Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/9.2.2
9.2.2 Waar "law matters" toe leidt:• drie opvattingen
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580258:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In die zin: Easterbroolc/Fischel (1991), p. 212-218, waarover Coffee (1999), p. 646-650. Als aanhanger van deze visie geldt daarnaast Romano, vgl Romano (1998). Daarin noemt zij competitie niet alleen als de drijvende kracht noemt voor de totstandkoming van het meest efficiënte vennootschapsrecht, maar tevens stelt zij teven voor op het terrein van het effectenrecht een grotere rol aan competitie, met name tussen staten, toe te kennen. Ook door politici wordt gewezen op het corporate govemance systeem als concurrentiefactor voor vennootschappen, hierover Hijink (2005a), p. 285.
Hansmann/Kraakman (2001), vgl. in het bijzonder p. 449 e.v. Zie over het betoog van Hansmann en Kraakman onder meer J.W. Winter (2000), p. 6-16 en — zeer kritisch Timmerman (2004b), p. 5-7.
In Hansmann (2006) heeft Hansmann opnieuw zijn licht laten schijnen over het betoog van hem en Kraakman. Hij merkt daarin op dat hoewel hun betoog enigszins provocerend was en er goede redenen waren om aan te nemen dat het (naar hun mening superieur blijkende) standaardmodel zal leiden tot het meest efficiënte systeem van corporate govemance, zij deze claim toch slechts 'voorzichtig' hadden opgenomen (vgl. Kraakman (2006), p. 747). Hansmann zwakt deze claim in 2006, als ik het goed zie, bovendien nog verder af (op p. 747-748), door erop te wijzen dat cultureel verschillende opvattingen kunnen bestaan over de invulling van 'efficiënt'.
Vgl. G. Raaijmakers (2009), p. 430-431.
De meest uitgesproken aanhanger hiervan is Roe. Zij bijvb. Roe (1996), Bebchulc/Roe (1999), Roe (2000) en Roe (2002). De theorie van 'path dependency' wordt door Coffee een politieke theorie genoemd, zie Coffee (1999), p. 644.
Vgl. Roe (1996), in het bijzonder p. 644 e.v en Bebchulc/Roe (1999). Hierover J.W. Winter (2000), p. 10-11, Cheffms (2002), p. 158-166 en Cheffin (2003), p. 5-6.
Vgl. Bebchulc/Roe (1999), p. 166 e.v. De waarde van de 'path dependency'-theorie is daarnaast, zoals Winter terecht opmerkt, dat het laat zien dat de aard en ontwikkeling van corporate govemance systemen van uiteenlopende factoren afhankelijk is (en daardoor beïnvloed wordt). Zie J.W. Winter (2000), p. 12.
Vgl. Coffee (1999), p. 647 e.v. Zie verder ShleiferNishny (1997), p. 738. Een uitvoerige beschrijving van de stand van zaken over het denken over de 'law matters' these, geeft Pacces (2008), p. 217 e.v. Zie ook zijn verfijningen van, en aanvullingen op, de 'law matters' these, met name over 'private benefits of control', op p. 273 e.v.
Een aantal auteurs meent dat competitie tussen verschillende corporate governance systemen uiteindelijk zal leiden tot het meest efficiënt vormgegeven corporate governance systeem.1 Een door sommige aanhangers van deze, opvatting genomen vervolgstap is het doen van uitspraken over welk corporate governance systeem als meest efficiënt moet worden gezien. Het bekendste voorbeeld hiervan is het betoog van Hansmann en Kraakman in 2001 over "the end of history for corporate law". Daarin voorspellen zij dat het op aandeelhouders georiënteerde model van corporate govemance — door hen ook wel het standaardmodel genoemd — uiteindelijk superieur zal blijken te zijn, onder meer als gevolg van competitie.2 Nadat deze claim in eerste instantie door één van deze auteurs al enigszins werd afgezwakt3, wordt mede naar aanleiding van crisis die op de financiële markten vanaf medio 2008 tot uitbarsting kwam, inmiddels openlijk in twijfel getrokken of die claim wel houdbaar is.4
De tegenhanger van de visie dat als gevolg van competitie één — het meest efficiënte — systeem van corporate govemance zal ontstaan, is de zogenoemde "path dependency"-theorie.5 Centraal staat daarin de aanname dat de ontwikkeling van een corporate govemance systeem niet rechtlijnig behoeft plaats te vinden — en in het verleden ook niet heeft plaatsgevonden. Politieke en culturele invloeden zijn daarentegen bepalend voor de initiële uitgangspositie van de inrichting van een corporate govemance systeem van vennootschappen en de latere ontwikkeling daarvan.6 Hoewel globalisering en efficiëntieoverwegingen een belangrijke rol (zullen) spelen bij de ontwikkeling van corporate govemance systemen zullen, als gevolg van die politieke en culturele invloeden, ook in de toekomst belangrijke verschillen tussen corporate govemance systemen en spreiding van aandelenbezit (kunnen) blijven bestaan, zo menen de aanhangers van deze theorie.7
Tussen de op economische efficiëntie en competitie gebaseerde opvatting enerzijds en de op "path dependency" gebaseerde opvatting anderzijds neemt de "law matters" these een middenpositie in. Weliswaar is het uitgangspunt in de "law matters" these dat competitie tussen uiteenlopende systemen van corporate governance waarschijnlijk de belangrijkste drijvende kracht is voor de ontwikkeling van die systemen. Maar andere factoren zullen eveneens (mede)bepalend zijn voor de wijze waarop corporate governance systemen vormgegeven zijn.8 De bepalende factor is daarbij, zoals hierboven is beschreven, de mate van bescherming die het recht biedt aan (nieuwe) investeerders.