Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.4.2.1.2
7.4.2.1.2 Toelichting
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971928:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 9 juni 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI), r.o. 4.4.2 onder (iv)), waarin de Hoge Raad overweegt dat “iedere vennootschap binnen de grenzen van de wet vrij is haar (vennootschappelijke) organisatie naar eigen inzicht in te richten”.
Het is verleidelijk om onder een besloten vennootschap te verstaan een BV en onder een open vennootschap een NV. Toch moet mijns inziens de gekozen rechtsvorm los worden gezien van de open of besloten aard van het daarin ondergebrachte samenwerkingsverband. Lange tijd was een wezenlijk onderscheid tussen de BV en de NV de verplichte blokkeringsregeling voor de BV. Met de invoering van de Wet Flex-BV is deze verplichting echter komen te vervallen, waarmee de mogelijkheid werd gecreëerd voor een open BV. De gekozen rechtsvorm hoeft dus niet doorslaggevend te zijn voor het besloten karakter van de vennootschap. Daarnaast wijs ik op de reikwijdte van de geschillenregeling. De wetgever heeft beoogd de geschillenregeling uitsluitend toe te passen op besloten verhoudingen. Op grond van artikel 2:335 BW blijkt hiermee te zijn bedoeld de BV (lid 1) en de NV met uitsluitend aandelen op naam, een blokkeringsregeling en zonder met medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten (lid 2). Ook hier wijs ik echter op de mogelijkheid van een open BV. Bovendien kunnen de aandelen in het kapitaal van zowel de NV als de BV in een giraal systeem worden ingebracht, in welk geval een statutaire blokkeringsregeling er niet aan in de weg staat dat de gegiraliseerde aandelen vrij kunnen worden overgedragen binnen dat girale systeem.
Zie met name Löwensteyn 1970, p. 11 e.v.; Schwarz (diss.) 1986, p. 71 e.v.; Raaijmakers 1991, p. 205 e.v.; Verdam (diss.) 1995, p. 85-86; en Wolf (diss.) 2013, p. 162 e.v.
Vgl. Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII 2022, nr. 29: “De eis van affectio societatis betekent niet dat de partijen allen evenveel moeten inbrengen, of dat de rechtspositie van de een niet anders mag zijn dan die van de ander, maar de positie van allen moet van dezelfde natuur zijn, zij moeten in wezen gelijkberechtigd zijn.”
Zie Van der Korst (diss.) 2007, p. 165-166; en Van der Korst 2022, p. 1083.
Ter illustratie wijs ik op de eerder besproken Brouwer Bloembollen-zaak (zie par. 5.2.4.3 hiervoor). Hoewel dit niet expliciet blijkt uit de beschikking, heb ik de indruk dat ook de feitelijke verknochtheid van de uittredende broer met het familiebedrijf een rol heeft gespeeld bij de belangenafweging van de Ondernemingskamer (zie de passages uit het onderzoeksrapport kenbaar uit ARO 2017/152, r.o. 3.2). Zo waren beide broers opgegroeid in het familiebedrijf en zagen zij het als hun taak om deze – als derde generatie – voort te zetten. Verschillende van hun gezinsleden (echtgenotes, kinderen) waren betrokken bij de onderneming. De broers woonden aan of op een steenworp afstand van de bedrijfslocatie. Ook financieel waren zij met de vennootschap verweven, bijvoorbeeld doordat bepaalde zakelijke kosten in de rekening-courantverhouding tussen de vennootschap en hun persoonlijke holdings werden geboekt. De beoogde ontvlechting van hun samenwerkingsverband was daarmee aanzienlijk complexer dan een sec juridische benadering zou doen vermoeden.
Löwensteyn 1970, p. 11.
Vgl. Raaijmakers 1991, p. 206.
Zie HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. J.M.M. Maeijer (Zwagerman), r.o. 3.4: “De uitwerking van de zorgvuldigheidsplicht zal mede afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval, waarbij zoals de Ondernemingskamer heeft gedaan, in aanmerking mag worden genomen dat het gaat (…) om familierechtelijke verhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokken personen.”
Conclusie van P-G Mok bij HR 1 maart 2002, NJ 2002/296 m.nt. J.M.M. Maeijer (Zwagerman), onder 3.2.5.2.
Vgl. Tervoort 2017, p. 6, waarin dit onderlinge vertrouwen als een van de kenmerkende factoren van familievennootschap wordt genoemd.
Vgl. voorts Hof Amsterdam (OK) 10 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1284 (Intrimentum), r.o. 3.13, waarin het ging om ex-echtgenoten.
Voor de goede orde: ik meen dat het enkele bestaan van een familieband onvoldoende is om een doorlopend informatierecht aan te nemen. De rechtspraak kan nog wel eens anders impliceren, zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 14 juli 2023, ARO 2023/107 (Landgoed den Alderinck II), r.o. 3.12: “Met name in een familievennootschap zoals Den Alerdinck II is het van belang dat de betrokken certificaathouders als zodanig ruimhartig op de hoogte worden gehouden van het reilen en zeilen van de onderneming.” De familieband verlaagt de drempel voor toegang tot informatie en rechtvaardigt ruimere toegang tot informatie, maar laat onverlet de hoedanigheid van kapitaalverschaffer en de daaraan verbonden beperkingen. Hier staat tegenover dat familieleden in familiebedrijven veelal nauwer zullen zijn betrokken, in welke gevallen zij dus ook een grote(re) rol en positie binnen de vennootschap zullen vervullen (zie ook gezichtspunt 2, waarover par. 7.4.2.2 hierna). Het voorgaande brengt mee dat in familievennootschappen veelal eerder een doorlopend informatierecht zal worden aangenomen dan in zuiver zakelijke verhoudingen.
Zie par. 3.4 hiervoor.
Zie par. 5.4 hiervoor.
Voor de toepassing van dit gezichtspunt zal steeds moeten worden vastgesteld in hoeverre de vennootschap een besloten karakter heeft. Het begrip ‘beslotenheid’ wordt niet in de wet gedefinieerd. Een binair criterium – oftewel: de vennootschap is besloten of niet – komt bovendien onvoldoende tegemoet aan de vrijheid die partijen hebben bij de inrichting van hun samenwerkingsverband en de daaruit voortvloeiende verscheidenheid aan verschijningsvormen.1 De gekozen rechtsvorm is daarbij niet van doorslaggevend belang.2 Ik meen dat een meer genuanceerde benadering – een glijdende schaal – beter recht doet aan die verscheidenheid.
Verschillende auteurs hebben het begrip ‘beslotenheid’ nader geduid, waarbij zij kozen voor een materiële invulling die de nodige ruimte laat voor nuance.3 Ik ontleen daaraan in ieder geval twee centrale elementen die duiden op een besloten verhouding:
Affectio societatis: De samenwerking is gebaseerd op een gedeelde wil om een gemeenschappelijk doel te bereiken. Tussen de betrokkenen is het uitgangspunt gelijkwaardigheid, in die zin dat hun posities van dezelfde natuur zijn.4
Intuitu personae: De samenwerking wordt aangegaan met het oog op de persoonlijke hoedanigheden van de betrokkenen. Dit persoonsgebonden karakter wordt breed uitgelegd. Relevant kunnen onder meer zijn de persoonlijke en professionele bekwaamheden van de betrokkenen, hun inbreng en betrokkenheid bij5 of verknochtheid aan6 de onderneming, hun onderlinge verhoudingen en hun (financiële) betrouwbaarheid. Zoals ik hierna zal toelichten, geldt dit in versterkte mate in familievennootschappen.
Een open samenwerkingsverband wordt gekenmerkt door het ontbreken van deze kenmerken. De aandeelhouders, de vennootschap en de overige institutioneel betrokkenen staan dan op meer afstand van elkaar. Aansprekend vind ik de typering van Löwensteyn:
“De vennoot vervult [in open vennootschappen – toev. PH] uitsluitend de rol van anoniem kapitaalverschaffer. Zijn ‘medevennoten’ kent hij niet, hun persoonlijke hoedanigheden interesseren hem niet, zijn belangstelling geldt hoogstens de personen die aan de activiteiten van de vennootschap leiding geven en meestal alleen de reeds gevestigde reputatie van de vennootschap als bron van revenuen. Zijn hoedanigheid van ‘vennoot’ kan worden overgedragen door middel van een verhandelbaar stuk. Die hoedanigheid is voor hem een vermogensbestanddeel zonder meer. Van een persoonlijke band, die de naam ‘intuitus personae’ verdient, is hier geen sprake.”7
‘Beslotenheid’ is een breed en genuanceerd begrip. Als gevolg van deze genuanceerde benadering zijn gradaties van beslotenheid en openheid te onderscheiden. Daarbij moet worden bedacht dat de aard van een vennootschap door de tijd kan wijzigen, bijvoorbeeld doordat een joint venture naar de beurs wordt gebracht, een start-up in financieringsrondes externe investeerders weet aan te trekken die toetreden tot haar kapitaal of een beursvennootschap na een openbaar bod door een strategische partij onderdeel wordt van het concern van de bieder.8
Een constante factor waaraan bijzonder gewicht wordt gehecht zijn familieverhoudingen tussen de bij de vennootschap betrokken personen. In Zwagerman heeft de Hoge Raad bevestigd dat dergelijke verhoudingen van belang zijn bij de inkleuring van artikel 2:8 BW.9 In zijn conclusie verwoordde P-G Mok dit als volgt:
“Bij de toepassing van de redelijkheid en billijkheid is ook de aard (open of besloten) van de rechtspersoon van belang. De norm komt (…) bij een (kleine) familievennootschap, waarbij de ‘lijnen kort zijn’, anders tot concretisering dan bij een grote vennootschap waarbij nauwelijks meer dan een formele band bestaat tussen de verschillende betrokkenen.”10
Ook in beschikkingen als Butôt, Brouwer Bloembollen, Veldman Beheer, APM, Landgoed den Alderinck II en Steenfabriek hebben de familieverhoudingen een belangrijke rol gespeeld bij het toekennen van een informatierecht aan de betrokken kapitaalverschaffers. Niet alleen zijn familieverhoudingen bij uitstek intuitu personae, ook worden zij (mede) gekenmerkt door een groter onderling vertrouwen dan bij een zuiver zakelijke relatie.11 Familieleden zijn bovendien meer dan zakenpartners tot elkaar veroordeeld: zelfs al wordt de zakelijke relatie verbroken, dan nog blijft de familieverhouding in stand.12 Dit alles rechtvaardigt een ruime toegang tot informatie in hun hoedanigheid als kapitaalverschaffer.13
Wat betekent het voorgaande? In een meer besloten samenwerkingsverband met meer betrokken aandeelhouders zullen deze aandeelhouders veelal beter op de hoogte zijn – althans: dienen te zijn – van wat er speelt binnen de vennootschap. De belangrijkere rol en positie van deze aandeelhouders binnen de vennootschap zal veelal meebrengen dat zij over meer onderwerpen een informed judgment dienen te (kunnen) vormen. Dit kan een beperktere informatieverstrekking in (met name) de voorfase van de besluitvorming rechtvaardigen.14 In plaats daarvan zal meer nadruk liggen op informele(re) informatieverstrekking buiten vergadering; die drempel zal daardoor veelal lager uitvallen.15 Ook zal de vertrouwensband tussen partijen meebrengen dat er minder snel sprake zal zijn van een zwaarwichtig belang dat zich verzet tegen informatieverstrekking ter vergadering of daarbuiten.