Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/84
84 Absolute bevoegdheid voorafgaand aan een geding
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS452198:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Volgens art. 877 Rv (1951) was alleen de rechtbank bevoegd indien een geding nog niet aanhangig was. In art. 215 lid 1 Rv (1988) werd het mogelijk gemaakt een voorlopig getuigenverhoor te houden voor de kantonrechter, hoewel zijn bevoegdheid beperkt was tot de gevallen waarin hij (vermoedelijk) bevoegd was van het geding kennis te nemen. Om uitvoerige debatten over de absolute bevoegdheid te voorkomen, werd in het artikel opgenomen dat de rechter summierlijk over zijn absolute bevoegdheid beslist. PG Bewijsrecht 1988, p. 306-307. Inmiddels is “de rechtbank of de kantonrechter” vervangen door “de rechter” (art. 187 lid 1 Rv), waardoor rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat een zaak in eerste aanleg aanhangig moet worden gemaakt bij een hof, bijvoorbeeld bij de Ondernemingskamer in Amsterdam, en met de integratie van de kantongerechten in de rechtbanken. Zie voor zaken vóór 2002 betreffende de (on)bevoegdheid van het kantongerecht: Hof Arnhem 20 september 1988, ECLI:NL:GHARN:1988: AI8028, Prg. 1988, 2973 (in deze zaak strekte de hoofdzaak tot nakoming van een arbeidsovereenkomst en had een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor moeten worden ingediend bij het kantongerecht in plaats van bij de rechtbank); Ktg. Schiedam 5 november 1996, ECLI:NL: KTGSCH:1996:AI9448, Prg. 1997, 4676; Ktg. Utrecht 24 februari 1997, ECLI:NL:KTGUTR:1997: AI9507, Prg. 1997, 4749.
PG Herziening Rv 2002, p. 368.
Bij de wet van 26 april 2007, Stb. 2007, 163 zijn de bepalingen uit de Pachtwet over het procederen bij de pachtkamer vervangen door titel 3.16 Rv. Hierbij is de pachtkamer van de rechtbank in de plaats gekomen van de kantonrechter. Valk 2014 (T&C Rv), titel 3.16, aant. 1 en 2. In Hof Arnhem (pachtkamer) 22 december 1975, ECLI:NL:GHARN:1975:AB5667, NJ 1976, 543 besliste het hof dat een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor terecht was ingediend bij de pachtkamer van het kantongerecht Nijmegen, omdat het verzoek strekte tot het verkrijgen van zekerheid omtrent vermoede wanprestatie van een pachter.
Rb. Alkmaar 14 juli 2005, ECLI:NL:RBALK:2005:AT9908.
Hof ’s-Hertogenbosch 14 januari 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH2197. Het hof oordeelde dat de rechtbank zich terecht absoluut onbevoegd had verklaard, omdat herroeping werd verlangd van twee arresten van het hof en het hof derhalve in laatste feitelijke instantie had geoordeeld.
Als nog geen procedure aanhangig is gemaakt, is absoluut bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor de rechter tot wiens absolute bevoegdheid de zaak vermoedelijk zal behoren (art. 187 lid 1 Rv).1 Deze bepaling moet strikt worden uitgelegd. Als de Ondernemingskamer van het Amsterdamse hof op grond van art. 66 Wet RO waarschijnlijk de absoluut bevoegde rechter zal zijn, dan moet een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor aan die kamer – dus niet aan het hof Amsterdam – worden gericht.2 In de pachtzaken genoemd in art. 1019j Rv is de pachtkamer van de rechtbank absoluut bevoegd en de pachtkamer is dan ook absoluut bevoegd om ten behoeve van deze pachtzaken een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.3 In de in art. 80 Rijksoctrooiwet 1995 genoemde octrooigeschillen wordt de rechtbank Den Haag aangewezen als exclusief bevoegde rechter. De rechtbank Den Haag is de enige absoluut én relatief bevoegde rechtbank; vanwege deze exclusieve bevoegdheid geldt de keuzemogelijkheid van art. 187 Rv niet.4 Volgens de hoofdregel van art. 384 Rv is in een herroepingszaak absoluut bevoegd de rechter die in de laatste feitelijke instantie heeft geoordeeld over de zaak. Een voorlopig getuigenverhoor ten behoeve van een herroepingsprocedure moet dan ook bij deze rechter worden verzocht.5