Einde inhoudsopgave
E-arbitrage (BPP nr. VI) 2009/1.12
1.12 Commissie fundamentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht
Mr. J.P. Fokker, datum 04-05-2009
- Datum
04-05-2009
- Auteur
Mr. J.P. Fokker
- JCDI
JCDI:ADS400261:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Een nieuwe balans, Interim-rapport Fundamentele herbezinning Nederlands burgerlijk procesrecht Boom 2003, p. 232 e.v. In haar Eindrapport ('Uitgebalanceerd') voegt de commissie niets toe wat voor dit onderwerp van belang is.
M. Cappelletti: Procédure orale et procédure écrite, Milano: Giufrè, 1971, p. 95.
In zijn proefschrift 'E-justice, Beginselen van behoorlijke elektronische rechtspraak' (Sdu uitgevers 2007, ISBN 9789012119757) schetst Ronald van den Hoogen hoe de rechterlijke procedure in steeds grotere mate wordt ondersteund door toepassingen van ICT. Bij sommige rechtbanken wordt geëxperimenteerd met het digitaal indienen van processtukken. Hier en daar wordt gewerkt met video-conferencing, het horen van personen via videoverbinding. Ook de toegankelijkheid van de rechtspraak wordt vergroot door ICT, zoals door de website rechtspraak.nl, waarop veel informatie over de rechterlijke organisatie en over rechterlijke uitspraken is te vinden. Van den Hoogen formuleert 16 beginselen van behoorlijke elektronische rechtspraak: 1. Continuïteit (er bestaat een verplichting om gecontinueerd gebruik te (laten) maken van ICT als een informatierelatie wordt aangegaan met derden, die erop mogen vertrouwen dat deze relatie in stand blijft); 2. Nevenschikking voor niet-professionals (geen verplichtingen voor burgers, wel voor professionals); 3. Vindbaarheid van gegevens (elektronische gegevens die de toegang tot de rechter vergemakkelijken dienen toegankelijk, vindbaar, begrijpelijk en actueel te zijn); 4. Bestendigheid (betreft het gebruik van standaarden en voor iedereen beschikbare technologie); 5. Betrouwbaarheid (gegevens zijn niet gemanipuleerd, niet van een ander afkomstig dan vermeld en niet toegankelijk voor personen voor wie zij niet bestemd zijn); 6. Persvrijheid en privacybescherming; 7. Publieke inzichtelijkheid; 8. Online publicatie; 9. Anonimisering; 10. Voortvarendheid (zaken dienen voortvarend te worden behandeld, rekening houdend met de mogelijkheden die ICT biedt); 11. Ketenregie (informatie-uitwisseling tussen de rechter en professionele partijen zoveel mogelijk elektronisch); 12. Verantwoordelijkheid (de rechter is verantwoordelijk voor de beslissing, ook al is deze met behulp van ICT genomen); 13. Transparantie (openbare beslisprogramma's); 14. Het geautomatiseerde oordeel (computerrechtspraak dient in eenvoudige gevallen mogelijk te zijn); 15. Kenbaarheid (het gebruik van ICT kan ertoe leiden dat de rechter zijn uitspraak beter, met verwijzing naar beslissingsondersteunende systemen, kan motiveren); 16. Gelijkwaardigheid (beide partijen dienen op gelijke wijze toegang te hebben tot en gebruik te kunnen maken van toepassingen van ICT in de rechtszaal). Sommige van deze beginselen, zoals de nummers 1, 4, 5, 10, 11 en 16 zijn ook bij arbitrage van belang. Zie voor een aankondiging van het proefschrift NJB 11 mei 2007, nr. 19, p. 1211 en een bespreking van het proefschrift door mr. M. van Opijnen, die o.a. terecht kritiek levert op beginsel 12, voor zover dat ervan uitgaat dat het de wetgever is die de beslissingsondersteunende systemen vaststelt; het hoort inderdaad de rechter te zijn die het beslissingsondersteunend systeem vaststelt (TREMA, mei 2007).
In het interim-rapport van de Commissie Fundamentele Herbezinning1 wordt gepleit voor een ruime toepassing van ICT in rechtspraak. Op het terrein van de elektronische informatie- en communicatietechnologie kan het civiele proces niet achterblijven. Daarbij denkt de commissie aan contact tussen partijen en rechter per email, mondelinge behandeling via videoconferencing, het elektronisch indienen van processtukken en het vastleggen van wat op een zitting wordt verhandeld. De auteurs citeren het informatiebeleidsplan rechtspraak 2005, waarin de Nederlandse gerechten anno 2005 worden geschetst: de kwaliteit van de rechtspraak is verbeterd, kennis is toegankelijk, zoekmachines zijn beschikbaar. Discussie met collega's via het gerechtelijke intranet is voor de thuis met zijn draagbare PC werkende rechter, ingelogd op het netwerk van de zittende magistratuur, een vanzelfsprekendheid. Dossiers zijn gedigitaliseerd, niks geen zware tassen meer. De afstand tot de burger is kleiner: deze kan de rechterlijke organisatie via het internet benaderen.
Het interim-rapport is verschenen in 2003. Deels is deze toekomstvisie een paar jaren later al gerealiseerd: de rechter heeft, al dan niet thuis, met zijn computer toegang tot het landelijk gerechtelijk netwerk, waar e-mail andere communicatievormen naar de kroon steekt en waar de vakkennis digitaal toegankelijk is. Daarbij wordt gebruik gemaakt van beveiligde verbindingen tussen het gerecht en de werkplek van de rechter die elders met zijn PC bezig is.
Alleen de dossiers zijn nog niet gedigitaliseerd, al wordt daaraan gewerkt. Grote 'repeatplayers' als telecommunicatiebedrijven leveren bij sommige rechtbanken nu al grote hoeveelheden incassovorderingen digitaal in.
Bij de bespreking van de wijziging van art. 33 Rv (zie 2.16) meer aandacht voor dit onderwerp.
De Commissie vraagt er wel aandacht voor dat naarmate de technologische vernieuwingen sneller gaan, de beschrijving van de communicatiemiddelen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering globaler zal moeten zijn, willen de wijzigingen niet bij voortduring achter de feiten aanhollen. Elektronische procesvoering als beeldbepalend beschouwen voor de toekomst en de regelgeving in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitsluitend daarop afstemmen, zou de grote vlucht naar voren zijn, aldus de Commissie, die de waarschuwende woorden van Cappelletti2 in het achterhoofd houdt: 'Comme toujours, l'analyse des problèmes de la justice, se tourne vers les hommes qui l'administrent'.
Dit standpunt sluit aan bij de in 1998 in de Nota Wetgeving voor de elektronische snelweg (WES) geformuleerde gedachte van de Nederlandse regering wetsbepalingen zoveel mogelijk van de technologie onafhankelijk te formuleren. Deze gedachte keert terug in wetgeving die daarna tot stand is gekomen, zoals in de nieuwe afdeling over verkeer langs elektronische weg in de Awb (zie 2.15) en in het al genoemde nieuwe art. 33 Rv.
Intussen wordt in de rechtswetenschap nagedacht over de vraag welke beginselen bij elektronische rechtspraak in acht genomen moeten worden.3