V-N 2026/10.25
Klein aantal Uber-chauffeurs civielrechtelijk niet in dienstbetrekking; oordeel over (duizenden) andere chauffeurs niet mogelijk
Hof Amsterdam 27-01-2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:163, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
27 januari 2026
- Magistraten
Boot, Akkaya, Van de Poel
- Zaaknummer
200.300.335/01
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD46869:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht / Collectief arbeidsrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHAMS:2026:163, Uitspraak, Hof Amsterdam, 27‑01‑2026
ECLI:NL:GHAMS:2024:601, Uitspraak, Hof Amsterdam, 13‑02‑2024
ECLI:NL:GHAMS:2023:2220, Uitspraak, Hof Amsterdam, 03‑10‑2023
ECLI:NL:GHAMS:2022:2080, Uitspraak, Hof Amsterdam, 19‑07‑2022
ECLI:NL:GHAMS:2022:855, Uitspraak, Hof Amsterdam, 22‑03‑2022
- Wetingang
Art. 3:305a BW; art. 7:610 BW
Essentie
Hof Amsterdam oordeelt dat de chauffeurs geen arbeidsovereenkomst met Uber hebben, omdat bij hen sprake is van een sterke mate van ondernemerschap.
Samenvatting
Uber BV exploiteert een app waarmee taxiritten worden geboekt. Chauffeurs melden zich aan voor de app en worden onderverdeeld in drie categorieën:
- 1.
Als ze geen chauffeurskaart of ondernemersvergunning hebben, kunnen ze (nog) niet actief worden op het Uber-platform.
- 2.
Chauffeurs met een chauffeurskaart, maar geen ondernemersvergunning, kunnen gaan rijden als ‘Fleet partner’ onder de vlag van andere Uber-chauffeurs.
- 3.
Taxichauffeurs met een chauffeurskaart én een ondernemersvergunning zijn ‘zelfstandig Uber Partner’.
FNV spreekt ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.