Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.F
F. CONCLUSIE
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS471304:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
De belastingdienst heeft toegestaan dat herwaardering mogelijk is bij gronden die zijn ingebracht in een herverkaveling en die aan diezelfde partij worden toegedeeld. Deze situatie zal zich bij kavelruil niet voordoen: partijen plegen alleen in te brengen de gronden die ze ook afstaan. Zie in dit verband tevens D.W. Bruil, A. Verduijn, ‘Herverkaveling en kavelruil: katalysatoren voor de inrichting van het landelijk gebied’, p. 63-64.
Of, om het in een breder perspectief te plaatsen, na een afschaffing van de overdrachtsbelasting als geheel. Zie in dit kader o.a. W.J.M. Vennix, ‘De toekomst van de overdrachtsbelasting’, in: WFR 1995/ 6158, alsmede H. Vording, ‘Is er nog toekomst voor de overdrachtsbelasting’, in: Tribuut 2007/03.
De vergelijking van de ‘kavelruilvrijstelling’ met een aantal andere agro-fiscale vrijstellingen in de overdrachtsbelastingsfeer heeft een gemêleerd en weids beeld opgeleverd: begrippen als ‘landerijen’, de naburigheids- en bezitseis, de verbetering van de landbouwstructuur, ‘bedrijfsmatige exploitatie’ en ‘volgtermijn’ passeerden de revue. Nadere bestudering van deze begrippen en voorwaarden leverden mooie ‘doorkijkjes’ richting onderdeel l op. Gezien deze bonte schakering aan termen en eisen is de eenvoud en welhaast onbeperkte inzetbaarheid van onderdeel l een verademing, maar zeker ook opvallend te noemen. De vraag of enige clausulering binnen de contouren van onderdeel l noodzakelijk is, kwam daarbij dikwijls aan de orde. De introductie van een soort volgtermijn lijkt daarbij de meest voor de hand liggende optie, waarbij wellicht op enige wijze kan worden aangeknoopt bij de (lessen en ervaringen uit) de bezitseis uit de Natuurschoonwet 1928.
Een belangrijke, zo niet de belangrijkste les van deze fiscale vergelijking is mijns inziens dat fiscale grensverkenning voor de kavelruil-reiziger niet mogelijk is zonder een op voldoende kennis gestoelde fiscale ‘ontdekkingstocht’ langs de historische en meer recente ontwikkelingen van de verschillende vrijstellingen. Door de rechtshistorie en -ontwikkeling op deze wijze te bezien en te vergelijken, ontstaat een patroon waaruit enkele gemene delers kunnen worden geconstateerd. Deze lessen zijn echter, zo is gebleken, niet eenvoudig toepasbaar op de kavelruil in fiscalibus, vanwege de eigen, afwijkende fiscale koers van de kavelruil sinds de introductie van de WILG. De kavelruil is, door zijn bredere toepassingsmogelijkheden, aanmerkelijk ‘uit de pas gaan lopen’ met de overige vergelijkbare vrijstellingen uit de WBR, die alle geheel of nagenoeg geheel agrarisch van aard zijn (gebleven). De grensverleggende kracht van de kavelruil om ‘over zijn agrarische schaduw heen te kunnen stappen’ is op fiscaal gebied een kleine aderlating gebleken, aangezien de synchronisatie met de overige vrijstellingen en het aldus soepel kunnen overstappen van de ene op de andere vrijstelling, minder gemakkelijk is geworden. De vraag is echter of dit nadeel opweegt tegen de toegenomen multifunctionaliteit van de kavelruil, die het instrument toekomstbestendig(er) maken. Ik ben van mening dat dit niet het geval is: behoud van de kavelruil voor de toekomst dient te allen tijde topprioriteit te hebben. Dat daarvoor, ook in fiscaal opzicht, het verder verlaten van de agrarische ‘roots’ nodig is, dient voor lief te worden genomen. De kavelruil krijgt, zowel in civilibus als in fiscalibus, steeds meer een eigen, brancheonafhankelijk gezicht. Dit lijkt mij een juiste overlevingsstrategie. Dat er desondanks de nodige vraagtekens kunnen worden gezet bij de gemaakte (politieke) keuzes op fiscaal gebied, moge inmiddels duidelijk zijn.
Ik heb deze fiscale vergelijkingsexercitie, zoals gezegd, bewust beperkt tot de overdrachtsbelasting. Andere interessante problematiek, zoals de verhouding tussen herverkaveling, kavelruil, de herwaardering van gronden en de landbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting, laat ik, omwille van het bestek van mijn onderzoek, buiten beschouwing.1
Tot zover de fiscale ontdekkingstocht. Zoals reeds aangekondigd aan het begin van deze reis, zijn de parallellen met de civielrechtelijke wereld alomtegenwoordig. Civiel en fiscaal vormen de pijlers onder de hedendaagse kavelruil, waarbij de fiscale component stilaan een ondergeschikte positie heeft ingenomen: de civielrechtelijke constructie en toelaatbaarheid van de kavelruil is immers allesbepalend. Toch vormt de fiscaliteit een zeer belangrijk ingrediënt in het gerecht kavelruil. Het belang van de fiscale faciliteit is, door de bijna onbeperkte fiscale mogelijkheden sinds de komst van het WILG-regime en de gelijktijdige afkalving van het belang en de omvang van de provinciale subsidie, enkel toegenomen. De (terechte) vraag die opkomt is of de kavelruil kan overleven zonder enige fiscale facilitering. Met andere woorden: wat is de toegevoegde waarde van de kavelruil na een eventuele afschaffing van de vrijstelling van onderdeel l?2 Mijns inziens is ook in een dergelijke (hypothetische) situatie binnen het rechtsverkeer nog steeds een rol weggelegd voor de kavelruil: met de snelheid en vrijwilligheid als fundamenten kan de kavelruil zeer zeker, ook zonder fiscale facilitering, blijven voorzien in een behoefte. De civielrechtelijke grensverkenning heeft immers geleerd dat de kavelruil diverse bijzonderheden op civielrechtelijk gebied kent (zoals de zakelijke werking van de ingeschreven kavelruilovereenkomst en de regeling omtrent onbevoegdheid), die een brede toepasbaarheid, ook na het eventueel schrappen van de fiscale vrijstelling, verzekeren. Wel is in een dergelijke situatie de financiële ‘incentive’ om tot kavelruil over te gaan nagenoeg geheel verdwenen. De subsidie vormt dan nog de enige nog overgebleven prikkel op financieel gebied. Wellicht zal, wanneer civiel recht, fiscaal recht en subsidie als communicerende vaten van de kavelruil kunnen worden gezien, het verdwijnen van de fiscale faciliteit automatisch een grotere rol voor de subsidie met zich brengen: wanneer overheid en deelnemende partijen, door het wegvallen van de ‘hoofdprijs’, minder ‘op de automatische piloot’ naar de kavelruil zullen grijpen en de tijd nemen om de potentie en de grenzen van het instrument volledig te gaan doorgronden, kan dat leiden tot minder scepsis en voorzichtigheid op subsidievlak, hetgeen wellicht zou kunnen leiden tot een meer ruimhartige en minder geclausuleerde ondersteuning op dit terrein. De angst voor misbruik in fiscalibus is dan immers niet meer aanwezig.
Ik laat het in dit kader bij vorenstaande voorzichtige hersenspinsels en besluit met de constatering dat de kavelruil in theorie zou kunnen voortbestaan na een eventuele schrapping van de fiscale faciliteit, maar dat dit in de praktijk geenszins een gewenste situatie is: de fiscale vrijstelling maakt, vanaf het eerste uur, een rotsvast en integraal onderdeel van de ‘succesformule’ kavelruil uit. Behoud van deze vrijstelling, waarbij uiteraard gediscussieerd kan worden over de omvang en inkleding daarvan, dient derhalve te allen tijde bepleit te worden.
De opzet van het reisschema en de volgorde van de bezochte plaatsen (eerst een bezoek aan de historische fundamenten, vervolgens een civielrechtelijke route die via enkele deelgebieden naar de fiscale bestemmingen in deze grenspost leidde) is in dit licht bezien de enig juiste: zonder civielrechtelijke en rechtshistorische voorkennis kan het fiscale landschap door de reiziger niet volledig op waarde worden geschat. Bovendien is het fiscale traject ‘de onderliggende partij’, in die zin dat de fiscus zich dient te voegen naar de civielrechtelijke beoordeling van de kavelruil. Civielrechtelijke grenzen betekenen derhalve ook dat de fiscale grenzen in beginsel bereikt zijn. De fiscus heeft enkel nog de ‘noodrem’ die fraus legis heet om in uitzonderingsgevallen een halt te kunnen toeroepen aan frauduleuze inzet van de kavelruil.
Met de afsluiting van het fiscale traject is de Nederlandse regeling van de kavelruil uitputtend behandeld. De reiziger wacht nu nog een laatste serie krachtsinspanningen. Onder aanvoering van uw gids zullen wij onze reis thans buiten het Nederlandse territorium voortzetten. De reis zal vanaf heden een internationaal karakter krijgen. Ook het karakter van de reiziger wordt daarbij meermaals op de proef gesteld: bij een bezoek aan de internationale verwanten van de kavelruil onderscheidt de ware reiziger zich van de dagjesmens. Het vermogen tot rechtsvergelijking zal diverse malen worden aangesproken. De route leidt ons via Duitsland naar België. De Duitse ‘Grenzübergangsstelle’ is reeds in zicht. Houd derhalve uw paspoorten gereed: “Wir fahren zuerst in die Heimat”.