Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/7.3.3.1
7.3.3.1 Een wijdverbreide gedachte ...
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657512:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hermann 1970, p. 5.
Zie bijv. de zaken over onderhuur: HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0893, NJ 2015/32, m.nt T. Hartlief (Doerga/Ymere); HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1229, RvdW 2016/717 (Ymere/Een arts); Hof ’s-Hertogenbosch 28 februari 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV7721 (X/Stichting Trudo); Hof Arnhem 13 november 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY4601 (X/Stichting Eigen Haard); Hof Amsterdam 28 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:222 (Particuliere verhuurder/Huurder); Hof Den Haag 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2197, NJF 2017/455; Rb. ’s-Gravenhage 16 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ3506; Rb. Amsterdam 5 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3567; Rb. Amsterdam 22 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:275. Ten aanzien van oneerlijke concurrentie: HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9662, NJ 2015/33, m.nt. T. Hartlief (Setel NV/AVR Holding NV); Hof ’s-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2080.
§ 687 II jo. § 681 jo. § 667 BGB. Een gedachte afkomstig uit het Romeinse recht, die in Nederland als zodanig geen wortel heeft geschoten (TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 709); in Nederland worden deze gevallen normaliter geduid als vorderingen uit ongerechtvaardigde verrijking, zie Zwalve 1995, p. 158-159.
Schäfer 2020, randnummers 10-12.
Schwab 2020, randnummers 287-296.
Ibid. randnummer 289. Dat is evenwel niet voldoende, zie ibid. randummer 290.
S. 61(1)(d) Patents Act 1977; s. 96(2), 229(2), en 191I(2) Copyrights, Designs and Patents Act 1988; Edelsten v. Edelsten (1863) 1 De GJ & SM 185; Slazenger & Sons v. Spalding & Bros [1910] 1 Ch 257; Lever v. Goodwin (1887) 36 Ch D 1; My Kinda Town Ltd v. Soll [1982] FSR 147.
Burrows 2019, p. 329-331; Wrotham Park Estate v. Parkside Homes [1974] 1 WLR 798.
Morris-Garner and another (Appellants) v. One Step (Support) Ltd (Respondent) [2018] UKSC 20.
Zie hieroverVan Kogelenberg 2018.
Morris-Garner and another (Appellants) v. One Step (Support) Ltd (Respondent) [2018] UKSC 20. Dat onderscheid doet er overigens niet heel erg toe, omdat ten aanzien van deze maatregel kan worden gesteld dat waarmee de gedaagde is verrijkt (een bevoegdheid die hij niet had) en waar de eiser mee is verarmd (het verlies van een recht dat hij had) aan elkaar gelijk zijn. Zie in deze zin ten aanzien van het Duitse recht Raue 2017, p. 283, 460-468).
Zie bijv. Burrows 2013, p. 1299.
Tot slot is er dan de wijdverbreide gedachte dat de winstafdracht een vordering is die vooral goed past bij inbreuken op exclusieve rechten. In zijn nog voor de invoering van het Nieuw BW gevoerde pleidooi voor erkenning van de winstafdracht, ging Hermann er al van uit dat die vordering beperkt moest worden tot inbreuken op exclusieve rechten en parasiteren op bedrijfsresultaten.1 Die gedachte is vaak terug te zien: het verzoek van de commissie om aan het Ontwerp Meijers een vordering tot winstafdracht toe te voegen kwam voort uit de behoefte inbreuken op exclusieve rechten anders te sanctioneren,2 de rechtspraak aangaande artikel 6:104 BW heeft vaak betrekking op geschillen waar exclusieve rechten bij betrokken zijn3 en de enige gevallen van ‘echte’ winstafdracht in het Nederlandse recht zijn te vinden in het IE-recht4 ̶ het rechtsgebied dat zich bezighoudt met exclusieve rechten op voortbrengselen van de geest.
Ook in het buitenland wordt zo wel tegen winstafdrachten aangekeken. Duitsland kent geen algemene winstafdrachtsvordering voor onrechtmatig gedrag, maar binnen het algehele verrijkingsrecht bestaan twee acties die daar in meer of mindere mate mee vergelijkbaar zijn. Een eerste voorbeeld is de oneigenlijke zaakwaarneming. In het Duitse recht is het mogelijk een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in te stellen jegens iemand die zonder toestemming de zaken van de eiser heeft waargenomen voor eigen gewin.5 Het praktische bereik van deze vordering is beperkt, omdat sprake moet zijn van opzettelijke inmenging voor eigen gewin, zodat hier geen algemene vordering tot winstafdracht op te stoelen valt.6 Vergelijkbaarder is de Eingriffskondiktion. De Eingriffskondiktion biedt een aanspraak uit ongerechtvaardigde verrijking waar sprake is van de aantasting (Eingriff) van een beschermde rechtspositie. Bepalend is niet of deze positie door § 823 BGB beschermd wordt of dat schending laakbaar is, maar of de aangetaste rechtspositie Zuweisungsgehalt heeft.7 De gedachte is dat bepaalde voordelen door de rechtsorde worden toegeschreven aan bepaalde personen en dat een winstafdracht gepast is waar ze bij de verkeerde persoon zijn beland. Dat is meestal het geval als sprake is van het trekken van voordeel uit exclusieve – of in ieder geval met bevel en verbod beschermde – rechten door een ander dan de rechthebbende.8 Hoewel dit strikt genomen een ongerechtvaardigde verrijkingsactie betreft, ligt de actie wel dicht tegen delictuele aansprakelijkheid aan. Interessant is dan ook dat de Duitse actie die het meest lijkt op winstafdracht wegens onrechtmatige daad sterk aansluiting zoekt bij exclusieve rechten.
Ook het Engelse recht vertoont een zekere hang naar de inbreuk op een exclusief recht als basis voor winstafdracht. Ten eerste kent ook het Engelse recht de winstafdracht voor inbreuken op IE-rechten.9 Ten tweede kan de gedaagde worden veroordeeld tot betaling van een zekere vergoeding voor het hebben mogen maken van (i) inbreuken op eigendomsrechten10 en (ii) wanprestaties in overeenkomsten waar sprake is van een property or analogous right.11 Deze remedie staat bekend als negotiating damages en is in de kern een vergoeding gebaseerd op wat partijen overeengekomen zouden zijn om de inbreuk of wanprestatie toe te staan.12Hoewel negotiating damages strikt genomen door het Supreme Court als compensatoire maatregel worden gepresenteerd,13 zijn zij wel vaak geduid als restitutiemaatregel.14 Een overkoepelende theorie zoals de Zuweisungstheorie bestaat in het Engelse recht niet, maar het is in ieder geval opvallend dat ook daar de aanwezigheid van een exclusief recht vaak als voorwaarde gezien wordt voor winstafdracht en daar nauw aan verwante remedies.