Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.3.6.c
6.3.6.c Analoge toepassing van art. 6:142 BW
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250179:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-II 2017/257 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/274.
Verdaas 2008, p. 306 en Rongen 2012, p. 1300-1302.
Rb. Den Haag 5 juli 2006, JOR 2007/53, m.nt. Verdaas (NCM/Den Heijer Beheer), r.o. 3.5-3.7. Zie § 6.3.4.
Zie § 6.2.3.
Zie ook E.C.A. Nass 2019, p. 221.
Zie Van Dooren 2015, p. 383, waar ik nog het standpunt verdedigde dat de crediteur de 403-vordering onafhankelijk van de vordering op de 403-maatschappij kan cederen aan een derde, omdat de gezamenlijke overgang ex art. 6:142 BW niet van toepassing is op de overgang van de 403-vordering en op dit punt daarom de rechtsgevolgen overeenkomstig de duiding als hoofdelijke vordering zouden gelden. Zie ook E.C.A. Nass 2019, p. 221.
Op grond van art. 6:142 BW leidt de overgang van een vordering ertoe dat de bij die vordering behorende nevenrechten mee overgaan.1 Als deze bepaling analoog van toepassing is op de 403-vordering brengt de cessie van de vordering op de 403-maatschappij met zich dat de cessionaris ook de 403-vordering verkrijgt.2 Dit volgt ook uit de eerder aangehaalde uitspraak van de Rechtbank Den Haag uit 2006 inzake NCM/Den Heijer Beheer.3 De rechtbank duidt de 403-vordering als een nevenrecht dat geen afhankelijk recht is. Zij oordeelt dat de cessie van de vordering van de crediteur op de 403-maatschappij betekent dat ook de 403-vordering op de cessionaris is overgegaan. Hoewel ik eerder de duiding van de 403-vordering als een nevenrecht heb afgewezen,4 is de uitkomst hetzelfde als bij een analoge toepassing van art. 6:142 BW ten aanzien van deze vordering.5
De analoge toepassing van art. 6:142 BW ten aanzien van de 403-vordering brengt mijns inziens ook mee dat deze vordering naar zijn aard niet zelfstandig overdraagbaar is.6,7 De verbondenheid van de 403-vordering met de vordering op de 403-maatschappij – in de zin dat de overgang van de vordering op de 403-maatschappij meebrengt dat de 403-vordering mee overgaat – verhindert dat de 403-vordering zelfstandig kan worden overgedragen. Een andere uitkomst zou ook tot de opmerkelijke situatie kunnen leiden dat een crediteur eerst zijn 403-vordering overdraagt aan een derde, en later zijn vordering op de 403-maatschappij overdraagt aan een andere partij. Dit zou ook verschillende vragen oproepen met betrekking tot het recht van de partij op wie de vordering op de 403-maatschappij is overgegaan om zich op grond van de 403-verklaring op de moedermaatschappij te verhalen. Bijvoorbeeld of de latere overgang van de vordering op de 403-maatschappij meebrengt dat de verkrijgende partij op grond van art. 6:142 BW ook de eerder overgedragen 403-vordering verkrijgt? En maakt het daarbij nog verschil als de 403-vordering door middel van een stille cessie is overgedragen zonder dat degene aan wie de vordering op de 403-maatschappij is overgedragen hiermee bekend is?