Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.4.3.3
I.4.3.3 Onafhankelijkheid van de rechter
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Alkema noemt onafhankelijkheid (en onpartijdigheid) het wezenskenmerk van de rechterlijke macht, E.A. Alkema, 'De rechterlijke macht — enige opmerkingen vooraf', in: J.P. Loof (red.), Onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De randvoorwaarden voor het bestuur en beheer van de rechterlijke macht', Leiden: Stichting NJCM-Boekerij 36 1999, p. 3.
Zie ook: Van der Pot/Donner waarin ook wordt aangegeven dat rechterlijke onafhankelijkheid desondanks als een kemwaarde van de rechtsstaat wordt gezien, Van der Pot/Donner 2006, p. 603.
Het betreft enkele rechtspositionele waarborgen. Over het onderscheid tussen verschillende vormen van onafhankelijkheid kom ik hierna nog te spreken. Deze grondwettelijke waarborgen gelden overigens alleen voor de rechterlijke macht. Daarvan maken de hoogste bestuursrechters, met uitzondering van de belastingkamer van de HR, geen onderdeel uit.
Cliteur merkt nog op dat de rechter ook onafhankelijk van de rechterlijke macht, dat wil zeggen van andere rechters en het OM, behoort te functioneren, P.B. Cliteur, `De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht: acht vormen', in: J.P. Loof (red.), Onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De randvoorwaarden voor het bestuur en beheer van de rechterlijke macht', Leiden: Stichting NJCM-Boekerij 36 1999, p. 13 en 15-20. Hoe ver deze onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters reikt, is echter niet geheel duidelijk. De rechter houdt immers rekening met uitspraken van andere rechters, er is overleg tussen verschillende rechterlijke instanties e.d.
Bovend'Eert 2008, p. 17; M. Kuijer, The blindfold of Lady Justice. Judicial independence and impartiality in light of the requirements of article 6 ECHR, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2004, p. 203-210; L.F.M. Verhey, `De onafhankelijkheid van de rechter naar Nederlands recht', Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 20; Widdershoven 1989, p. 21-22; Brenninkmeijer 1987, p. 8-12.
Brenninkmeijer 1987, p. 14.
Zie hierover: L.F.M. Verhey, `De toekomst van de Raad van State: het einde van de Procola-kramp?, in: A.W. Heringa, A.M.L. Jansen, E. van der Linden en L.F.M. Verhey, Het bestuursrecht beschermd (liber amicorum F.A.M. Stroink), Den Haag: Sdu 2006, p. 17 e.v.; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting, Den Haag: Bju 2004, p. 53-56; A.J. Bok, 'Het EHRM-arrest Kleyn e.a.: Raad van State grotendeels gesauveerd, maar nog niet uit de gevarenzone', Gst. (2003) 7186, p. 296-300; Th.G. Drupsteen, `De Raad van State na Kleyn and others versus the Netherlands, NTB 2003/10, p. 317-323; A.A. Lawson, 'Procola in de polder. Een kleyne uitspraak over grote vragen', NJB 2003, p. 1114 e.v.; P. van Dijk, Artikel 6 EVRM en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Lezing ter gelegenheid van de 19e verjaardag van het SIM op 26 oktober 2000, Utrecht: SIM 2001; N.S.J. Koeman, `De gevolgen van de Procola-uitspraak voor Nederland', NTB 1996, p. 197 e.v.
EHRM 28 september 1995, Procola t. Zwitserland, AB 1995/588 m.nt. ICvdV.
EHRM 6 mei 2003, Kleyn e.a. t. Nederland, AB 2003/211, m.nt. L.V en BdeW; JB 2003/119 m.nt. AWH; EHRC 2003/54 m.nt. J.H. Gerards.
Zie voor het wetsvoorstel en toelichting: Kamerstukken II, 2005/06, 30 585, nr. 1 e.v.
Wet van 22 april 2010, Stb. 2010, 175; Besluit van 8 juni 2010 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 22 april 2010 tot wijziging van de Wet op de Raad van State in verband met de herstructurering van de Raad van State (Stb.175), Stb. 2010, 236.
Zij kunnen lid blijven van beide Afdelingen, zie hierover: A.J. Bok, `De Raad van State gereorganiseerd, NJB 2007, p. 266 e.v.; T. Barkhuysen, 'Het vereiste van rechterlijke onpartijdigheid en de voorgestelde nieuwe Wet op de Raad van State: mag het een onsje meer zijn?, Regelmaat 2007/3, p. 119 e.v. Zie ook de noten bij EHRM 9 november 2006, Sacilor-Lormines t. Frankrijk, AB 2007/281 m.nt. De Waard; EHRC 2007/15 m.nt. Verhey.
F.J.F.M. Duynstee, 'Rechterlijke onafhankelijkheid', in: G.C.J.J. van den Bergh e.a. (red.), Rechtspleging. Opstellen rond het thema rechterlijke organisatie, Deventer: Kluwer 1974, p. 43-54. De indeling is afkomstig van Duynstee en gangbaar in de doctrine, zie: Bovend'Eert 2008, p. 18; Kuijer 2004, p. 207-209; Verhey 2001, ..20-21; Stroink 1999, p. 8-9; Stroink 1993, p. 13-14; Brenninkmeijer 1987, p. 18 e.v.
Bovend'Eert 2008, p. 21; Verhey 2001, p. 21.
Kuijer 2004, p. 207. Zie ook: Stroink 1999, p. 9.
Barkhuysen, Van Emmerik & Gerards 2009, p. 19; Bovend'Eert 2008, p. 23.
Kuijer 2004, p. 207-208.
Zie bijvoorbeeld Stroink 1999, p. 9 en Verhey 2001, p. 22, die deze mening zijn toegedaan. Volgens Kuijer brengt feitelijke afhankelijkheid echter de onafhankelijkheid van de rechter in gevaar zodra de externe druk een structureel en systematisch karakter heeft, Kuijer 2004, p. 208.
Kuijer 2004, p. 208. Ook in die zin: Duynstee 1974, p. 43. Geheel onomstreden is ook deze interne onafhankelijkheid niet zoals Kuijer zelf aangeeft. Zie ook: Verhey 2001, p. 21; Stroink 1999, p. 8 en 9 en Stroink 1993, p. 13. Zoals aangegeven, zie noot 143, is nog niet geheel duidelijk in hoeverre onafhankelijkheid ten opzichte van andere rechters geldt.
Kuijer 2004, p. 207.
Bovend'Eert 2008, p. 21; Kortmann 2008, p. 364; Kuijer 2004, p. 207-208; Stroink 2004a, p. 67; Verhey 2001, p. 20-22; Stroink 1999, p. 8; Stroink 1993, p. 13; Brenninkmeijer 1987, p. 33; Duynstee 1974, p. 43.
Kuijer 2004, p. 209; Verhey 2001, p. 21.
Stroink 1999, p. 9; Stroink 1993, p. 13; Brenninkmeijer 1987, p. 18 e.v.
Zie hierover: Kuijer 2004, p. 216 en 300.
Zie bijvoorbeeld: EHRM 22 oktober 1984, Sramek t. Oostenrijk, nr. 8790/79, par. 42; EHRM 16 juli 1971, Ringeisen t. Oostenrijk, nr. 2614/65, par. 95. Zie hierover ook: Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 613.
Zo ook: Bovend'Eert 2008, p. 17; Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 613; Stroink 1999, p. 8-9; Stroink 1993,p. 4.
Bovend'Eert 2008, p. 21-22; Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 613; Stroink 1999, p. 9-10 en 20-21; De Werd 1999, p. 37; P.B. Cliteur, `De onafhankelijkheid van de rechterlijke macht: acht vormen', in: J.P. Loof (red.), Onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De randvoorwaarden voor het bestuur en beheer van de rechterlijke macht, Leiden: Stichting NJCM-Boekerij 36 1999, p. 9.
Van Dijk geeft aan dat indien er een formele of feitelijke band bestaat met een overheidsorgaan dat tevens deelnemer is in de procedure, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid samenvallen, Van Dijk 1983, p. 1214.
Van Dijk 1997, p. 1214; Widdershoven 1989, p. 125.
De Werd 1999, p. 32.
De Waard 1987, p. 111 en 330-339. De Waard meent dat een beslissing van een rechterlijke instantie behoorlijk kan zijn, ook al is de onafhankelijkheidseis niet in acht genomen, p. 330.
De Waard 1987, p. 111
Widdershoven 1989, p. 125.
Brenninkmeijer 1987, p. 23.
Het begrip onpartijdigheid komt in de volgende paragraaf nader aan de orde.
De Waard 1987, p. 331. Vgl. ook: Van Dijk 1997, p. 1214.
Vgl. De Waard 1987, p. 33. Stroink meent dat indien er iets schort aan de onafhankelijkheid, er per definitie ook iets schort aan de structurele of objectieve onpartijdigheid. Stroink 1999, p. 19.
Hierop wordt in de volgende paragraaf nog nader ingegaan.
Bijvoorbeeld: EHRM 28 juni 1984, Campbell en Fell t. Verenigd Koninkrijk, nrs. 7819/77, 7878/77, par. 78. Zie verder hierover: Van Dijk & Van Hoof e.a. 2006, p. 613-614; Heringa in: J.H. Gerards, A.W. Heringa, H.L. Janssen en J. van der Velde, EVRM Rechtspraak en Commentaar, katem. Art. 6 Eerlijk proces, Haag: Sdu 1-12004, par. 3.6.5, p. 2-6; Widdershoven 125-126.
Campbell and Fell, par. 80; EHRM 29 april 1988, Belilos t. Zwitserland, nr. 10328/83, par. 66; EHRM 23 juni 1981, Le Compte, Van Leuven en De Meyere t. België, NJ 1982/602, par. 57.
Tot de rechterlijke macht behoren de kantongerechten, rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad volgens art. 2 RO. Op de CRvB en CBb is ingevolge art. 4 Beroepswet en art. 5 WBBO de Wet op de rechtspositie rechterlijke ambtenaren deels van toepassing, waaronder art. la lid 1 waarin is geregeld dat benoeming voor het leven geschiedt. De vice-president en de staatsraden van de Raad van State worden eveneens voor het leven benoemd op grond van art. 74 lid 2 GW en art. 3, 3a WRvS. Voor staatsraden in buitengewone dienst gelden deze bepalingen eveneens, krachtens art. 4 WRvS.
Campbell en Fell, par. 79; Belilos, par. 66.
Heringa 2004, p. 3.
Zie Kuijer met verwijzingen naar jurisprudentie, Kuijer 2004, p. 216-231 en 301.
Op de CRvB en CBb zijn ingevolge art. 4 Beroepswet en art. 5 WBBO is de Wet op de rechtspositie rechterlijke ambtenaren grotendeels van toepassing, waaronder art. la lid 1 waarin is geregeld dat benoeming bij koninklijk besluit plaatsvindt. De leden van de Raad van State worden op grond van art. 74 lid 2 GW en art. 3 WRvS eveneens bij koninklijk besluit benoemd. Dat geldt, zoals aangegeven, ook voor staatsraden in buitengewone dienst op grond van art. 4 jo. 3 WRvS.
Campbell en Fell, par. 80.
Zie art. 117 lid 3 GW.
Op de CRvB en CBb zijn ingevolge art. 4 Beroepswet en art. 5 WBBO is de Wet op de rechtspositie rechterlijke ambtenaren grotendeels van toepassing, waaronder art. 46h-46n waarin deze kwesties geregeld zijn. Hetzelfde geldt voor de leden van de Raad van State op grond van art. 74 lid 3 en 4 GW en art. 3a WRvS. Voor staatsraden in buitengewone dienst is dat weer vastgelegd in art. 3a jo. 4 WRvS.
Campbell en Fell, par. 78 en 81; Belilos, par. 67.
Kuijer 2004, p. 290.
Heringa 2004, p. 6; Stroink 1999, p. 19-20; De Werd 1999, p. 37.
Kuijer 2004, p. 289.
Plaats en betekenis van de onafhankelijkheid van de rechter
Hoewel onafhankelijkheid in dit onderzoek een element van het begrip rechtspraak vormt — en niet zozeer een beginsel van behoorlijke rechtspleging of behoorlijkheidsnorm waaraan rechtspraak moet voldoen — worden de onafhankelijkheidseisen toch op deze plaats (naast of tussen de behoorlijkheidsbeginselen) behandeld. Reden daarvoor is dat het, zoals eerder aangegeven, voor de toetsing van een procedure aan deze eisen niet terzake doet of dat uit hoofde van toetsing aan het begrip rechtspraak of uit hoofde van toetsing aan het toepasselijke behoorlijkheidskader geschiedt. Er dient toetsing plaats te vinden en de oordelende instantie moet aan de onafhankelijkheidseisen voldoen. Daar komt bij dat onafhankelijkheid van de rechter, zoals hierna nog zal blijken, ook een voorwaarde voor onpartijdigheid van de rechter — dat wel een beginsel van behoorlijke rechtspeging vormt — is. In het belang van de overzichtelijkheid worden de onafhankelijkheidseisen te midden van de overige behoorlijkheidseisen behandeld.
Vaststaat in elk geval dat het vereiste van onafhankelijkheid onlosmakelijk verbonden is met rechtspraak.1 Desondanks is een expliciete verwijzing naar de (vereiste) onafhankelijkheid van de rechter in de Grondwet niet te vinden.2 De Grondwet bevat uitsluitend enkele garanties die de onafhankelijkheid beogen te waarborgen in artikel 117.3 Het is echter een gegeven dat de rechter of rechtspraak onafhankelijk van de wetgever en het bestuur behoort te functioneren.4 Reeds geruime tijd wordt vanuit het beginsel van machtenscheiding en de rechtsstaatgedachte alsmede onder invloed van artikel 6 EVRM aan rechterlijke instanties de eis van onafhankelijkheid gesteld.5 In het bestuursrecht krijgt deze eis nog meer betekenis, omdat de overheid in de meeste gevallen partij is in het geschil dat de bestuursrechter moet beslechten. Zoals Brenninkmeijer opmerkt, staat de onafhankelijkheid van de rechter in het bestuursrecht met name voor de onafhankelijkheid ten opzichte van het bestuur.6 De afgelopen jaren is er veel te doen geweest over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de hoogste algemene bestuursrechter, de Afdeling.7De problematiek vloeit voort uit het feit dat sommige staatsraden zowel bij de wetgevingsadvisering over een wetsvoorstel betrokken kunnen zijn als bij de beslechting van geschillen op grond van dezelfde wet. Die combinatie van functies werd door het EHRM in de zaak Procola ongeoorloofd geacht.8 Gebleken is echter uit de uitspraak Kleyn e.a. dat de situatie bij de Nederlandse Raad van State niet per definitie in strijd is met artikel 6 EVRM.9 Op 1 september 2010 is de wet tot herstructurering van de Raad van State10, waaruit volgt dat de Raad van State in twee afdelingen wordt opgedeeld, in werking getreden.11 Er komt een Afdeling advisering naast de Afdeling bestuursrechtspraak. Er bestaat echter, indien het wetsvoorstel kracht van wet krijgt, nog steeds een (theoretische) mogelijkheid dat bepaalde staatsraden betrokken zijn bij zowel wetgevingsadvisering als bestuursrechtspraak.12 Dat lijkt echter vooral vanuit het oogpunt van de vereiste onpartijdigheid problematisch te zijn en niet zozeer vanuit de vereiste onafhankelijkheid.
Onafhankelijkheid in verschillende opzichten
Onafhankelijkheid dient te bestaan in verschillende opzichten. In het algemeen wordt er een onderscheid gemaakt tussen functionele of zakelijke onafhankelijkheid en persoonlijke of rechtspositionele onafhankelijkheid.13 Onder functionele onafhankelijkheid wordt dan in het bijzonder onafhankelijkheid in de uitoefening van de rechterlijke werkzaamheid ten opzichte van de beide andere staatsmachten verstaan, hetgeen betekent dat de andere staatsmachten zich verre van de rechterlijke oordeelsvorming moeten houden.14 Dit aspect van functionele onafhankelijkheid wordt ook wel constitutionele onafhankelijkheid genoemd en valt terug te voeren op de theorie van de machtenscheiding.15 Daarmee hangt samen de sub judice-regel, waaruit volgt dat leden van de Tweede Kamer of ministers geen kritiek mogen geven op een zaak die onder de rechter is.16 Kuijer geeft verder aan dat soms onder functionele onafhankelijkheid ook feitelijke onafhankelijkheid wordt begrepen: onafhankelijke oordeelsvorming zonder druk van andere (externe, buiten de overheid liggende) actoren, zoals belangengroeperingen of de publieke opinie.17 Hij wijst er echter ook op dat deze feitelijke onafhankelijkheid niet geheel onomstreden is en door sommigen onder de onpartijdigheidseisen gebracht wordt.18 Kuijer schaart verder onder deze feitelijke onafhankelijkheid de interne onafhankelijkheid van de rechter, dat wil zeggen vrijwaring van druk binnen de rechterlijke macht of rechterlijke organisatie door bijvoorbeeld hierarchische relaties, doelmatigheid van de organisatie, interne richtlijnen of professionele ambities.19 In zijn optiek betekent onafhankelijkheid in enge zin onafhankelijkheid van de andere staatsmachten (zoals het begrip traditioneel wordt uitgelegd), terwijl het in ruime zin (zoals het tegenwoordig ook wel wordt opgevat) betekent dat de rechter zijn beslissing kan nemen gebaseerd op zijn eigen 'free conscience' onafhankelijk van druk van welke autoriteit dan ook, zoals andere staatsorganen (waaronder rechters), partijen en belangengroeperingen.20 De functionele onafhankelijkheid vereist in elk geval dat de uitoefening van de rechterlijke functie gevrijwaard blijft van invloeden of aanwijzingen van andere (overheids)organen waardoor een zelfstandige oordeelsvorming door de rechter gewaarborgd is.21
De eisen in het kader van de rechtspositionele of persoonlijke onafhankelijkheid van rechterlijke instanties hebben niet zozeer betrekking op de rechterlijke werkzaamheid, maar op de rechtspositie van de rechter en de vraag of er voldoende waarborgen bestaan ter bescherming ervan.22 Het betreft eisen inzake de benoeming, de benoemingstermijn en ontslag.23 Deze waarborgen beogen de onafhankelijkheid van de rechter te bevorderen.
De onafhankelijkheid van rechterlijke instanties vormt, gelet op het bovenstaande, een waarborg tegen te vergaande inmenging in de rechterlijke taakuitoefening van in het bijzonder de beide andere staatsmachten, wetgever en bestuur. Daarnaast is volgens sommigen een waarborg tegen inmenging van andere externe en interne actoren. Ook het vereiste van een onafhankelijk gerecht, neergelegd in artikel 6 EVRM, omvat onafhankelijkheid in de hiervoor bedoelde betekenissen.24 Het EHRM overweegt echter daarnaast in zijn uitspraken tevens dat onafhankelijkheid wil zeggen onafhankelijkheid van de bij de procedure betrokken partijen.25 Primair zou ik het vereiste van onafhankelijkheid willen reserveren voor de verhouding van de rechterlijke instantie tot de andere staatsmachten (of andere overheidsorganen) en het vereiste van onpartijdigheid voor de verhouding (of zo men wil de onafhankelijkheid) van de rechterlijke instantie tot partijen in de concrete procedure (of andere actoren zoals belangengroeperingen of de publieke opinie) en het concrete geschil.26 Het voorgaande maakt echter wel duidelijk dat onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet altijd duidelijk te scheiden (en soms te onderscheiden) zijn — het EHRM maakt in elk geval ook niet altijd een scherp onderscheid.27 Bovendien kunnen onpartijdigheid en onafhankelijkheid opgevat in genoemde zin door elkaar lopen, indien een overheidsorgaan of overheidsfunctionaris partij is bij een procedure.28
Secundair: onafhankelijkheid als waarborg voor onpartijdigheid
In dat kader zijn we aanbeland bij de secundaire betekenis of functie van onafhankelijkheid (naast de primaire betekenis in het kader van de scheiding der machten). De onafhankelijkheid van het beslissende orgaan heeft namelijk een functie ten dienste van de onpartijdigheid van het beslissende orgaan. Onafhankelijkheid vormt een waarborg voor onpartijdigheid.29 Hoewel hierover overeenstemming bestaat in de doctrine, verschillen de meningen over de vraag of dat de enige en/of primaire functie is van de onafhankelijkheidseisen alsmede over het onderscheidend vermogen van de onafhankelijkheidseisen ten opzichte van de onpartijdigheidseisen. De Werd stelt hieromtrent:
”Rechterlijke onpartijdigheid staat tot rechterlijke onafhankelijkheid in een doel/middelen-verhouding. De staatsrechtelijke onafhankelijkheid van de rechterlijke macht schept de voorwaarden waarbinnen de onpartijdige rechterlijke mentaliteit tot haar recht kan komen."30
Ook De Waard meent dat de onafhankelijkheidseis een voorwaardescheppende factor is en een species vormt van onpartijdigheid.31 Om die reden moet deze eis als inrichtingseis worden beschouwd en niet als beginsel van behoorlijke rechtspraak.32 Voor zover de onafhankelijkheidseisen ten dienste staan aan de onpartijdigheid van het geschilbeslechtende orgaan, hebben zij wellicht niet of nauwelijks onderscheidend vermogen ten opzichte van die eisen. Zij staan echter niet uitsluitend ten dienste van de onpartijdigheid, zoals uit het bovenstaande blijkt. Bovendien is dat ook niet de enige of primaire functie die onafhankelijkheid heeft. De eis komt ook een zelfstandige functie toe in het kader van de scheiding der machten en heeft een rechtsstatelijke betekenis.33 Zoals Widdershoven opmerkt, kan het onafhankelijkheidsbeginsel worden opgevat als één van de garanties voor onpartijdigheid, maar vereist het beginsel allerlei organisatorische waarborgen die niet in direct verband staan met onpartijdigheid (zoals bij voorkeur benoeming voor het leven, rechtsmachttoedeling bij wet).34 Illustratief in dat kader is ook hetgeen Brenninkmeijer stelt omtrent de onverenigbaarheid van het rechterlijke ambt met de vervulling van verschillende andere functies in de samenleving. In zijn optiek kunnen incompatibiliteiten tweeërlei achtergrond hebben: de machtenscheiding (denk aan onverenigbaarheid van het ambt van minister of kamerlid met dat van rechter) en het vergroten van de onpartijdigheid (afhankelijk van de plaats van het gerecht in het maatschappelijk leven wordt bepaald welke functies voor leden van dat gerecht onverenigbaar zijn). 35 Er kan derhalve een duidelijk onderscheid tussen deze twee functies van de onafhankelijkheidseisen gemaakt worden. Onpartijdigheid heeft primair betrekking op de verhouding tussen rechter en partijen of procesdeelnemers (hetgeen in het bestuursrecht ook uiteraard de uitvoerend macht kan zijn) en de houding van de rechter jegens de specifieke zaak die ter beoordeling voorligt.36 Onafhankelijkheid ziet niet op die verhouding (tot het concrete geval en de betrokken partijen), maar kan wel een inrichtingseis zijn die onpartijdigheid in die verhouding bevordert. Onafhankelijkheid ten opzichte van partijen en andere actoren levert meer distantie op bij de beoordeling en op die manier een zo objectieve mogelijke beslissing. De omstandigheid dat voldaan is aan de onafhankelijkheidseisen betekent echter niet automatisch dat ook de vereiste onpartijdigheid in acht is genomen. Onafhankelijkheid vormt, zoals De Waard stelt, een van de geobjectiveerde criteria voor het ontbreken van schijn van partijdigheid, maar zeker niet het enige criterium.37Andersom hoeft gebrek aan onafhankelijkheid ook niet per definitie te betekenen dat er sprake is van (de schijn van) partijdigheid. Al zal vaak om die reden geoordeeld kunnen worden dat een burger objectief gerechtvaardigde twijfels heeft omtrent de onpartijdigheid van het orgaan; de structurele of objectieve onpartijdigheid van het orgaan is dan in het geding.38
Deze secundaire functie van onafhankelijkheid, als waarborg voor onpartijdigheid, kan wellicht nog van betekenis zijn voor procedures die niet bij een rechterlijke instantie gevoerd worden, zoals de bestuurlijke voorprocedures. Te denken valt bijvoorbeeld aan advisering door de bezwaarschriftcormnissie of andere deskundigen. De mate waarin onafhankelijkheid als eis een zekere betekenis heeft of kan hebben in de bestuurlijke voorprocedures komt echter nog nader aan bod in Deel II, paragraaf 5.4.
Samenhang met het onpartijdigheidsbeginsel en de andere beginselen
Uit het bovenstaande is reeds gebleken dat de onafhankelijkheidseisen een belangrijke functie hebben in het licht van de triasgedachte. De rechter dient onafhankelijk ten opzichte van bestuur en wetgever recht te spreken. Met deze functie van de onafhankelijkheid van de rechter hangt ook voor een belangrijk deel het vertrouwen van partijen en het publiek in de rechter of rechtspraak samen. Onafhankelijkheid dient derhalve ook dit algemene belang en, zoals hiervoor aangegeven, in mijn optiek primair dit belang. De secundaire betekenis van de onafhankelijkheidseisen, namelijk als waarborg voor onpartijdigheid, dient meer de belangen van partijen bij de procedure en de rechtsbescherming van die partijen. Dat is ook de voornaamste ratio van de onpartijdigheidseisen (hoewel toegegeven moet worden dat ook hiervan, vooral in combinatie met het vereiste van een openbare behandeling van de zaak, het vertrouwen van het publiek in de rechter afhankelijk is).39 De samenhang van de onafhankelijkheidseisen met andere beginselen van behoorlijke rechtspleging is minder duidelijk aanwezig. Wellicht hangt dat ook samen met de omstandigheid dat de onafhankelijkheidseisen, in vergelijking tot de meeste andere beginselen, nadrukkelijker (of primair) in het perspectief van de trias politica geplaatst moeten worden.
Criteria en eisen om de onafhankelijkheid te waarborgen
De eisen die gelden om onafhankelijkheid te waarborgen worden doorgaans, vooral op grond van de jurisprudentie van het EHRM, in verschillende categorieën, ondergebracht: benoemingstermijn, wijze van benoeming, garanties tegen invloed of druk van buitenaf en schijn van afhankelijkheid.40 Het betreft waarborgen ten dienste aan zowel de persoonlijke als functionele onafhankelijkheid. Deze eisen worden hieronder kort toegelicht.
de benoemingstermijn: hoe langer de benoemingstermijn, hoe meer de onafhankelijkheid daarmee gewaarborgd wordt. Bij voorkeur dienen rechterlijke instanties voor het leven benoemd te worden. Op grond van de jurisprudentie van het EHRM in het kader van artikel 6 EVRM is dit echter niet noodzakelijk. Het EHRM neemt genoegen met relatief korte termijnen; termijnen van drie jaar, vier jaar en zes jaar zijn termijnen die het Hof gebillijkt heeft.41 De eisen die het EHRM stelt in dit kader zijn derhalve niet erg stringent. In Nederland worden de leden van de rechterlijke macht voor het leven benoemd op grond van artikel 117, eerste lid, Grondwet. Voor bestuursrechterlijke instanties die niet tot de rechterlijke macht behoren geldt deze bepaling niet, maar geldt wél dat de leden ervan voor het leven worden benoemd. 42
de wijze van benoeming: bij voorkeur zou benoeming van de rechter niet plaats moeten vinden door de uitvoerende macht, maar het is geoorloofd in de ogen van het EHRM als zulks het geval is.43 Wel geldt dat er in dat geval andere factoren moeten zijn die de onafhankelijkheid voldoende waarborgen.44 Ook inzake dit criterium zijn de eisen derhalve niet erg streng.45 In Nederland wordt de rechterlijke macht bij koninklijk besluit door de regering benoemd, volgens eerder genoemd artikel 117, eerste lid, Grondwet. Voor de overige bestuursrechters geldt dat benoeming eveneens plaatsvindt bij koninklijk besluit.46
garanties tegen invloed of druk van buitenaf deze garanties betreffen onder meer de aanwezigheid van ontslagbescherming voor rechters. Als die formele (wettelijke) bescherming tegen ontslag ontbreekt, kan volgens het EHRM de omstandigheid dat er de facto sprake is van ontslagbescherming, door bijvoorbeeld een praktijk dat rechters niet ontslagen worden, ook voldoen.47 In Nederland is in artikel 117, tweede lid en derde lid, van de Grondwet neergelegd in welke gevallen leden van de rechterlijke macht ontslagen kunnen worden: vanwege het bereiken van een bij de wet te bepalen leeftijd (thans 70 jaar 48), op eigen verzoek of vanwege andere redenen bij de wet bepaald. Bovendien geldt dat, indien het gaat om ontslag (of schorsing) wegens andere redenen dan leeftijd of eigen verzoek, uitsluitend een gerecht behorend tot de rechterlijke macht daartoe kan overgaan.49Dezelfde regeling geldt voor de overige bestuursrechters.50
schijn van afhankelijkheid of de indruk naar buiten: met deze eis wordt bedoeld dat de indruk naar buiten (oftewel de `appearances') niet zodanig mag zijn dat er bij de burger objectief gerechtvaardigde twijfel kan ontstaan over de onafhankelijkheid.51 Het enkele feit dat de burger twijfels heeft — en dat is een subjectief gevoelen — is echter niet voldoende.52 Deze eis ligt in de jurisprudentie van het Hof dicht tegen de objectieve onpartijdigheidtoets aan (zoals ook in de volgende paragraaf zal blijken).53 Kuijer meent dat dit criterium eigenlijk niet te beschouwen is als een afzonderlijk criterium, omdat het een rol speelt bij alle voorgaande criteria. Bij al deze criteria kan immers schijn van afhankelijkheid bestaan.54