Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/8.8
8.8 Herkwalificatie als alternatief voor achterstelling
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS406890:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Wilton & Moeller-Sally 2007, p. 1257 en Nozemack 1999.
Norton 2004, p. 2.
Deze test is gelijk aan de tweede vorm van onderkapitalisatie bij equitable subordination zoals geformuleerd in Mobile Steel. Opvallend genoeg is voor equitable subordination echter meer nodig dan alleen onderkapitalisatie, terwijl herkwalificatie volgens het Court of Appeals (11th Cir.) wél mogelijk is louter op basis van het gegeven dat de vennootschap was ondergekapitaliseerd.
Skeel & Krause-Vilmar 2006, p. 267.
De doctrine van achterstelling van vorderingen heeft de nodige vragen en onduidelijkheden meegebracht. Dit heeft de Amerikaanse faillissementsrechters er echter niet van weerhouden om de zaken verder te compliceren door de introductie van een nieuw leerstuk: de herkwalificatie van vorderingen (recharacterization). Curatoren die trachten een hen onwelgevallige vordering van een aandeelhouder achter in de verificatierij te plaatsen, baseren zich tegenwoordig vaker op recharacterization dan op equitable subordination. Deze keuze wordt met name ingegeven door het feit dat een aantal rechters voor recharacterization geen inequitable conduct van de aandeelhouder vereist; volgens deze rechtspraak betreft het een ‘no-fault’ leerstuk.1 Een door een aandeelhouder verstrekte lening wordt geherkwalificeerd omdat deze de facto een kapitaalstorting blijkt te zijn; de aandeelhouder wordt niet gestraft vanwege inequitable gedrag, de juridische werkelijkheid wordt louter in overeenstemming gebracht met de economische werkelijkheid, zo is de gedachte. Rechters gaan over tot recharacterization als een curator stelt en bewijst dat een lening eigenlijk een kapitaalstorting is. Er is in dat geval simpelweg nimmer een lening verstrekt en daarom ook geen vordering.
Norton merkt hierover op: “When a bankruptcy court “recharacterizes” debt, it essentially causes such debt (or at least something the parties to the transaction characterized as debt) to be converted into equity. Unlike an equitable subordination analysis, in which courts determine whether a legitimate claim should be subordinated to that of other creditors due to a creditor’s inequitable conduct, a recharacterization analysis involves determining whether a debt actually exists.”2
Helaas blijkt ook hier de praktijk aanzienlijk weerbarstiger dan de theorie. De hamvraag blijft immers wanneer een lening de facto een kapitaalstorting is. Inmiddels kunnen er tenminste drie verschillende doctrines worden onderscheiden in de Amerikaanse jurisprudentie. Het Court of Appeals (11th Cir.) hanteert een vrij heldere test waarbij aandeelhoudersleningen worden geherkwalificeerd als kapitaal indien ten tijde van de kredietverstrekking een onafhankelijke derde het krediet niet (tegen vergelijkbare voorwaarden) had willen verstrekken.3 De Courts of Appeals van het derde, vierde, zesde en tiende district hanteren echter veel vager geformuleerde ‘multi-factor tests’ die doen denken aan de rechtspraak inzake veil piercing. En het Court of Appeals (9th Cir.) heeft overwogen dat bankruptcy courts überhaupt geen bevoegdheid hebben om tot de herkwalificatie van aandeelhoudersvorderingen over te gaan.
Er kan dus moeilijk worden gesproken van een coherente doctrine. Skeel en Krause-Vilmar geven aan dat het verschil tussen achterstelling en herkwalificatie in de praktijk veel kleiner is dan de theorie doet vermoeden. Bij de beantwoording van de vraag of een lening dient te worden geherkwalificeerd als een kapitaalstorting, achten veel rechters het gedrag van de aandeelhouder toch wel degelijk relevant.
Skeel en Krause-Vilmar overwegen: “[T]he line between equitable subordination and recharacterization is not quite so pristine as the cases suggest. Inequitable behavior is not a prerequisite for recharacterization – in theory, the question is simply: was the shareholder’s capital infusion a loan or a contribution to capital? – yet courts’ sense of the propriety of the shareholder’s behavior seems to influence their decision whether to recharacterize.”4