Het procesdossier bevat (ook) een niet-getekende “Kopie” met de datumaanduiding “19 april 2022”.
HR, 08-10-2024, nr. 22/02289
ECLI:NL:HR:2024:1392
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-10-2024
- Zaaknummer
22/02289
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1392, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:875
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2022:3944
ECLI:NL:PHR:2024:875, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1392
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0223
Uitspraak 08‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Rijden zonder rijbewijs, art. 107.1 WVW 1994. Aanwezigheidsrecht. Kon hof (enkelvoudige kamer) verstek verlenen tegen niet verschenen verdachte en bevelen dat met behandeling van zaak zal worden voortgegaan, nu dagvaarding voor (nadere) tz. in hoger beroep inhoudt dat er sprake zou zijn van “rolzitting” waarop zaak als er bezwaren kenbaar zijn gemaakt tegen vonnis Ktr niet inhoudelijk zou worden behandeld? Gelet op procesverloop (in het bijzonder omstandigheden dat (i) in dagvaarding voor (nadere) tz. in h.b. wordt gesproken van “rolzitting” die “is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen vonnis, waarna behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden” en (ii) verdachte al voorafgaand aan die zitting zijn bezwaren met appelschriftuur had opgegeven) is ‘s hofs beslissing om verstek te verlenen tegen niet verschenen verdachte en te bevelen dat buiten zijn aanwezigheid met behandeling van zaak zal worden voortgegaan, niet begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02289
Datum 8 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 juni 2022, nummer 23-002991-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesević, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof om de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw inhoudelijk te behandelen en af te doen.
2.2.1
De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, houden het volgende in.
2.2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juni 2022 houdt onder meer in:
“De verdachte, gedagvaard als
(...)
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsvrouw van de verdachte, mr. L. Snel, is evenmin verschenen.
De raadsheer maakt melding van een e-mailbericht van 11 april 2022 dat namens de raadsvrouw is verzonden. De raadsvrouw verzoekt om aanhouding van de behandeling van onderhavige strafzaak, omdat zij niet aanwezig kan zijn bij de terechtzitting van heden.
De raadsheer deelt mede dat namens het hof op voorhand aan de verdediging is medegedeeld dat het verzoek om aanhouding zal worden ingewilligd. De raadsvrouw is akkoord gegaan met de nieuwe datum en tijd.
Gehoord de advocaat-generaal deelt de raadsheer vervolgens als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 10 juni 2022 te 12.30 uur.
(...)Noot: Voor de behandeling van onderhavige zaak op de volgende zitting dienen 5 minuten te worden gereserveerd.”
2.2.3
De dagvaarding van de verdachte van 20 april 2022 om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022 houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal dagvaardt
(...)
naam [verdachte]
(...)
om te verschijnen op de ROLZITTING van het gerechtshof Amsterdam, IJdok 20 te Amsterdam, op vrijdag 10 juni 2022 te 12:30, teneinde in hoger beroep terecht te staan terzake van het hem in eerste aanleg tenlastegelegde bij de dagvaarding(en), met inbegrip van eventuele in eerste aanleg door het OM gevorderde en door de rechtbank toegestane wijzigingen, vanwege de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam betekend onder parketnummer 96-243969-19, met verwijzing naar de mededelingen aan de onderzijde van deze dagvaarding.
(...)
U bent gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat u hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat u geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis waartegen u hoger beroep heeft ingesteld zal uw zaak op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenaamde ROLZITTING van het gerechtshof te Amsterdam. Deze zitting is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op uw strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen naar voren te brengen. U bent immers al in de gelegenheid gesteld om onderzoekswensen op te geven, van welke mogelijkheid u geen gebruik heeft gemaakt. Deze behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens u hoger beroep is ingesteld. U dient er rekening mee te houden dat indien u niet verschijnt en door u ook niet voorafgaand aan of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen u beroep heeft ingesteld de kans bestaat dat het hof u conform artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaart in het door u ingestelde hoger beroep.”
2.2.4
Een appelschriftuur als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering van 9 juni 2022 houdt onder meer in:
“Appellant is op 22 oktober 2021 door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam veroordeeld in de zaak met bovenvermeld parketnummer. Appellant stelde hiertegen tijdig hoger beroep in.
Appellant is het niet eens met de beslissing tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten een personenauto, zonder daarbij rekening te houden met hetgeen is bepaald in art. 33c Sr.”
2.2.5
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022 houdt onder meer in:
“De verdachte, gedagvaard als:
(...)is niet verschenen.
De raadsvrouw van de verdachte mr. L. Snel, advocaat te Amsterdam, is evenmin verschenen.
De raadsheer deelt mede dat de zaak bepaald is aangehouden van de zitting van 3 juni 2022 op verzoek van de verdediging en dat in overleg de zaak vandaag behandeld zou worden.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
(...)
De raadsheer houdt voor de stukken in het dossier, alsmede de appelschriftuur. (...)
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.”
2.2.6
Het hof heeft de verdachte bij arrest van 10 juni 2022 veroordeeld voor - kort gezegd - rijden zonder rijbewijs.
2.3
Gelet op het onder 2.2 weergegeven procesverloop - in het bijzonder de omstandigheden dat (i) in de dagvaarding voor de zitting van 10 juni 2022 wordt gesproken van een “rolzitting” die “is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden” en (ii) de verdachte al voorafgaand aan die zitting zijn bezwaren met een appelschriftuur had opgegeven - is de beslissing van het hof om verstek te verlenen tegen de niet verschenen verdachte en te bevelen dat buiten zijn aanwezigheid met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan, niet begrijpelijk. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2024.
Conclusie 03‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Aanwezigheidsrecht. Middel, inhoudende dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw heeft plaatsgehad, zulks terwijl bij de verdachte en zijn raadsvrouw het vertrouwen is gewekt dat de zaak niet op de in de dagvaarding genoemde datum inhoudelijk zou worden behandeld, slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02289
Zitting 3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 10 juni 2022 wegens "overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", veroordeeld, maar met zoveel woorden toepassing gegeven aan artikel 9a Sr en geen (hoofd)straf of maatregel opgelegd. Wel heeft het hof de in beslag genomen auto verbeurdverklaard (als gevolg waarvan de cassatiegrens van artikel 427 lid 2 Sv toepassing mist). Het arrest van het hof is bij verstek gewezen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw heeft plaatsgehad, zulks terwijl bij de verdachte en zijn raadsvrouw het vertrouwen is gewekt dat de zaak niet op de in de dagvaarding genoemde datum inhoudelijk zou worden behandeld.
Het procesverloop
4. Voorafgaand aan de bespreking van het middel schets ik eerst, voor zover relevant, het procesverloop in hoger beroep.
5. De verdachte is gedagvaard om te verschijnen op vrijdag 3 juni 2022 te 15.15 uur, ter terechtzitting van het gerechtshof Amsterdam, teneinde in hoger beroep terecht te staan. De dagvaarding, getekend op 6 april 2022,1.bevat de algemene, begeleidende tekst:
“Als u wilt dat de advocaat-generaal getuigen en deskundigen oproept, moet u daar tenminste tien dagen voor de terechtzitting om vragen. In het geval de dagvaarding later dan veertien dagen voor de terechtzitting is betekend, dient u binnen vier dagen na betekening, doch uiterlijk tot drie dagen voor de terechtzitting, de advocaat-generaal te vragen getuigen en deskundigen op te roepen. Het verzoek kan worden gedaan persoonlijk bij het parket of bij schriftelijke opgave, gericht aan de advocaat-generaal. Indien u schriftelijk opgave doet dient u na te gaan of de advocaat-generaal uw verzoek daadwerkelijk heeft ontvangen. U geeft de namen, beroep en de woon- of verblijfplaats van de getuigen of deskundigen op. Als u deze niet weet, moet u deze personen zo nauwkeurig mogelijk omschrijven. Bij een schriftelijke opgave geldt de dag van ontvangst van de brief op het ressortsparket als de dag van opgave.
De verdachte heeft de bevoegdheid, indien toevoeging van een raadsman nog niet heeft plaatsgehad, zodanige toevoeging te verzoeken
a) aan de voorzitter van het gerechtshof, indien de verdachte — anders dan krachtens een bevel tot inverzekeringstelling — rechtens van zijn/haar vrijheid is beroofd;
b) in alle andere gevallen aan de raad van rechtsbijstand.
Een eerdere toevoeging van een raadsman voor de behandeling van de strafzaak bij de arrondissementsrechtbank geldt niet als toevoeging voor de behandeling in hoger beroep. Het gerechtshof kan bevelen, dat de verdachte die niet op de terechtzitting vertegenwoordigd is, op een door het hof te bepalen tijdstip ter terechtzitting aanwezig zal zijn, en daarbij tevens de medebrenging van de verdachte gelasten. Voor namen van de rechters die uw zaak behandelen kunt u twee weken voor uw zaak op zitting komt, bellen met het gerechtshof 088-6992640.
Tegen een uitspraak kan beroep in cassatie worden ingesteld. In het algemeen loopt de termijn voor het aanwenden van dit rechtsmiddel slechts gedurende 14 dagen na de uitspraak. Het rechtsmiddel wordt aangewend door middel van een verklaring ter griffie in persoon afgelegd door de veroordeelde, door een advocaat of door een door de veroordeelde — bij bijzondere volmacht — schriftelijk gemachtigde. De griffier van het gerechtshof kan nadere inlichtingen verschaffen.”2.
6. Op 11 april 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte, mr. Snel, per e-mail het hof doen verzoeken de zaak op een andere datum te laten behandelen, aangezien zij op 3 juni 2022, 15.15 uur, verhinderd was.
“Geachte heer, mevrouw,
Namens mr. Snel, advocate van cliënt [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , verzoek ik u vriendelijk de zitting te verplaatsen naar een andere datum.
Mr. Snel is namelijk niet beschikbaar op 3 juni.
Ik dank u bij voorbaat voorde door u te nemen moeite.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 1]
Juridisch secretaresse”
7. Op 12 april 2022 heeft de strafgriffie van het hof per e-mail op dit verzoek gereageerd en gevraagd of de raadsvrouw van de verdachte op 10 juni 2022 om 12.30 uur beschikbaar is.
“Geachte [betrokkene 1] ,
Kan advocaat op 10/6 om 12.30uur?
Met vriendelijke groet,
Strafgriffie Team Rekesten”
8. Op 14 april 2022 heeft de secretaresse van de raadsvrouw van de verdachte per e-mail de strafgriffie van het hof bericht dat het voorgestelde moment akkoord is.
“Geachte heer, mevrouw,
10 juni 12:30 uur is akkoord.
Met vriendelijke groet,
[betrokkene 1]
Juridisch secretaresse”
9. De verdachte is vervolgens gedagvaard om te verschijnen op “de ROLZITTING” van het gerechtshof Amsterdam, op vrijdag 10 juni 2022 te 12.30 uur, teneinde in hoger beroep terecht te staan. De dagvaarding, getekend op 20 april 2022,3.bevat de algemene, begeleidende tekst:
“U bent gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat u hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat u geen bezwaren heeft opgegeven tegen het vonnis waartegen u hoger beroep heeft ingesteld zal uw zaak op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenaamde ROLZITTING van het gerechtshof te Amsterdam. Deze zitting is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op uw strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen naar voren te brengen. U bent immers al in de gelegenheid gesteld om onderzoekswensen op te geven, van welke mogelijkheid u geen gebruik heeft gemaakt. Deze behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens u hoger beroep is ingesteld. U dient er rekening mee te houden dat indien u niet verschijnt en door u ook niet voorafgaand aan of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen u beroep heeft ingesteld de kans bestaat dat het hof u conform artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaart in het door u ingestelde hoger beroep.”
10. Een kopie van de dagvaarding, met eveneens dagtekening d.d. 20 april 2022, is naar de raadsvrouw van de verdachte gezonden. Deze kopie bevat de algemene, begeleidende tekst:
“Uw cliënt is gedagvaard om te verschijnen op een ROLZITTING van het hof omdat door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak van de kantonrechter/politierechter/meervoudige kamer van de rechtbank. Omdat geen grieven zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld zal de zaak van uw cliënt op de in de dagvaarding aangegeven datum en tijdstip worden behandeld op een zogenoemde ROLZITTING. Deze zitting is bedoeld om u en/of uw cliënt in de gelegenheid te stellen de bezwaren tegen het vonnis op te geven, waarna de behandeling van de strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop de strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden. Tijdens de behandeling bestaat niet de mogelijkheid om inhoudelijk op de strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen op te geven. U en/of uw cliënt zijn immers reeds in de gelegenheid gesteld om onderzoekswensen op te geven van welke mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. De behandeling is uitsluitend bedoeld om te inventariseren of en zo ja, wat de bezwaren zijn tegen het vonnis waartegen door of namens uw cliënt hoger beroep is ingesteld. Indien u of uw cliënt niet verschijnt en ook niet voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting bezwaren zijn opgegeven tegen het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld, dan dient u er rekening mee te houden dat het hof uw cliënt, conform artikel 416 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk verklaart in het door of namens uw cliënt ingestelde hoger beroep, indien voorafgaand aan de zitting uw bezwaren opgeeft en er voor kiest om niet ter zitting te verschijnen, is het verzoek om tevens uw verhinderdata op te geven, opdat de strafzaak kan worden aangehouden tot een nadere datum. Opgave van verhinderdata vanaf 4 weken tot 21 weken na de datum van de ROLZITTING is afdoende.”
11. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is op 3 juni 2022 aangevangen en vervolgens geschorst tot de terechtzitting van 10 juni 2022, te 12.30 uur. In het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting staat het volgende vermeld.
“De raadsheer doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, gedagvaard als
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
adres: [a-straat 1] , [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsvrouw van de verdachte, mr. L. Snel, is evenmin verschenen.
De raadsheer maakt melding van een e-mailbericht van 11 april 2022 die namens de raadsvrouw is verzonden. De raadsvrouw verzoekt om aanhouding van de behandeling van onderhavige strafzaak, omdat zij niet aanwezig kan zijn bij de terechtzitting van heden.
De raadsheer deelt mede dat namens het hof op voorhand aan de verdediging is medegedeeld dat het verzoek om aanhouding zal worden ingewilligd. De raadsvrouw is akkoord gegaan met de nieuwe datum en tijd.
Gehoord de advocaat-generaal deelt de raadsheer vervolgens als beslissing van het hof mede dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 10 juni 2022 te 12.30 uur.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en griffier Van der Bijl is vastgesteld en ondertekend.
(…)
Noot: Voor de behandeling van onderhavige zaak op de volgende zitting dienen 5 minuten te worden gereserveerd.”
12. Op 9 juni 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte een appelschriftuur ingediend. De schriftuur met als opschrift “Appelschriftuur ex artikel 410 Wetboek van Strafvordering” luidt als volgt.
“APPELSCHRIFTUUR EX ARTIKEL 410WETBOEK VAN STRAFVORDERING
inzake:
[verdachte]
Parketnummer:
96-243969-19 / 23-002991-21
Appellant is op 22 oktober 2021 door de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam veroordeeld in de zaak met bovenvermeld parketnummer. Appellant stelde hiertegen tijdig hoger beroep in.
Appellant is het niet eens met de beslissing tot verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen goed, te weten een personenauto, zonder daarbij rekening te houden met hetgeen bepaald in art. 33c Sr.
Amsterdam, 9 juni 2022
(…)
L. Snel”
13. Op 10 juni 2022 is op het onderzoek ter terechtzitting de zaak inhoudelijk behandeld en heeft het hof arrest gewezen. De verdachte en zijn raadsvrouw waren daarbij niet aanwezig. De voorzitter heeft tijdens het onderzoek onder meer melding gemaakt van voornoemde appelschriftuur. Verder heeft hij medegedeeld “dat de zaak bepaald is aangehouden van de zitting van 3 juni 2022 op verzoek van de verdediging en dat in overleg de zaak vandaag behandeld zou worden”.
Het middel
14. Het middel behelst de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep buiten aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw heeft plaatsgehad, zulks terwijl bij de verdachte en zijn raadsvrouw het vertrouwen is gewekt dat de zaak niet op de in de dagvaarding genoemde datum inhoudelijk zou worden behandeld. De dagvaarding maakte er namelijk slechts melding van dat de zitting een zogenoemde ‘rolzitting’ betrof. Verder kan volgens de steller van het middel niet worden aangenomen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
De beoordeling van het middel
15. Het komt bij de beoordeling van het middel in de kern neer op de vraag of het gegeven dat de dagvaarding voor de zitting van 10 juni 2022 vermeldt dat de zaak op voornoemde dag (gegeven dat grieven zijn ingediend) niet inhoudelijk zal worden behandeld, eraan in de weg staat dat het hof de zaak, anders dan de term ‘rolzitting’ doet vermoeden, alsnog inhoudelijk behandelt.
16. Deze vraag dient m.i. bevestigend te moeten worden beantwoord. Ik leg uit waarom. Uit de hiervoor weergegeven correspondentie tussen de strafgriffie van het hof en (de secretaresse van) de raadsvrouw van de verdachte blijkt niet (uitdrukkelijk) dat de zaak inhoudelijk zou worden behandeld op de zitting van 10 juni. Bovendien wordt in (de algemene, begeleidende tekst bij) de dagvaarding expliciet melding gemaakt van de term “ROLZITTING”, aangevuld met de boodschap dat “deze zitting is bedoeld om u in de gelegenheid te stellen alsnog uw bezwaren op te geven tegen het vonnis, waarna de behandeling van uw strafzaak direct zal worden aangehouden tot een nadere datum waarop uw strafzaak inhoudelijk behandeld zal worden”, alsmede de boodschap dat “tijdens de behandeling niet de mogelijkheid [bestaat] om inhoudelijk op uw strafzaak in te gaan of om onderzoekswensen naar voren te brengen.” Op basis van (de algemene, begeleidende tekst bij) de dagvaarding heeft de raadsvrouw van de verdachte een appelschriftuur ingediend en heeft de verdachte c.q. zijn raadsvrouw de verwachting kunnen bekomen dat de zaak niet op de genoemde datum inhoudelijk zou worden behandeld. Dat in eerste instantie een dagvaarding voor een (inhoudelijke) terechtzitting is uitgevaardigd en dat het proces-verbaal van de zitting d.d. 3 juni melding maakt van de beslissing van het hof “dat het onderzoek wordt geschorst tot de terechtzitting van 10 juni 2022 te 12.30 uur” (onderstreping mijnerzijds) doen daar m.i. niet aan af. Immers, als de mogelijkheid bestaat c.q. openblijft dat de verdachte het aanwezigheidsrecht niet heeft uitgeoefend vanwege een onzorgvuldigheid van (dan wel een misverstand waarvan het ontstaan voor een significant deel is te wijten aan) overheidsinstanties,4.dan dient het bestreden arrest te worden vernietigd en moet de zaak worden teruggewezen, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
17. Gelet op het grote (verdragsrechtelijk beschermde) belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het vorenoverwogene mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
Slotsom
18. Het middel slaagt.
19. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, is overschreden. Gelet op de door mij voorgestane vernietiging en terugwijzing, hoeven hieraan echter op dit moment geen consequenties te worden verbonden. Wanneer de Hoge Raad niet zou komen tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof, dan kan, vanwege de toepassing van artikel 9a Sr en de oplegging van een bijkomende straf, worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
20. Ik heb ambtshalve geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑09‑2024
Een kopie van de dagvaarding, met eveneens dagtekening d.d. 6 april 2022, is naar de raadsvrouw van de verdachte gezonden. Deze kopie bevat dezelfde algemene, begeleidende tekst.
Het procesdossier bevat (ook) een ondertekende “Kopie” met eveneens de datumaanduiding “20 april 2022”.
Hierbij zij opgemerkt dat uit het proces-verbaal van de zitting d.d. 10 juni 2022 (slechts) volgt dat de raadsheer heeft medegedeeld “dat de zaak bepaald is aangehouden van de zitting van 3 juni 2022 op verzoek van de verdediging en dat in overleg de zaak vandaag behandeld zou worden”. Uit het proces-verbaal volgt niet dat het hof zich heeft ingespannen om verder, nader onderzoek te verrichten naar de afwezigheid van de verdachte en/of zijn raadsvrouw vanwege perikelen die samenhangen met (de betekening van c.q. de algemene, begeleidende tekst bij) de dagvaarding. Uit de stukken volgt evenmin dat de verdachte vrijwillig afstand zou hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.