Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.1.5.3:18.3.1.5.3 Inlichtingenvordering met een gemengd heffings- en strafvorderlijk belang
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.1.5.3
18.3.1.5.3 Inlichtingenvordering met een gemengd heffings- en strafvorderlijk belang
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498249:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 12 juli 2013,BNB 2014/101 (m.nt. Van Eijsden); NJ 2013, 435 (m.nt. Zwemmer).
EHRM 9 juli 2015, nr. 784/14 (Van Weerelt t. Nederland) (ontv.besl.), V-N 2015/38.5.
Zie § 10.4.3.2.2 en § 17.6.2.4 e.v. hiervoor.
HR 22 november 1994, NJ 1995, 240 (m.nt. Schalken).
HR 22 februari 2005, NTFR 2005/351 (m.aant. Thomas). Zie eerder HR 30 maart 2004, NJ 2004, 521.
Het leveren van bewijs is eenvoudig(er) bij vragen betreffende de verwijtbaarheid van de betrokkene aan het fiscaal delict.
Zie § 11.3.3 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 14.6.5.1 merkte ik op dat moet worden aangenomen dat de strafkamer van de HR toelaatbaar acht dat controleambtenaren zonder opsporingstaak mede voor opsporingsdoeleinden inlichtingen en gegevens van de verdachte vorderen. Wanneer er een redelijk vermoeden van een fiscaal delict bestaat, dan komt de verdachte naar mijn oordeel een beroep op het strafrechtelijk zwijgrecht toe voor vragen over diens betrokkenheid bij dat delict. Althans, zolang niet duidelijk is of de bewijsuitsluitingsregel van de belastingkamer van de HR voor verklaringen ex art. 47, lid 1 AWR met een gemengd heffings- en boetebelang (zie § 17.3.1.3 hiervoor) ook geldt voor vragen met een gemengd heffings- en strafvorderlijk belang. Wel kan worden gewezen op (de gebruiksrestrictie uit) het arrest van de HR van 12 juli 2013, nr. 12/018801, en de daaropvolgende zaak Van Weerelt2, in zoverre dat daaruit kort gezegd kan worden afgeleid, dat wat de een afdwingt (= controleambtenaren zonder opsporingstaak), de ander niet mag gebruiken voor een sanctie (= vervolgende instantie).3
Stelplicht en bewijslast verdachte betreffende oogmerk vragen
De vraag is of de verdachte die zich tegenover de inspecteur beroept op art. 29 Sv om reden dat die inlichtingen vordert uitsluitend of mede met het oog op de betrokkenheid bij een (vermoed) fiscaal delict, in staat is dat te bewijzen. Vgl. het arrest van de strafkamer van de HR van 22 november 1994, nr. 97 777, waarin zij oordeelt dat een inlichtingenvordering van de inspecteur op grond van art. 47, lid 1, onder a AWR niet binnen het toepassingsbereik van art. 29 Sv valt, tenzij de verdachte kan bewijzen dat op het moment dat die inlichtingenvordering (of de uitnodiging tot het doen van aangifte) werd gedaan, al een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestond.4 Zie ook het arrest van de strafkamer van de HR van 22 februari 2005, nr. 01417/04. Daarin stelde de verdachte zich op het standpunt dat sprake was van een overgang van fiscaal controleonderzoek naar strafrechtelijk onderzoek. Volgens de strafkamer is dit standpunt onjuist en was tot aan de beslissing van het OM om strafrechtelijk te vervolgen, enkel sprake van een op art. 47 e.v. AWR geënt controleonderzoek.5
Deze arresten illustreren dat het voor verdachten in de praktijk lastig zal zijn om te bewijzen dat een inlichtingenvordering op grond van art. 47, lid 1, onder a AWR uitsluitend of mede is gericht op de strafrechtelijke verdenking tegen hem. Al was het maar omdat veel vragen een heffingsbelang hebben.6 Bewijsproblemen leiden ertoe dat de betekenis van het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv voor inlichtingenvorderingen van fiscaal controleambtenaren zonder opsporingsbevoegdheid, waarschijnlijk gering is. Ik teken hierbij aan dat uit Straatsburgs perspectief de vraag of de verdachte kan bewijzen dat toezichtsbevoegdheden uitsluitend voor strafvorderlijke doeleinden worden uitgeoefend, niet hoeft te worden beantwoord, in zoverre dat voor de toepassing van het EVRM-zwijgrecht weliswaar sprake moet zijn van een strafcontext waarin de medewerking wordt gevorderd, maar dat het oogmerk waarmee de verklaring wordt gevorderd geen zelfstandig belang heeft. Het Hof stelt de feitelijke relatie tussen de verklaring en de strafaanklacht voorop en neemt al snel aan dat sprake is van dezelfde feiten (‘same facts’). Dat geldt vooral wanneer de verdachte (met een rechtstreeks beroep op het EVRM-zwijgrecht) weigert te verklaren.7 Dit impliceert een lichtere bewijslast dan volgt uit voormelde rechtspraak betreffende het strafvorderlijk zwijgrecht van art. 29 Sv.