Al naar gelang de juridische invulling van de schenking, wordt deze voor de inkorting en de vermindering behandeld als een legaat (art. 4:126 lid 1 BW) dan wel als een ‘normale’ schenking.
Een voorbeeld: Stel A’s nalatenschap is per saldo groot 200. Hij verrichtte een schenking ter zake des doods, die gekwalificeerd kan worden als een quasilegaat in de zin van art. 4:126 lid 1 BW, groot 80 en hij deed daarna, twee jaar voor zijn overlijden, een ‘ongebruikelijke’ schenking groot 20 in contanten.1 Zonder de regeling van art. 4:126 BW zag de samenstelling van de legitimaire massa uit als volgt:
Actief
200
Passief
–80
(Schuld uit hoofde van de schenking ter zake des doods)
Giften
100
Legitimaire massa
220
Met de quasi-legatenregeling ziet een en ander uit als volgt:
Actief
200
Passief
0
(De schuld uit hoofde van de gift blijft buiten beschouwing (art. 4:65 BW en 4:7 lid 1 onder i BW))
Giften
20
(De schenking ter zake des doods blijft buiten beschouwing (art. 4:65 BW slot))
Legitimaire massa
220
De omvang van de legitimaire massa wijzigt niet. De gift wordt slechts aangemerkt als een legaat, hetgeen met zich brengt dat de schenking ter zake des doods eerder voor inkorting in aanmerking komt dan de normale schenking. Ook voor de vermindering van art. 4:120 BW(verhaal) wordt de schenking als een legaat aangemerkt.
De legitimaire massa (art. 4:65 BW) bestaat uit de waarde van de goederen van de nalatenschap, verminderd met bepaalde schulden genoemd in art. 4:7 lid 1 BW en vermeerderd met bepaalde giften. De schulden uit hoofde van quasi-legaten (4:7 lid 1 onder i) blijven buiten beschouwing. Dit volgt uit de eerste zin van art. 4:65 BW. Ook de gift zelf hoeft niet meegenomen te worden, blijkens de tweede zin van art. 4:65 BW. De gift wordt als een legaat aangemerkt en als het ware weggedacht. Ik verwijs naar hetgeen in par. 1.5 van dit hoofdstuk werd opgemerkt naar aanleiding van de inkorting en de vermindering.2
Betrof de schenking niet een schenking van 20 in contanten maar een ‘niet-ten volle schenking’ van een aandeel Philips, waard 20, waarvan A zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, dan was er geen sprake van een quasi-legaat in de zin van art. 4:126 lid 1 BW. Stel het hoofdrecht heeft een waarde van 10. Voor de inkorting en de vermindering blijft de gift een gift. Art. 4:67 onder c BW voorkomt dat de vijf-jaarsbeperking roet in het eten zou gooien voor de legitimaris. Art. 4:66 BW geeft aan op welk tijdstip de gift gewaardeerd moet worden. Dit is het moment onmiddellijk na het overlijden. Als gevolg hiervan wordt niet alleen de waarde van de ‘bloot eigendom’, maar de waarde van de volle eigendom ten tijde van het overlijden als schenking aangemerkt. De legitimaire massa wordt dan niet met 10 verhoogd, maar met de volle waarde, te weten 20, ervan uitgaande dat de waarde van het aandeel na de schenking gelijk in waarde is gebleven. De waardesprong van ‘bloot’ naar ‘vol’ wordt niet genegeerd voor de berekening van de omvang van de legitimaire massa. Ook de ‘niet-ten volle schenking’ kan aldus vergeleken worden met een legaat en wordt per saldo voor de legitieme als zodanig behandeld, ter voorkoming van benadeling van legitimarissen. De techniek is echter anders dan bij een quasi-legaat. Voor de vermindering heeft het erfrecht voor de ‘niet-ten volle schenking’ niets bijzonders geregeld. Schuldeisers moeten het hier hebben van de algemene regels van het privaatrecht.