EHRM, 27 juni 2017, nummers 65540/16 en 22368/17.
Rb. Amsterdam, 07-08-2018, nr. 13/751486-16
ECLI:NL:RBAMS:2018:6160
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
07-08-2018
- Zaaknummer
13/751486-16
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2018:6160, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 07‑08‑2018; (Rekestprocedure)
ECLI:NL:RBAMS:2018:2757, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 19‑04‑2018; (Tussenuitspraak)
ECLI:NL:RBAMS:2017:1269, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 28‑02‑2017; (Rekestprocedure)
Uitspraak 07‑08‑2018
Inhoudsindicatie
EAB Bulgarije. Het geconstateerde reële gevaar dat de opgeëiste persoon in detentie in Bulgarije onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, is niet weggenomen. Redelijke termijn overschreden. Officier van justitie niet-ontvankelijk
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751486-16
RK nummer: 16/4757
Datum uitspraak: 7 augustus 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 juli 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 oktober 2014 (ontvangen op 30 juni 2016) door de landelijk officier van justitie bij het Landelijk Parket Gorna Oryahovitsa (Bulgarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1966,
wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 augustus 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit specifieke aanvullende informatie te verkrijgen omtrent de detentieomstandigheden en de exacte detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering zou worden geplaatst.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 14 februari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw,mr. E. Kolokatsi, en door een tolk in de Bulgaarse taal. Ter zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd.
Bij tussenuitspraak van 28 februari 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst in afwachting van aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit op grond waarvan een reëel gevaar op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) kan worden uitgesloten. Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank ook beoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat en is de dubbele strafbaarheid getoetst.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2017, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling aangehouden omdat de opgeëiste persoon niet op de juiste wijze was opgeroepen.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 13 februari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. E. Kolokatsi, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
Bij tussenuitspraak van 27 februari 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen aan de Bulgaarse justitiële autoriteiten te stellen over de detentieomstandigheden.
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 5 april 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,
mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw,
mr. E. Kolokatsi, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
Bij tussenuitspraak van 19 april 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend onder gelijktijdige schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd en met handhaving van de eerdere uitstelbeslissing.
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 24 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
Met toestemming van de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing van het onderzoek op 19 april 2018.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraken van 28 februari 2017, 27 februari 2018 en 19 april 2018
Uit de onder punt 1 beschreven procesgang volgt dat tussenuitspraken zijn gedaan op 28 februari 2017, 27 februari 2018 en 19 april 2018. De rechtbank verwijst naar haar overwegingen in die tussenuitspraken ten aanzien van:
- -
de grondslag en inhoud van het EAB;
- -
de strafbaarheid;
- -
de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW;
- -
de detentieomstandigheden, artikel 4 Handvest.
Die overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De tussenuitspraken zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.
4. Detentieomstandigheden, artikel 4 Handvest
4.1
Inleiding
In de tussenuitspraak van 19 april 2018 is geoordeeld dat de verstrekte informatie nog altijd geen aanleiding geeft om af te wijken van het oordeel dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. De op dat moment beschikbare informatie sloot dit gevaar bovendien niet op alle punten uit voor de opgeëiste persoon. Dit heeft er toe geleid dat de rechtbank op 19 april 2018 de volgende vragen heeft geformuleerd:
- 1.
Wat zijn de concrete materiële condities waarin de opgeëiste persoon na overlevering in Lovech Prison terecht komt? Meer in het bijzonder, wordt de opgeëiste persoon in een cel geplaatst die conform de aanbevelingen van het CPT is aangepast?
- 2.
Hoeveel uren per dag zou de opgeëiste persoon aan activiteiten buiten zijn cel kunnen besteden?
- 3.
Hoeveel uren per dag moet hij in ieder geval op cel doorbrengen?
- 4.
Is de Neshkov workinggroup nog actief en zo ja, wat zijn hun bevindingen?
Bij schrijven van 5 juni 2018 heeft de vertegenwoordiger van the District Prosecutor’s Office – Gorna Oryahovitsa nadere informatie aan het Openbaar Ministerie gezonden. Deze informatie luidt, voor zover van belang, als volgt:
(…)
As the number of the persons deprived of liberty is a dynamic magnitude, in event of hazard of overpopulation, as it was already indicated, the provisions of Art. 62, Para. 1, item 5 of the Execution of Penalties and Remand Detention Act are applied, in conformity with which in events of need the Managing Director of the General Directorate Execution of Penalties may move the person deprived of liberty to another place for serving the penalty taking his desire into consideration.
The minimal standards — residential area, fresh air, heating and lighting are provided for in all the premises.
The preliminary indication of the premises, which the person deprived of liberty shall be accommodated in, who is not on the territory of the country yet, and without taking into consideration the specific situation /number, legal status of the persons deprived of liberty in the Prison in Lovech, improved everyday conditions and so on/ at his possible admission may not be specified to the complete degree and it would be discriminatory with regard to the remaining persons deprived of liberty.
In event that depending on his verdict [opgeëiste persoon] is accommodated in a hostel of the open type, he shall stay in premises, the corridors of which are locked up during the night, with alleviated supervision, and shall be able to work outside without security guards.
Premises in the hostels of the open type and the corpus of the prison are locked up during the night.
Beyond the type for stay in the open air, which is minimum one hour per day, the persons deprived of liberty may expend labor efforts with stated desire on their part and possibilities for the purpose, visit a sports club, or get involved in educational, religious and other forms of individual and group corrective activities in conformity with a schedule conformed again to the specific situation in the place for deprivation of liberty.
Finally it is indicated in the letter of the prison administration that legal amendments were undertaken as a result of the activity of the working group Neshkov, input in the Execution of Penalties and Remand Detention Act /EPRDAI and adopted by State Gazette (SG), issue 13 of 07.02.2017
It should be indicated further to the information stated hereinabove provided by the penitentiary administration that the European Court of Human Rights (ECHR) has considered complaints of Bulgarian citizens deprived of liberty lodged after the adoption of the amendments in the Execution of Penalties and Remand Detention Act. In its judgment of 20 July 2017 under the cases Atanasov v. Bulgaria and Apostolov v. Bulgaria, by which it declared the complaints against Bulgaria lodged by the two persons deprived of liberty as inadmissible, the European Court of Human Rights (ECHR) indicated that Bulgaria introduced effectively preventive and compensatory means for protection against poor conditions of detention by the amendments adopted by the National Assembly on 25 January 2017 amendments in the Execution of Penalties and Remand Detention Act (EPRDA), as well as that a number of measures were also undertaken in the last few years for coping with the overpopulation and the poor material conditions, as, for instance the new rules for distribution and transfer of persons deprived of liberty, the repairs in the places for deprivation of liberty and so on.
4.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verstrekte informatie uit Bulgarije nog steeds onvoldoende is. Er zijn vier duidelijke vragen gesteld waarop niet duidelijk is geantwoord. Er wordt zelfs expliciet meegedeeld dat niets gezegd kan worden over de concrete situatie waarin de opgeëiste persoon terecht komt, omdat dit discriminatie zou opleveren ten opzichte van andere gedetineerden. Het geconstateerde gevaar voor een onmenselijke behandeling is niet weggenomen. De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd, mede gelet op de tijd die de overleveringsprocedure al in beslag neemt en gelet op het feit dat het gaat om een relatief geringe straf van 4 maanden. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het onderzoek nogmaals aan te houden totdat de situatie in Bulgarije en meer specifiek in Lovech daadwerkelijk is verbeterd.
4.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank vastgestelde gevaar wordt weggenomen door alle aanvullende informatie zodat de overlevering kan worden toegestaan. De op 19 april 2018 geformuleerde vragen van de rechtbank zijn genoegzaam beantwoord. De officier van justitie heeft er op gewezen dat de Neshkov working group op dit moment niet meer actief is, maar dat deze werkgroep heeft geleid tot wetswijzigingen en verbeteringen in het gevangeniswezen. Bovendien heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken Atanasov en Apostolov tegen Bulgarije1.geoordeeld dat de nieuwe wettelijke regelingen die naar aanleiding van de uitspraak Neshkov en anderen tegen Bulgarije2.zijn doorgevoerd, kunnen worden beschouwd als effective remedy ten aanzien van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden in Bulgarije.
De officier van justitie heeft ter zitting stukken aan het dossier toegevoegd, afkomstig uit een ander Bulgaars overleveringsverzoek; uit een brief van het Ministerie van Justitie, Hoofddirectie tenuitvoerlegging straffen van 20 februari 2018, blijkt onder andere dat in Lovech nieuwe detentiefaciliteiten voor 24 gedetineerden worden gebouwd.
4.4
Oordeel van de rechtbank
Bij het vaststellen van het reële gevaar dat gedetineerden in Bulgarije onmenselijk of vernederend worden behandeld, hebben de slechte materiële condities van verschillende detentiecentra een belangrijke rol gespeeld. Dit kan onder andere worden afgeleid uit de verschillende rapportages van het CPT (Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing) en uit de – hiervoor geciteerde – uitspraak van het EHRM in de zaak Neshkov en anderen tegen Bulgarije. In de tussenuitspraak van 27 februari 2018 overwoog de rechtbank onder andere het volgende:
Uit de door de Bulgaarse autoriteiten verstrekte informatie blijkt dat er kennelijk in ieder geval een begin is gemaakt om de staat van de gevangenis in Lovech te verbeteren (vermeld is immers dat er nieuwe deuren en ramen zijn geplaatst). Dit zou in overeenstemming zijn met de aankondiging van necessary repairs in de (...) Response van de Bulgaarse overheid van 12 november 2015. Onduidelijk is echter, wat de status van deze repairs thans is en onder welke materiële omstandigheden de opgeëiste persoon in Lovech concreet zal komen te verkeren.
In de tussenuitspraak van 19 april 2018 overwoog de rechtbank onder andere het volgende:
De antwoorden van de Bulgaarse justitiële autoriteit met betrekking tot de stand van zaken als het gaat om de (onderhouds)toestand van de gebouwen van Lovech prison houden, kort gezegd, in dat de keukens en een aantal cellen zijn gerenoveerd. Verder zijn er heet water-faciliteiten geïnstalleerd in de penitentiaire inrichting en liggen er nog reparaties in het verschiet als het gaat om de cellen, de gemeenschappelijke ruimtes en de sanitaire voorzieningen.
De vraag wat dit concreet betekent voor de opgeëiste persoon als hij wordt overgeleverd, in het bijzonder of hij in een cel wordt geplaatst die conform de aanbevelingen van het CPT is aangepast, is echter nog niet beantwoord.
Hierop is dan ook de vraag gesteld: wat zijn de concrete materiële condities waarin de opgeëiste persoon na overlevering in Lovech Prison terecht komt?
De rechtbank is van oordeel dat deze belangrijke vraag niet voldoende is beantwoord.
Allereerst is de constatering dat er verbeteringen zijn (en nog worden) doorgevoerd in Lovech Prison hiervoor niet voldoende. Het feit dat er nieuwe detentiefaciliteiten voor 24 gedetineerden zijn gebouwd, zegt voorts niets over de concrete materiële condities waarin de opgeëiste persoon na overlevering terecht zal komen. De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van het CPT van 4 mei 2018, alhoewel dit rapport niet ziet op bezoeken aan Lovech Prison. Daarnaast blijkt uit bewoording van de brief van 5 juni 2018 dat niet zeker is of de opgeëiste persoon daadwerkelijk in Lovech Prison geplaatst zal worden. De rechtbank leidt immers uit de beantwoording af dat de uitvaardigende justitiële autoriteit onderhavige vraag niet concreter wil of kan beantwoorden omdat dit tot discriminatie van andere gedetineerden zou leiden die reeds in Bulgarije aanwezig zijn en ook in afwachting zijn van een plaatsing binnen een penitentiaire inrichting. Nu niet met zekerheid kan worden gesteld dat de opgeëiste persoon terecht zal komen in de Lovech Prison, bestaat de mogelijkheid dat hij terecht zal komen in een andere instelling waarvan niet duidelijk is of deze voldoet aan de norm zoals aanbevolen door het CPT.
De door de officier van justitie aangehaalde rechtspraak van het EHRM (Atanasov en Apostolov tegen Bulgarije) maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De aard van problemen omtrent de concrete materiële condities in detentiecentra, is immers structureel en niet makkelijk reparabel, nu het enige tijd zal vergen om de in de wetgeving doorgevoerde verbeteringen te realiseren. Wanneer een reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling hierop in belangrijke mate is gebaseerd, kunnen de nationale wettelijke regelingen die in voornoemde uitspraken beoordeeld zijn als effective remedy, het reeds geconstateerde gevaar niet direct wegnemen.
Het geconstateerde reële gevaar dat de opgeëiste persoon in detentie in Bulgarije onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, is – reeds hierom – niet weggenomen.
5. De redelijke termijn en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De rechtbank heeft op 28 februari 2017 de beslissing over de overlevering uitgesteld. Inmiddels zijn ruim 17 maanden verstreken en is meermaals – tevergeefs – verzocht om gegevens omtrent de materiële condities waarin de opgeëiste persoon na overlevering in Lovech Prison terecht komt. De rechtbank ziet geen concrete aanleiding te veronderstellen dat dergelijke gegevens in deze zaak alsnog (spoedig) worden verstrekt. In haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) heeft de rechtbank overwogen dat de redelijke termijn waarbinnen het reële gevaar voor de opgeëiste persoon moet worden uitgesloten, niet bedoeld is om de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid te stellen om in de toekomst de detentiecapaciteit uit te breiden en de algemene detentieomstandigheden te verbeteren – hoezeer een dergelijke uitbreiding en verbetering ook wenselijk en geboden is – maar om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen om bij de huidige detentiecapaciteit en onder de huidige algemene detentieomstandigheden aanvullende gegevens te verstrekken op grond waarvan het reële gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De vraag welke termijn als redelijk moet worden beschouwd is niet in het algemeen te beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Het zeer lange tijdsverloop sinds de beslissing tot uitstel, de aard van de feiten, de hoogte van de straf die aan de opgeëiste persoon is opgelegd en het feit dat de rechtbank geen concrete aanleiding heeft te veronderstellen dat in deze zaak alsnog (spoedig) voldoende gegevens worden verstrekt, leiden tot het oordeel dat de redelijke termijn in het onderhavige geval is overschreden en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
6. Beslissingen
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP de – geschorste – overleveringsdetentie.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. M.T.C. de Vries en H.G. van der Wilt rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 7 augustus 2018.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑08‑2018
EHRM, 27 januari 2015, nummers 36925/10, 21487/12, 72893/12, 73196/12, 77718/12 en 9717/13).
Uitspraak 19‑04‑2018
Inhoudsindicatie
Overleveringsverzoek Bulgarije, tussenuitspraak voor het stellen van nadere vragen m.b.t. de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting waarin de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751486-16
RK nummer: 16/4757
Datum uitspraak: 19 april 2018
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 juli 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 oktober 2014 (ontvangen op 30 juni 2016) door de landelijk officier van justitie bij het Landelijk Parket Gorna Oryahovitsa (Bulgarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1966,
wonende op het adres [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
Zitting 25 augustus 2016
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 augustus 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit specifieke aanvullende informatie te verkrijgen omtrent de detentieomstandigheden en de exacte detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering zou worden geplaatst.
Zitting 14 februari 2017
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 14 februari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouwmr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
Ter zitting heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd.
Bij tussenuitspraak van 28 februari 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst in afwachting van aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit op grond waarvan een reëel gevaar op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) kan worden uitgesloten.
Zitting 11 oktober 2017
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2017, in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling aangehouden omdat de opgeëiste persoon niet op de juiste wijze was opgeroepen.
Zitting 13 februari 2018
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 13 februari 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
Bij tussenuitspraak van 27 februari 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om vragen aan de Bulgaarse justitiële autoriteiten te stellen betreffende de detentieomstandigheden.
Zitting 5 april 2018
De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 5 april 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,
mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw,
mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis nr. 687/19.10.2011, in de strafzaak van algemene aard nr. 481/2011 bij Regionale Rechtbank Gorna Oryahovitsa, in kracht gegaan op 4 mei 2012.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 4 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Naar het oordeel van de rechtbank is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij in dit verband heeft overwogen in de tussenuitspraak van 28 februari 2017.
5. Detentieomstandigheden, artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
5.1
Inleiding
In verschillende uitspraken1.heeft de rechtbank op grond van het public statement van 26 maart 2015 van het CPT (Committee for the Prevention of Torture) geconcludeerd dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest.
Onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof van 5 april 2016 inzake Aranyosi en en Căldăraru (C-404/15 en C-659/15) ligt derhalve de vraag voor of op basis van nadere informatie kan worden uitgesloten dat voor de opgeëiste persoon een zodanig reëel gevaar bestaat als hij wordt overgeleverd.
Daarbij gaat de rechtbank er op grond van eerder door de Bulgaarse autoriteiten verstrekte informatie van uit, dat de opgeëiste persoon most likely zal worden geplaatst in de gevangenis van Lovech.
Tussenuitspraak 28 februari 2017
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat op basis van de tot dan toe verstrekte algemene gegevens niet kon worden uitgesloten dat een reëel gevaar als hiervoor bedoeld bestond. Er waren slechts algemene informatie dan wel garanties gegeven dat de detentieomstandigheden in overeenstemming met artikel 3 ERVM dan wel artikel 4 van het Handvest zouden zijn, terwijl de door de Bulgaarse autoriteiten verstrekte gegevens geen enkele informatie bevatten over de omstandigheden in de gevangenis in Lovech.
Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het CPT in het voormelde public statement naar aanleiding van zijn bezoeken aan Bulgarije heeft geconstateerd dat zich ernstige tekortkomingen voordoen in de Bulgaarse detentie-instellingen, dat het laatste bezoek heeft gedemonstreerd dat geen of weinig vooruitgang is geboekt ten aanzien van de door het CPT gedane aanbevelingen, dat de Bulgaarse autoriteiten niet hebben voldaan aan hun herhaalde verzekeringen dat actie zou worden ondernomen en dat in het public statement als nog steeds bestaande tekortkomingen worden opgesomd: physical ill-treatment, inter-prisoner violence, endemic corruption, overcrowding, ever worsening material conditions, no acces to organised out of cell activities, poor accesibility and quality of medical services.
De rechtbank heeft overwogen dat zij tenminste op de door het CPT in het public statement van 26 maart 2015 genoemde punten concrete informatie noodzakelijk acht omtrent de omstandigheden waarin de opgeëiste persoon in Lovech zal verkeren.
Bij brief van 23 augustus 2017 is door Yordan Angelov Prosecutor het volgende meegedeeld:
We requested it (information) from the Ministery of Justice, General Directorate “Execution of Sentences”. In their answer of April 3, 2017, the following is stated:
At present, the number of convicted persons in the prison in Lovech is 647, of which 365 are staying in the main building of the prison, at capacity based on four square meters – 407; in the prison hostel “Poligona” / of open type / - 50, at capacity based on four square meters – 110 and in the prison hostel “Veliko Tarnovo” – 34, at capacity based on four square meters – 103. They are differentially divided into groups.
The sleeping premises are with replaced windows and a private toilet.
The Medical Center of the prison and the Specialized Hospital for Active Treatment of Prisoners provide medical services around the clock.
Prisoners have the right to free food, which chemical and calorie composition is under tables, approved by the Minister of Justice, in coordination with the Minister of health. The daily menu is prepared following a special recipe book.
Bij brief van 20 september 2017 is voorts namens het Ministery of Justice, General Directorate for Execution of Penalties het volgende meegedeeld:
Pursuant to art 43, par, 4 of the Law on Execution of Penalties and Detention, the minimum living space in the sleeping room for each person deprived of liberty can’t be less than 4m2, therefore the personal space is 4 m2, excluding toilet and bathroom.
Even our previous reply contained the information that the premises have new door and window frames and private toilet and bathroom.
The prison of the town of Lovech is heated by a centralized gas supply system.
We confirm that twenty-four-hour medical care is provided for by the Medical Center of the prison and the Specialized Hospital for Active Treatment for People Deprived of Liberty.
(…)
The report of the Committee for the Prevention of Torture from November 12, 2015 doesn’t refer to any evidence for physical abuse in the prison of the town of Lovech, and such cases haven’t been registered there up to the present moment.
Tussenuitspraak 27 februari 2018
De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak geoordeeld dat de beschikbare informatie geen aanleiding geeft om af te wijken van haar oordeel dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. De beschikbare informatie sluit dit gevaar bovendien niet uit voor de opgeëiste persoon.
De rechtbank heeft op basis van de verstrekte informatie aangenomen dat de opgeëiste persoon zal beschikken over 4 m2 aan personal space en dat de feitelijke bezettingsgraad in de gevangenis in Lovech zodanig is dat er geen sprake van overbevolking is.
Omdat het vastgestelde algemene gevaar echter niet alleen gebaseerd is op overbevolking, blijven de overige detentieomstandigheden relevant (vgl. het arrest van de Europese Hof van de Rechten van de Mens van 20 oktober 2016 inzake Muršić/Kroatië (7334/13)). Ten aanzien van die omstandigheden was de rechtbank van oordeel dat de verstrekte informatie nog onvoldoende concreet was.
Om die reden heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak om aanvullende informatie verzocht en daartoe de volgende vragen gesteld:
- -
Welke acties zijn in Lovech Prison ondernomen om fysieke mishandeling en geweld te registeren en te onderzoeken sinds het rapport van het CPT?
- -
Wat is de huidige stand van zaken in Lovech Prison ten aanzien van de aangekondigde necessary repairs zoals genoemd in de Response van 12 november 2015? Wat zijn de concrete materiele condities waarin de opgeëiste persoon terecht komt?
- -
Hoeveel uren per dag zal de opgeëiste persoon in een cel zitten? Wat zijn de georganiseerde activiteiten buiten de cel?
Daarnaast heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“(…) in de Response van de Bulgaarse overheid van 12 november 2015 wordt melding gemaakt (pagina 8, punt 9) van the Neshkov working group, ingesteld door het Bulgaarse ministerie van justitie:
The working group has two main tasks: 1) to elaborate measures to tackle the problems identified in the pilot judgment, and, 2) to propose a system of preventive and compensatory remedies against poor material conditions of detention.
(…)
The group shall announce the results of its work in November 2015.
Voor zover deze werkgroep nog actief is, zijn de bevindingen ervan mogelijk van belang bij de beoordeling van de huidige detentieomstandigheden in Bulgarije en de beantwoording van voornoemde vragen.”
Aanvullende informatie voor de zitting van 5 april 2018
Bij schrijven van 28 maart 2018 heeft de vertegenwoordiger van the District Prosecutor’s Office – Gorna Oryahovitsa informatie, afkomstig van the Ministry of Justice, Chief Directorate ‘Execution of Punishments’ County Jail Lovech (van 22 maart 2018), aan het Openbaar Ministerie gezonden.
Deze informatie luidt, voor zover van belang, als volgt:
“(…)
1. In relation to the Report of the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, concerning the frequent cases of complaints of physical abuse, found during an inspection in places of deprivation of liberty in the Republic of Bulgaria, on the grounds of Art.11, para.3 of the Law on Execution of Penalties and Detention (LEPD), Section 1 of Ordinance No. LS-04-l805 / 17.11.2014 of the Minister of Justice, was issued Ordinance No. LS-04-1416 / 13.10.2015 of the Deputy Minister of Justice on the establishment of a register of traumatic injuries in the places of deprivation of liberty and increasing control in incidents related to the use of physical force.
Pursuant to the aforementioned Ordinance of the Deputy Minister of Justice, from November 2015 in the Country Jail Lovech the cases of traumatic injuries of prisoners and detained in custody are registered and in which physical force or auxiliary funds. The results of the reviews shall be recorded in the general outpatient journals, as at the discretion of the medical specialists, for each case entered in the “Register for traumatic injuries of prisoners and detained in custody”, the respective prosecutor’s office was notified, according to art.205, para.2 of the Criminal Procedure Code. Separately, in case of use of physical force or auxiliary means pursuant to Chapter 9, Section III of the Law on Execution of Penalties and Detention, a medical examination shall be carried out and the respective Prosecutor’s Office informed. In cases where auxiliary means has to be used - handcuffs, prisoners and detained persons shall be placed under constant surveillance and immediately after dropping their need they shall be removed.
1. Cases of traumatic injuries to prisoners can be divided into several ranges. (…) The most numerous cases of traumatic injuries are physical intimidation between the prisoners. (…) in Lovech Country Jail (…), attention is paid to reducing the interceptions between the prisoners. (..) Measures have been taken to increase cooperative activities between security officers and social workers in order to transmit information, direct monitoring of problem persons and solving socio-ethnic contradictions.
2. In 2015, kitchens in the Specialized Hospital for Active Treatment of Prisoners at the prison, in the "Holding" in prison and the prison hostel of closed type - PHCT "Atlant", city of Troyan were completely renovated and equipped. (…)
Currently, some of the cells in the main Corpus in the prison have been renovated, as hot water facilities were placed in the prison corpus. Repairs are still underway in the cells, common areas and sanitary facilities. Regularly, the premises (cells, canteens, bathrooms, toilets, common areas, etc.) where the deprived persons reside are being degraded on schedule. The premises are heated on a daily basis according to the statutory temperature values.
Prisoners have access to healthcare in the country without being discriminated against on the basis of their legal status. Every prisoner and the deprived person is offered an adequate medical examination as soon as possible after imprisonment and such medical care and treatment is provided as necessary. These care and treatment are provided free of charge. Sick prisoners in need of specialized treatment are accommodated in specialized hospitals in prisons or city hospitals. The services of a qualified dentist are also available.
3. (…) Every person deprived of his liberty is being planned for activities depending on his qualities, skills, professional qualifications or the need for continuing education. Cultural and information activities, sports activities and tournaments, participation in artistic activities, competitions on national holidays and celebrations in the country (making paintings and drawings, writing essays, stories, parables, etc.) are mandatory carried out. Prisoners are involved in various interest clubs and organized training courses. The same can work on households, in the workshops on the territory of the prison and in the PHCT "Atlant" - city of Troyan, on external work sites for the prisoners of imprisonment in open type prison hostels, as well as voluntary unpaid labour (…) Upon request, prisoners may attend meetings organized by the Orthodox church or the Evangelical Methodist Church.
How many hours during the day will the prisoners stay in hostels (cells) depends on their individual personal qualities, skills, interests, abilities, labour and social activities, etc.”
5.2
Het standpunt van de verdediging
Door de raadsvrouw is betoogd, zakelijk weergegeven, dat de overlevering moet worden beëindigd omdat op basis van de verstrekte aanvullende informatie nog steeds niet kan worden uitgesloten dat voor de opgeëiste persoon, indien hij wordt overgeleverd aan Bulgarije, een reëel gevaar bestaat dat hij in detentie aan een onmenselijke of vernederende behandeling zal worden onderworpen.
Er is in het antwoord van de Bulgaarse justitiële autoriteiten geen aandacht besteed aan de Neshkov workinggroup. Verder is er een register ingesteld voor het registreren van geweld tussen gedetineerden onderling, maar niet van geweld door anderen dan medegedetineerden. Dergelijk geweld kan wel worden gemeld, maar wordt niet geregistreerd. Er zijn daarnaast geen andere stappen ondernomen dan het instellen van een register.
Over corruptie wordt niets gezegd in de aanvullende informatie. Gelet op de stakingen op 21 en 22 maart 2018 door personeelsleden van Lovech prison - wegens de slechte arbeidsomstandigheden, salaris en de onderbezetting - is er echter wel sprake van omstandigheden waarbinnen corruptie gedijt.
Lovech prison is voorts slechts deels gerenoveerd. Het project is aangevangen, maar nog niet af. Het is niet duidelijk waar de opgeëiste persoon zal terechtkomen in de penitentiarie inrichting. De material conditions zijn kortom aan het verbeteren, maar die verbeteringen zien met name op de gemeenschappelijke gedeeltes van Lovech prison en op een paar cellen.
Er zijn daarnaast allerlei activiteiten buiten de cel mogelijk, maar het is niet duidelijk wat dit concreet voor de opgeëiste persoon inhoudt. Wat kan hij ondernemen en hoeveel uur brengt hij dan buiten zijn cel door.
Er is daarom sprake van een gebrek aan personeel en nog niet is opgehelderd wat concreet de staat van de gebouwen van Lovech prison is. Bovendien is nog steeds niet duidelijk in hoeverre de opgeëiste persoon aan activiteiten kan deelnemen.
Subsidiair verzoekt de raadsvrouw om nadere vragen aan de Bulgaarse justitiële autoriteiten te vragen.
5.3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de aanvullende informatie genoegzaam is en dat de opgeëiste persoon kan worden overgeleverd aan de Bulgaarse justitiële autoriteiten. Er bestaat, in het licht van de aanvullende informatie, geen reëel gevaar dat de opgeëiste persoon na overlevering aan Bulgarije in detentie onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest.
De Bulgaarse justitiële autoriteiten garanderen 4 m² aan celruimte voor de opgeëiste persoon en de overcrowding is geen probleem meer in Lovech prison. De rechtbank heeft niet naar de corruptie waar in het rapport van het CPT over wordt gesproken, gevraagd, maar in andere Bulgaarse overleveringszaken heeft de rechtbank hier wel naar gevraagd en toen is een afdoende antwoord verstrekt.
Er is een register betreffende physical abuse ingesteld en dat ziet op alle geweldsmisdrijven. Het Openbaar Ministerie wordt altijd op de hoogte gesteld van geweldsmisdrijven en indien nodig kunnen artsen het slachtoffer van een geweldsmisdrijf bezoeken. Met betrekking tot geweld door personeelsleden van de penitentiaire inrichting hebben de Bulgaarse justitiële autoriteiten aangegeven dat na het aandoen van boeien altijd wordt gecheckt of er geen letsel is en zo ja, dan wordt daarvan melding bij het Openbaar Ministerie gedaan.
Voorts wordt gesproken over de renovatie van onder andere de keukens en nieuwe heet water-faciliteiten. Verder wordt gesteld dat “Repairs are still underway in the cells, common areas and sanitary facilities”.
Hoe lang de opgeëiste persoon in zijn cel moet verblijven is geen heel belangrijk punt want er is namelijk vier m² personal space gegarandeerd en het is duidelijk dat er voldoende te doen is voor gedetineerden die dat willen.
Ten slotte wordt in de rapportage van het CPT niet gemeld dat er sprake is van onderbezetting bij het personeel van penitentiaire inrichtingen.
Subsidiair wordt verzocht om, indien de rechtbank meent dat de aanvullende informatie onvoldoende is, de zaak nogmaals aan te houden voor het stellen van nadere vragen.
5.4
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank geeft de verstrekte informatie nog immer geen aanleiding om af te wijken van haar eerdere oordeel dat in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. De beschikbare informatie sluit dit gevaar bovendien niet op alle punten uit voor de opgeëiste persoon.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank om nadere, op de concrete situatie van de opgeëiste persoon toegespitste, informatie verzocht ten aanzien van de volgende punten (in relatie tot hetgeen het CPT hierover heeft gezegd):
- 1.
Welke acties in Lovech Prison ondernomen zijn om fysieke mishandeling en geweld te registeren en te onderzoeken;
- 2.
Wat de stand van zaken is in Lovech Prison ten aanzien van de aangekondigde necessary repairs, met name de concrete materiële condities waarin de opgeëiste persoon terecht komt na overlevering;
- 3.
Hoeveel uren per dag de opgeëiste persoon in een cel zal zitten, gelet op de georganiseerde activiteiten buiten de cel;
- 4.
Wat de bevindingen van de Neshkov working group zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank is vraag 1. afdoende beantwoord door de Bulgaarse justitiële autoriteiten. De rechtbank begrijpt dat alle geweldsmisdrijven worden geregistreerd. Uit het antwoord maakt de rechtbank niet op dat de registratie tot geweld tussen gedetineerden onderling is beperkt noch dat geweldshandelingen door personeelsleden hiervan zijn uitgesloten.
Ten aanzien van de overige antwoorden overweegt de rechtbank het volgende.
Concrete materiële condities Lovech prison
De antwoorden van de Bulgaarse justitiële autoriteit met betrekking tot de stand van zaken als het gaat om de (onderhouds)toestand van de gebouwen van Lovech prison houden, kort gezegd, in dat de keukens en een aantal cellen zijn gerenoveerd. Verder zijn er heet water-faciliteiten geïnstalleerd in de penitentiaire inrichting en liggen er nog reparaties in het verschiet als het gaat om de cellen, de gemeenschappelijke ruimtes en de sanitaire voorzieningen.
De vraag wat dit concreet betekent voor de opgeëiste persoon als hij wordt overgeleverd, in het bijzonder of hij in een cel wordt geplaatst die conform de aanbevelingen van het CPT is aangepast, is echter nog niet beantwoord.
Activiteiten waaraan de opgeëiste persoon kan deelnemen, in het bijzonder het aantal uren dat hij op cel doorbrengt
De rechtbank maakt uit de beantwoording van haar vraag op dat de opgeëiste persoon desgewenst aan verschillende activiteiten kan deelnemen, mits deze passen bij onder meer zijn persoonlijke eigenschappen, vaardigheden en interesses. Het is de rechtbank nog niet duidelijk hoeveel uren per dag de opgeëiste persoon aan activiteiten kan besteden en hoeveel uren per dag hij in ieder geval op cel moet doorbrengen.
Neshkov working group
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat, indien deze werkgroep nog actief is,
de bevindingen ervan mogelijk van belang zijn bij de beoordeling van de huidige detentieomstandigheden in Bulgarije en de beantwoording van voornoemde vragen.
Voor alle duidelijkheid zal de rechtbank deze vraag, anders geformuleerd, nogmaals stellen.
De rechtbank zal het onderzoek ter zitting daarom heropenen voor het stellen van de volgende vragen:
- 1.
Wat zijn de concrete materiële condities waarin de opgeëiste persoon na overlevering in Lovech Prison terecht komt? Meer in het bijzonder, wordt de opgeëiste persoon in een cel geplaatst die conform de aanbevelingen van het CPT is aangepast?
- 2.
Hoe veel uren per dag zou de opgeëiste persoon aan activiteiten buiten zijn cel kunnen besteden?
- 3.
Hoe veel uren per dag moet hij in ieder geval op cel doorbrengen?
- 4.
Is de Neshkov workinggroup nog actief en zo ja, wat zijn hun bevindingen?
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende beslissing.
6. Beslissingen
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd
STELT UIT de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Bulgaarse taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,
mrs. W.A.J.P. van den Reek en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 19 april 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑04‑2018
Zie o.a. Rechtbank Amsterdam 28 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1269 en Rechtbank Amsterdam 8 juni 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:441
Uitspraak 28‑02‑2017
Inhoudsindicatie
EAB Bulgarije executie / detentieomstandigheden / uitstelbeslissing
Partij(en)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751486-16
RK nummer: 16/4757
Datum uitspraak: 28 februari 2017
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 juli 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 oktober 2014 (ontvangen op 30 juni 2016) door de landelijk officier van justitie bij het Landelijk Parket Gorna Oryahovitsa (Bulgarije) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeeïste persoon 1]
geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1966,
wonende op het [adres] .
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 25 augustus 2016 en 14 februari 2017. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, en door een tolk in de Bulgaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis nr. 687/19.10.2011, in strafzaak van algemene aard nr. 481/2011 bij Regionale Rechtbank Gorna Oryahovitsa, in kracht gegaan op 4 mei 2012.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog vier maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De verdediging heeft betoogd dat het EAB niet kan strekken tot tenuitvoerlegging, aangezien daartegen een rechtsmiddel zou zijn ingesteld. De rechtbank constateert dat deze stelling niet met stukken is onderbouwd, en ziet geen reden te twijfelen aan de opgave in het EAB dat het vonnis “in kracht” (de rechtbank begrijpt: uitvoerbaar) is, en dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging daarvan. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding voor nadere vragen aan de uitvaardigende autoriteit.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12 sub d OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 2 november 2016 het volgende verklaard:
The Bulgarian authorities give assurances that after his surrender to serve a sentence in the Republic of Bulgaria, the convicted person will be provided with a copy of the judgement and will be explained his right to submit a request to the Supreme Court of Cassation to reopen the criminal case. This right can be exercised within six months of becoming aware of the conviction.
Bij brief van 15 november 2016 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit gewezen op de volgende wettelijke bepaling:
Article 423
(5) Where a request has been made by a convict sentenced in absentia, surrendered by another state to the Republic of Bulgaria, where guarantees have been given for reopening the case without assessing whether the individual had been aware of the criminal prosecution against him/her.
Daarnaast heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende verklaard:
Given the legal provision of paragraph 5 of that Article, Bulgarian authorities can guarantee that so requests by convicted [opgeeïste persoon 1] criminal case against him will be reopened and will hold a new trial, in which he will be able to take part personally.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie aan de eisen van artikel 12 sub d OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing.
4. Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan, in aanmerking genomen hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7460) heeft overwogen.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Diefstal, meermalen gepleegd.
5. Detentieomstandigheden, artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest)
5.1.
Inleiding
Ter zitting van 25 augustus 2016 heeft de rechtbank op grond van het public statement van het CPT (Committee for the Prevention of Torture) van 26 maart 2015 geconcludeerd dat in Bulgarije in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest (Aranyosi en Căldăraru, HvJ EU 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198, punten 88-90).
De rechtbank heeft daarbij de officier van justitie in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot het concrete gevaar voor de opgeëiste persoon voor een onmenselijke of vernederende behandeling in Bulgarije in detentie.
Bij brief van 4 november 2016 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit – kort samengevat – verklaard dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst op een plek die voldoet aan de eisen van artikel 3 EVRM en aan de minimale Europese standaarden. Daarbij heeft zij verwezen naar een bijgevoegde verklaring van het Bulgaarse Ministerie van Justitie (ongedateerd) en twee orders van het Bulgaarse Ministerie van Justitie (van 13 augustus 2015 en 17 augustus 2016). Door de griffier gewaarmerkte afschriften van de verklaringen van de Bulgaarse autoriteiten zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.
Bij brief van 13 februari 2017 hebben de Bulgaarse autoriteiten meegedeeld dat de dichtstbijzijnde gevangenis bij de permante woonplaats van de opgeëiste persoon zich in de stad [plaats gevangenis] bevindt en dat het meest waarschijnlijk is dat hij daar zijn straf zal moeten uitzitten.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de door de Bulgaarse autoriteiten verstrekte gegevens onvoldoende zijn om in het geval van de opgeëiste persoon het vermoeden van onmenselijke of vernederende behandeling te weerleggen. De Bulgaarse autoriteiten hebben slechts in zijn algemeenheid gesteld dat zij er zorg voor zullen dragen dat alle overgeleverde personen zullen worden geplaatst in detentiefaciliteiten die voldoen aan de eisen van artikel 3 EVRM en de minimaal in acht te nemen Europese regelgeving met betrekking tot de leefomstandigheden en behandeling van gevangenen. Over de gevangenis in [plaats gevangenis] , is onvoldoende bekend om te kunnen beoordelen of deze aan de gestelde normen voldoet. In de zaak Halil Adem Hasan v. Bulgaria (uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 10 maart 2015, C- 4374/05) wordt geklaagd over deze gevangenis. De verdediging verzoekt daarom om de overlevering te weigeren, dan wel nadere informatie op te vragen over deze gevangenis.
5.3.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2017 in de zaak [naam] (ECLI:NL:RBAMS:2017:588, niet gepubliceerd) op het standpunt gesteld dat de door de Bulgaarse autoriteiten verstrekte informatie voldoende is om in het geval van de opgeëiste persoon het vermoeden van onmenselijke of vernederende behandeling te weerleggen. De rechtbank heeft in de genoemde uitspraak geoordeeld dat de door de Bulgaarse autoriteiten verstrekte garantie daartoe voldoende is en het betrof dezelfde garantie die in de onderhavige zaak is gegeven, namelijk dat gedetineerden een persoonlijke ruimte van 4 m² per persoon krijgen. Gezien deze garantie is nader onderzoek niet noodzakelijk.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
Zoals in de inleiding is overwogen, heeft de rechtbank eerder in deze procedure geconcludeerd dat in Bulgarije in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in Bulgarije zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in de zin artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: het Handvest). Onder verwijzing naar het reeds genoemde arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Aranyosi en Căldăraru is thans aan de orde de vraag of op basis van de overgelegde informatie kan worden uitgesloten dat voor de opgeëiste persoon in geval hij wordt overgeleverd zodanig reëel gevaar bestaat. De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit het arrest Aranyosi en Căldăraru volgt dat de rechtbank een concrete en nauwkeurige beoordeling moet maken, en daartoe van de uitvaardigende autoriteit de benodigde gegevens moet ontvangen.
De rechtbank stelt vast dat de uitvaardigende autoriteit in de brief van 2 november 2016 heeft vermeld dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een detentieinstelling which provides accomodation corresponding to art. 3 of the European Convention for the protection of human rights (…) as well as the minimum European standards. Daartoe wordt verwezen naar een verklaring van het Bulgaarse ministerie van Justitie die onder meer inhoudt dat, indien daarom in een concreet geval wordt verzocht, een garantie wordt gegeven dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst op een plek die voldoet aan de eisen van artikel 3 EVRM en aan de minimale Europese standaarden. Voorts staat daarin vermeld: The sleeping places that will house the surrendered individuals shall provide a total of 4 sq. m. per individual, direct acces to daylight, a possibility for natural ventilation and an individual toilet.
In de brief van 13 februari 2016 staat vermeld dat de opgeëiste persoon most likely zal worden geplaatst in de gevangenis van [plaats gevangenis] .
Ten aanzien van het verweer dat onvoldoende zeker zou zijn dat de opgeëiste persoon inderdaad in [plaats gevangenis] zal worden geplaatst verwijst de rechtbank naar punt 95 van eerdergenoemd arrest van het Europese Hof van Justitie, waaruit volgt dat beoordeeld moeten worden de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting zal worden gedetineerd. De rechtbank gaat daarom uit van een plaatsing in [plaats gevangenis] .
De rechtbank stelt verder vast dat de door de Bulgaarse autoriteiten overgelegde gegevens geen enkele informatie bevatten over de omstandigheden in de gevangenis in [plaats gevangenis] . Dit is anders dan in de door de officier van justitie aangehaalde eerdere zaak, waarin werd vermeld dat de omstandigheden in de in die zaak genoemde detentie-instelling in overeenstemming waren met artikel 3 EVRM en de Europese standaarden. ..
De rechtbank ziet thans aanleiding de gevolgde lijn ten aanzien van de detentieomstandigheden in Bulgarije aan te scherpen en overweegt daartoe het volgende. In het public statement van 26 maart 2015 heeft het CPT naar aanleiding van zijn bezoeken aan Bulgarije geconstateerd dat zich ernstige tekortkomingen voordoen in de Bulgaarse detentieinstellingen en dat het laatste bezoek heeft gedemonstreerd dat geen of weinig vooruitgang is geboekt ten aanzien van de door het CPT gedane aanbevelingen. En voorts dat de Bulgaarse autoriteiten niet hebben voldaan aan hun herhaalde verzekeringen dat actie zou worden ondernomen. In het public statement worden als nog steeds bestaande tekortkomingen opgesomd: physical ill-treatment, inter-prisoner violence, endemic corruption, overcrowding, ever worsening material conditions, no acces to organised out of cell activities, poor accesibility and quality of medical services.
De rechtbank is niet bekend met een reactie van de Bulgaarse autoriteiten op dit statement, en evenmin met andere bronnen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat inmiddels vooruitgang is geboekt. De rechtbank is er slechts mee bekend dat het CPT dit jaar opnieuw een bezoek aan Bulgarije zal brengen.
Gelet op al het bovenstaande kan de rechtbank niet afgaan op algemene informatie dan wel garanties dat de detentieomstandigheden in overeenstemming met artikel 3 EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest zullen zijn.
Om de rechtbank in staat te stellen de bovenbedoelde concrete en nauwkeurige beoordeling te maken acht de rechtbank tenminste op de door het CPT in het statement van 26 maart 2015 genoemde punten concrete informatie noodzakelijk omtrent de omstandigheden waarin de opgeëiste persoon in [plaats gevangenis] zal verkeren.
De beslissing over de overlevering moet worden uitgesteld in afwachting van aanvullende informatie van de uitvaardigende autoriteit op grond waarvan het bestaan van een reëel gevaar op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest kan worden uitgesloten. Dit heeft tot gevolg dat de beslistermijn is opgeschort.
Het voorgaande brengt dus niet mee dat de overlevering moet worden geweigerd (zie rechtbank Amsterdam 28 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2630).
6. Beslissingen
HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd
STELT UIT de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Bulgaarse taal tegen de nog vast te stellen datum en het nog vast te stellen tijdstip.
Aldus gedaan door
mr. A.J. Dondorp, voorzitter,
mrs. E.M.M. Gabel en M. van Mourik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 28 februari 2017[.]
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.