Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.5.4
2.5.4 Derdenbescherming op grond van §932 BGB
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644967:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie: MüKoBGB/Füller BGB §951 Rn 19 & 20.
Staudinger/C Heinze (2020) BGB §951 Rn 15.
Larenz/Canaris (1994), p. 215; Staudinger/C Heinze (2020) BGB §951 Rn 15.
§932 BGB 1: Durch eine nach §929 erfolgte Veräußerung wird der Erwerber auch dann Eigentümer, wenn die Sache nicht dem Veräußerer gehört, es sei denn, dass er zu der Zeit, zu der er nach diesen Vorschriften das Eigentum erwerben würde, nicht in gutem Glauben ist. In dem Falle des §929 Satz 2 gilt dies jedoch nur dann, wenn der Erwerber den Besitz von dem Veräußerer erlangt hatte. 2: Der Erwerber ist nicht in gutem Glauben, wenn ihm bekannt oder infolge grober Fahrlässigkeit unbekannt ist, dass die Sache nicht dem Veräußerer gehört.
BGH, 09-07-1990 – II ZR 10/90: “Ist der Bauherr bösgläubig, unterliegt er danach der Eingriffskondiktion des Baustofflieferanten; ist er dagegen als gutgläubig anzusehen, ist er vor Bereicherungsansprüchen geschützt.” Het Hof maakt deze analogie in een uitspraak die betrekking heeft op het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking (Eingriffskondition).
§935 BGB 1: Der Erwerb des Eigentums auf Grund der §§932 bis 934 tritt nicht ein, wenn die Sache dem Eigentümer gestohlen worden, verloren gegangen oder sonst abhanden gekommen war. Das Gleiche gilt, falls der Eigentümer nur mittelbarer Besitzer war, dann, wenn die Sache dem Besitzer abhanden gekommen war.2: Diese Vorschriften finden keine Anwendung auf Geld oder Inhaberpapiere sowie auf Sachen, die im Wege öffentlicher Versteigerung oder in einer Versteigerung nach §979 Absatz 1a veräußert werden.
Westermann/Gursky/Eickmann (2011), p. 490-491.
Een Wegnahmerecht op grond van §951 BGB is niet gegeven in het Jungbullenfall aangezien daar de eigendom van de bestolene teniet is gegaan door zaaksvorming. Dat is alleen voor diegene die door natrekking (of vermenging) zijn zakelijk recht heeft verloren.
Een andere kritiek op de uitspraak in het Elektroherde-arrest bestond in de mogelijk ongewenste resultaten.1 Niet zozeer was het resultaat in het arrest zelf onwenselijk, maar het BGH lijkt in de uitspraak te suggereren dat de leverancier in geen enkel geval een vordering had tegen de verkrijger (in casu K). En wat als deze leverancier te kwader trouw was en wist dat de materialen onder eigendomsvoorbehoud waren geleverd?2 De kwade trouw wordt bij het niet toekennen van een vordering dan beloond.3
Deze kritiek heeft het BGH onderkend.4 In een later gewezen arrest ging het hierop in. In die zaak speelde een soortgelijk geval zich af als in het Elektroherde-arrest. Ook hier waren zaken onder eigendomsvoorbehoud geleverd en vervolgens via natrekking door een buitenstaander verkregen, die te goeder trouw was ten aanzien van het eigendomsvoorbehoud. Het BGH liet de mogelijkheid open om de leverancier een actie op grond van §951 BGB tegen de verkrijger te verlenen, als laatstgenoemde te kwader trouw was. Voor deze opvatting verwees het Hof naar de literatuur waarin is geopperd om §932 BGB5 analoog toe te passen.6 Deze analoge toepassing is interessant, omdat zij de bescherming van de belangen van de leverancier verlengt. §932 BGB is het Duitse derdenbeschermingsartikel bij een (vermeende) overdracht van een beschikkingsonbevoegde vervreemder. Het artikel bepaalt dat een koper te goeder trouw een zaak in eigendom verkrijgt als zij is geleverd door een beschikkingsonbevoegde, mits aan de overige vereisten van de eigendomsoverdracht is voldaan. Is de verkrijger te kwader trouw, dan is volgens §932 BGB verkrijging niet mogelijk.7 De analoge toepassing van dit artikel op nagetrokken zaken gaat uit van een fictie. De fictie is dat de nagetrokken zaak wordt gezien als een zelfstandige roerende zaak die door een onbevoegde wordt overgedragen. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of deze (fictieve) overdracht tot derdenbescherming leidt, heeft de leverancier een actie. Dit betekent dat een leverancier geen actie heeft tegen een buitenstaander die van het eigendomsvoorbehoud niet op de hoogte was.8 Hij is te goeder trouw. Was deze derde echter te kwader trouw en dus op de hoogte van het eigendomsvoorbehoud, dan heeft de leverancier wél een actie tegen hem. Toegepast op de Elektroherde zou dat betekenen dat leverancier (L) tegen koper (K) in geval van kwade trouw een actie heeft op grond van §951 BGB.
Naast het feit dat de bescherming van §932 e.v. BGB niet opgaat als de verkrijger te kwader trouw is, gaat ze evenmin op als zaken zijn gestolen, verloren gegaan of op een andere manier zijn kwijtgeraakt. Is de eigenaar de zaak abhanden gekommen, dan wordt het belangenconflict beslist in het voordeel van de (oorspronkelijke) eigenaar en niet in het voordeel van de verkrijger te goeder trouw, aldus het BGH in het arrest Jungbullenfall.9 Een dief had van een boer (eiser) twee jonge stieren gestolen en vervolgens verkocht voor 1701 Deutsche Mark (DM) aan een koper te goeder trouw. Deze verwerkte de dieren in zijn vlees(waren)fabriek, waardoor hij door zaaksvorming (§950 BGB) het eigendomsrecht op het vlees had verkregen. De koper verkreeg de eigendom niet omdat hij het vlees te goeder trouw had gekocht, maar door zaaksvorming. Voor deze eigendomsverkrijging was geen rechtvaardigingsgrond. Hij kon de verrijkingsactie van de boer niet afweren met het argument dat hij de dief al had betaald en daarom niet verrijkt was. De koper moest de boer dus betalen en de dief aanspreken om het betaalde, de 1701 DM, terug te vorderen.10