Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.2.2:2.2.2 Introductie van klachtdelicten in Nederland
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.2.2
2.2.2 Introductie van klachtdelicten in Nederland
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946150:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de oorspronkelijke Franse wetgevingen van 1791 en 1795 geen klachtdelicten kenden, deden deze toch via Franse wetgeving hun intrede in Nederland. Dit gebeurde via de Code Pénal die op 1 januari 1811 in werking trad en waarin overspel en schaking als klachtdelict zijn aangemerkt. Vanaf het moment dat het koninkrijk Holland werd ingelijfd door het Franse keizerrijk werd dit wetboek, evenals de strafvorderlijke Code d’Instruction Criminelle, in Nederland gehandhaafd. De eerste eigenstandige Nederlandse bijdrage aan klachtdelicten volgt met de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1838, dat de Code d’Instruction Criminelle verving. In dit Wetboek van Strafvordering werd in art. 22 het uitgangspunt neergelegd dat officieren van justitie ambtshalve zijn belast met opsporing en vervolging van misdrijven. Aan dit artikel – waarvan de inhoud aansloot op art. 22 van de Code d’Instruction Criminelle – werd echter een tweede alinea toegevoegd waarin is bepaald dat in zaken van overspel, hoon, laster en schennis van vrijwillige bewaargeving geen nasporing en vervolging plaatsvindt totdat de beledigde partij een klacht heeft ingediend.1 Zodoende werd via binnenlandse strafvorderlijke wetgeving het aantal klachtdelicten in Nederland uitgebreid.2 Het voorgaande leidde tot de curieuze situatie dat het klachtvereiste inzake schaking uitsluitend een strafrechtelijke grondslag kende in de Code Pénal, terwijl het klachtvereiste inzake hoon, laster en schennis van vrijwillige bewaargeving uitsluitend op een strafvorderlijk bepaling was gebaseerd. Alleen overspel was zowel in de Code Pénal als in het Wetboek van Strafvordering als klachtdelict aangemerkt. Deze juridisch-systematisch bezien ongelukkige situatie blijft geruime tijd voortbestaan, ondanks dat in de loop van negentiende eeuw verschillende voorstellen zijn gedaan voor een nieuw Wetboek van Strafrecht. Die ontwerpen leiden echter niet tot wetgeving, vanwege politieke onrust en het uitblijven van consensus over fundamentele onderwerpen zoals de doodstraf, lijfstraffen, de wijze van opsluiting en toerekeningsvatbaarheid.3