Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.3.4
3.3.4 DSM/Fox: een vloeiende overgang
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS590826:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 20 februari 2004, NI 2005, 493 (m. nt. C.E. du Perron).
Gelet daarop dient de gedachte dat de Haviltex-formule nog altijd de centrale maatstaf bij de uitleg van overeenkomsten vormt thans als achterhaald te worden beschouwd. Vgl. De Vries 2009, p. 9, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI * 2010, nr. 364, Drion/Van Wechem 2008, p. 934 en Hijma/Olthof 2008, p. 348.
De beeldspraak is ontleend aan Tjittes 2005, p. 28.
Valk 1994, p. 112, spreekt in dit kader bij toepasselijkheid van de CAO-norm van 'doorsnee belangen' en 'doorsnee partijen'.
Zie te dezen HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex), m. nt. C.J.H. Brunner en het nadien gewezen Vodafone/ETC arrest (HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565).
Vgl. Valk 1994, p. 112. Vgl. voorts Dooyeweerd 1973, die in zijn bespreking van Van Dunné' s proefschrift opmerkt dat het bij juridische interpretatie steeds gaat om de 'vaststelling van de rechtsbetekenis der handeling die nimmer tot de taalkundige betekenis van haar eventueel schriftelijke formulering is te herleiden.' (p. 31).
Weer een decennium later maakt de Hoge Raad in het arrest DSM/Fox1 duidelijk dat zowel de Haviltex-maatstaf als de CAO-norm op een gemeenschappelijke grondslag berusten, welke erop neerkomt dat:
"(...) bij de uitleg van een schriftelijk contract telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Ten behoeve van de werkbaarheid voor de praktijk en van de toetsbaarheid van het rechterlijk oordeel in cassatie, heeft de Hoge Raad een uitwerking van die vage norm gegeven voor de boven aangegeven, in het maatschappelijk verkeer vaak voorkomende, typen van gevallen. In deze typologie heeft de CAO-norm betrekking op geschriften en verhoudingen waarvan de aard meebrengt dat bij die uitleg in beginsel objectieve maatstaven centraal dienen te staan."
De Haviltex-maatstaf en de CAO-norm vormen blijkens deze overweging van de Hoge Raad derhalve niet meer dan uitwerkingen — voor een aantal veel voorkomende typen van overeenkomsten — van de redelijkheid en billijkheid, die bij elke wijze van uitleg in acht moet worden genomen.2 De Haviltex-maatstaf en de CAO-norm zijn mitsdien loten van dezelfde stam.3 Beide wijzen van uitleg dienen volgens de Hoge Raad plaats te vinden onder toekenning van beslissende betekenis aan de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Tussen beide uitlegvarianten bestaat volgens de Hoge Raad dan ook "geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang":
"Enerzijds heeft ook bij toepassing van de Haviltexnorm te gelden dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd — nog afgezien van het bepaalde in art. 3:36 BW in de verhouding tot derden — de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift en een eventueel daarbij behorende toelichting niet kunnen kennen en het voor de opstellers voorzienbare aantal van die derden groter is, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen.
Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot een louter taalkundige uitleg; in het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2002, nr. C 00/186, NJ 2003, 110, is de hiervoor in 4.3 aangehaalde rechtspraak in die zin verduidelijkt dat hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. (...)4
De verklaring voor het feit dat, blijkens het voorgaande, de CAO-norm net zo min als de Haviltexnorm5 leidt tot een "louter taalkundige uitleg" moet worden gezocht in het feit dat beide uitlegvarianten in de redelijkheid en billijkheid geworteld zijn. Redelijkheid en billijkheid als gemeenschappelijke grondslag voor alle te hanteren vormen van contractsuitleg brengen onvermijdelijk met zich dat geen van de op basis van de omstandigheden van het geval geëigende uitlegvarianten een louter taalkundige uitleg kan opleveren: bij elke uitlegvariant geldt dat van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.6