Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/5.4.1:5.4.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/5.4.1
5.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455194:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Geïmplementeerd in artikel 3.36 VV 2000.
HvJEU 5 september 2012, C-71/11 en C-99/11, r.o. 46.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Volgens artikel 9 lid 1a van Richtlijn 2004/831 is er sprake van een daad van vervolging op grond van godsdienst indien de godsdienstvrijheid (of een ander in artikel 15 lid 2 EVRM genoemd grondrecht) op ernstige wijze wordt geschonden. De vraag die dit oproept is wanneer er sprake is van een ernstige schending van de godsdienstvrijheid. Deze vraag heeft op het eerste gezicht niets van doen met het begrip van godsdienst. Toch is dit niet juist. De HvJEU heeft in een prejudiciële procedure met de beantwoording van deze vraag een nieuw perspectief gegeven op de juridische betekenis van godsdienst en op de wijze hoe uitingen en gedragingen als godsdienstig moeten worden gekwalificeerd. In zijn uitspraak uit 2012 wijst het HvJEU een opvatting over godsdienst af die tot voor kort in de jurisprudentie ten grondslag lag aan de beantwoording van de vraag wat een ernstige schending van de godsdienstvrijheid is. Voordat ik hierop uitgebreid inga, zal ik eerst de aanleiding voor de uitspraak van het HvJEU schetsen.
De aanleiding voor de uitspraak van het HvJEU waren prejudiciële vragen afkomstig van het Duitse Bundesverwaltungsgericht. De prejudiciële vragen werden gesteld in het kader van de Duitse zaken van twee Pakistaanse Ahmadi’s (een islamitische minderheid), waarvan de leden in Pakistan drie jaren gevangenisstraf kunnen krijgen als zij zichzelf aanmerken als islamieten of hun geloof prediken. De vraag die in deze zaken speelde was of van deze Ahmadi’s in Pakistan een zekere terughoudendheid in hun godsdienstige praxis (afzien van het in het openbaar belijden van hun godsdienst) verwacht mag worden.
Voor de beantwoording van deze vraag diende het Bundesverwaltungsgericht te weten of een beperking van de godsdienstvrijheid reeds kan worden beschouwd als daad van vervolging. Artikel 9 lid 1 onder a van de richtlijn geeft maar ten dele duidelijkheid hierover. Wel noemt dit artikel twee algemene vormen die kunnen worden getypeerd als een daad van vervolging. Ten eerste een ernstige schending van mensenrechten en ten tweede een schending van één van de in artikel 15 lid 2 EVRM genoemde mensenrechten (artt. 2, 3, 4 lid 1 en 7 EVRM). Het Bundesverwaltungsgericht stelde aan het HvJEU in het kader van de eerste vorm de vraag wanneer een inbreuk op artikel 9 EVRM neerkomt op een daad van vervolging. Anders gezegd, wanneer is er sprake van een dermate ernstige schending van de godsdienstvrijheid dat die kan worden gecategoriseerd als een daad van vervolging? Het Bundesverwaltungsgericht opperde in zijn vraagstelling aan het HvJEU dat dit wellicht alleen het geval is wanneer de kern (kerngebied) van de godsdienstvrijheid wordt geschonden. Tegelijk met deze suggestie wierp het de vraag op wat, als er inderdaad zoiets zou zijn als een kern, deze kern dan zou moeten inhouden. Met andere woorden, wat de reikwijdte ervan zou moeten zijn. Beperkt dit zich tot de geloofsbelijdenis en geloofsbeleving thuis en in beperkte kring of zou het ook bepaalde geloofsbeleving in het openbaar moeten omvatten?
In aansluiting op de overweging dat er wellicht sprake kan zijn van een kern van de godsdienstvrijheid stelde het Bundesverwaltungsgericht tevens de vraag of de vreemdeling zelf de autonomie moet worden gelaten om te bepalen wat voor hem geldt als een belangrijke uiting of handeling van zijn geloof (de kern) of dat vereist is dat de geloofsgemeenschap waartoe de vreemdeling behoort deze uiting of gedraging beoordeelt als een centraal bestanddeel van haar geloofsleer.2
De problematiek die het Bundesverwaltungsgericht naar voren brengt, lijkt niet te zijn gericht op de vraag wanneer het hebben een overtuiging, of het doen van een uiting of gedraging, gekwalificeerd moet worden als godsdienst. De problematiek heeft betrekking op de vraag wanneer er sprake is van een daad van vervolging. Toch zit er een aspect aan deze problematiek die belangrijke consequenties heeft voor de vraag ‘wat telt als godsdienst’.
Dit aspect komt tot uitdrukking in de ‘suggestie’ van het Bundesverwaltungsgericht om de godsdienstvrijheid op te delen in een kern- en een perifeer gebied. Daarmee laat het Bundesverwaltungsgericht een bepaalde opvatting over de betekenis van godsdienst doorschemeren die gangbaar was in de jurisprudentie omtrent asielverzoeken.
In het navolgende bespreek ik in 5.4.2 het antwoord van het HvJEU op de vraag wanneer er sprake is van een daad van vervolging en de consequenties die dit antwoord heeft voor de juridische betekenis van godsdienst. Vervolgens bespreek ik in 5.4.3 de wijze waarop in het verleden in de Nederlandse rechtsorde deze vraag werd beantwoord en welke opvatting van godsdienst hieraan ten grondslag lag. Tot slot behandel ik in 5.4.4 het verschil in benadering van deze problematiek tussen het HvJEU aan de ene kant en het EHRM en de nationale rechter aan de andere kant. Deze paragraaf sluit ik in 5.4.5 af met een deelconclusie.