HR, 11-03-2025, nr. 24/03567
ECLI:NL:HR:2025:346
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-03-2025
- Zaaknummer
24/03567
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:346, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑03‑2025; (Herziening)
Aanvraag tot herziening van: ECLI:NL:GHLEE:2011:BU5290
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0083
NLF 2025/0743
V-N 2025/16.28 met annotatie van Redactie
Uitspraak 11‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Herziening. Feitelijk leiding geven aan opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte omzetbelasting begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 69 AWR. Aangevoerd wordt dat sprake is van gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv op de grond dat hof heeft beslist o.b.v. dossier waarvan niet langer door aanvrager ingebrachte stukken deel uitmaakten. HR heeft 2 eerdere aanvragen tot herziening van ‘s hofs arrest afgewezen. HR heeft in HR:2022:694 al geoordeeld dat (ook uitgaande van juistheid van deze stelling) dit niet kan leiden tot beslissing a.b.i. art. 457.1.c Sv. HR kan aanvraag daarom niet in behandeling nemen maar merkt niettemin op dat HR in voornoemd arrest niet heeft geoordeeld dat omstandigheid dat uitspraak a.b.i. art. 457 Sv “o.b.v. incompleet procesdossier tot stand is gekomen” nooit gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv kan opleveren. Uit dat arrest volgt dat, als ervan wordt uitgegaan dat door aanvrager ingebrachte stukken in de loop van behandeling van strafzaak geen deel meer uitmaakten van dossier, die omstandigheid op zichzelf niet gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv vormt. Door aanvrager is niet gesteld en onderbouwd dat ernstig vermoeden bestaat dat, als inhoud en strekking van ingebrachte stukken aan hof bekend waren geweest, onderzoek van zaak zou hebben geleid tot (v.zv. hier van belang) vrijspraak van tlgd. feit. Aanvraag bevat verder ook niets wat kan worden aangemerkt als beroep op gegeven a.b.i. art. 457.1.c Sv. Hierdoor kan HR (gelet op art. 460.2 en 465.1 Sv) aanvraag niet in behandeling nemen. Aanvraag n-o. Vervolg op HR:2010:BK2149 (strafzaak), 12/03691 (niet gepubliceerd; strafzaak, art. 81.1 RO), HR:2018:1825 (herzieningszaak) en HR:2022:964 (herzieningszaak).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03567 H
Datum 11 maart 2025
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 21 november 2011, nummer 24-000575-10, ingediend door F.R. Herreveld, advocaat in Rotterdam,
namens
[aanvrager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944,
hierna: de aanvrager.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de rechtbank Groningen van 26 januari 2005 – de aanvrager veroordeeld voor “feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”. Het hof heeft de aanvrager een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren opgelegd.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvraag
3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.1
De Hoge Raad heeft twee eerdere aanvragen tot herziening van het arrest van het hof afgewezen (zie het arrest van de Hoge Raad van 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1825, respectievelijk van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:964).
3.2.2
De aanvraag voert in de kern aan dat het hof heeft beslist op basis van een dossier waarvan niet langer door de aanvrager ingebrachte stukken deel uitmaakten. De Hoge Raad heeft in het arrest van 28 juni 2022 al geoordeeld dat – ook uitgaande van de juistheid van deze stelling – dit niet kan leiden tot een van de in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv genoemde beslissingen. De Hoge Raad kan de aanvraag daarom niet in behandeling nemen. De Hoge Raad merkt hierbij niettemin nog het volgende op.
3.2.3
Anders dan in de aanvraag naar voren wordt gebracht, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 28 juni 2022 niet geoordeeld dat de omstandigheid dat een uitspraak als bedoeld in artikel 457 Sv “op basis van een incompleet procesdossier tot stand is gekomen” nooit een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv kan opleveren. Uit dat arrest volgt dat, als ervan wordt uitgegaan dat door de aanvrager ingebrachte stukken in de loop van de behandeling van de strafzaak geen deel meer uitmaakten van het dossier, die omstandigheid op zichzelf niet een gegeven als bedoeld in artikel 457 lid 1, aanhef en onder c, Sv vormt.
3.2.4
Door de aanvrager is niet gesteld en ook niet onderbouwd dat het ernstige vermoeden bestaat dat, als de inhoud en de strekking van de door de aanvrager ingebrachte stukken aan het hof bekend waren, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot – voor zover hier van belang – een vrijspraak van het tenlastegelegde feit.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 maart 2025.