Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.1:7.1 Inleiding
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.1
7.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661275:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het probleem waarover dit onderzoek gaat, is dat voorlichting van de Belastingdienst bij burgers verwachtingen kan wekken, terwijl zij daaraan in beginsel geen in rechte te beschermen vertrouwen kunnen ontlenen. Dit probleem doet zich met name voor als de burger vertrouwen ontleent aan voorlichting, maar de inspecteur bij het opleggen van de aanslag (een andere uitleg van) de wet toepast en dat resulteert in een hogere aanslag dan de burger op grond van de voorlichting had verwacht. De huidige terughoudende koers bij toepassing van het vertrouwensbeginsel is juridisch bezien niet houdbaar (Deel I). Het veroorzaakt bovendien een conflict tussen het juridisch perspectief en het burgerperspectief (Deel II). Er is dus een koerswijziging nodig. De argumentatie uit de voorafgaande hoofdstukken was, samengevat: (i) de hoofdregel ‘nee, tenzij’ is onjuist in het licht van het juridische kader bij de voorlichtende taak, (ii) de kwalificatie als ‘slechts’ voorlichting is niet adequaat, en (iii) er is bij de uitvoering van de voorlichtende taak van de Belastingdienst een gebrek aan evenwicht tussen rechtsbescherming en rechtshandhaving. Het conflict tussen het juridisch perspectief en het burgerperspectief wordt verklaard door het feit dat (voor de burger) voorlichting nu eenmaal een vorm van communicatie is, en dat heeft – zo leert de taal- en communicatiewetenschap – bepaalde consequenties die op dit moment niet in het juridisch perspectief meegenomen worden, terwijl dat wel – althans méér dan nu – mogelijk is (hoofdstuk 6).
In dit hoofdstuk verschuift de focus naar de verbetering van het geldende recht. Hoe ziet een ‘betere’ koers eruit? De deelvraag die wordt behandeld is: Op welke wijze kan de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting van de Belastingdienst aan burgers het beste worden herijkt? Doel van dit hoofdstuk is om het voorstel voor herijking te presenteren, waarbij het juridisch perspectief bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting het burgerperspectief beter in acht neemt. In dit hoofdstuk wordt dus concreet invulling gegeven aan de herijking van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting.
Methodologisch ga ik als volgt te werk. Ik breng in herinnering dat het juridisch perspectief mede het burgerperspectief omvat (paragraaf 2.2.3, 2.2.4) en dat in dit onderzoek een invulling van het burgerperspectief wordt gegeven aan de hand van de taal- en communicatiewetenschap (paragraaf 1.3.2, 1.6.2, 1.7.1, 5.2). In de deelvraag ligt besloten dat het gaat om een juridisch vraagstuk waarop een juridisch antwoord moet worden geformuleerd. Mijn doel is dan ook niet om het juridisch perspectief en de communicatieve benadering te laten samensmelten tot één perspectief. Beter recht betekent niet dat het juridisch perspectief identiek moet worden aan dat van de taal- en communicatiewetenschap. Serieus nemen van het perspectief van de burger betekent evenmin dat de burger altijd gelijk moet krijgen. De invalshoek van het burgerperspectief betekent ook niet dat inzichten uit de taal- en communicatiewetenschap in het belastingrecht ‘het laatste woord’ zouden moeten hebben.1 De taal- en communicatiewetenschap dient in dit onderzoek immers als hulpwetenschap (paragraaf 1.6.2).
De juridische uitdaging is om bij het vertrouwensbeginsel een koers te varen die in overeenstemming is met juridische randvoorwaarden, beter aansluit bij de werkelijkheid en die de burger serieus neemt. Het doel van de herijking is dus niet een versmelting van disciplines, maar een verrijking van de (geïsoleerde) juridische benadering aan de hand van taal- en communicatiewetenschappelijke inzichten. Dat kan bijdragen aan een beter geïnformeerd juridisch perspectief en aan een betere onderbouwing van een juridische oplossing voor het conflict tussen de perspectieven. Het voorstel voor herijking moet – beter dan de huidige koers – zijn afgestemd op de werkelijkheid waarop het recht betrekking heeft en de voorgestelde koers dient het conflict tussen het juridisch perspectief en het burgerperspectief zo veel mogelijk te verhelpen.2
In dit hoofdstuk behandel ik eerst het beoordelingskader dat ik als maatstaf neem voor de herijking (paragraaf 7.2). Vervolgens presenteer ik het voorstel voor herijking ten aanzien van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting, waarvoor de fundamenten in de voorafgaande hoofdstukken zijn gelegd (paragraaf 7.3). Daarna volgt de uitwerking in de vorm van een afwegingskader, dat de hoofdregel ‘nee, tenzij’ moet vervangen (paragraaf 7.4). Vervolgens zal ik het voorstel illustreren door dit afwegingskader toe te passen op de casusposities uit hoofdstuk 6 (paragraaf 7.5). Daarna zal ik analyseren of het voorstel een verbetering vormt ten opzichte van de huidige koers aan hand van de eerder gepresenteerde maatstaf. Tegen mijn voorstel vallen ook bezwaren in te brengen, dus ik zal aan de hand van ‘tegendenken’ tegenargumenten en alternatieven pareren (paragraaf 7.6). Ik rond af met een tussenconclusie (paragraaf 7.7).