Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/8.3.3
8.3.3 Zekerheidsoverdracht van vorderingen en aandelen
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264388:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw was de heersende opvatting dat de pandhouder bevoegd was de verpande vordering (hoofdsom) te innen. Zie onder meer: Asser/Scholten 1933, p. 425-427; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 112-115; Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 147-148. Daarvoor was deze kwestie omstreden. Zie o.a. HR 18 januari 1889, W 5666 (Roest/Van Raalte); HR 25 februari 1898, W 7090 (Berkemeijer/Seignette); HR 19 januari 1928, NJ 1928/481, m.nt. P. Scholten (Klaverwijden/De Roon); Opzoomer 1879, p. 592-593; Lioni 1885, p. 255 en 259-260; Diephuis 1886, p. 557-559; De Kat 1921, p. 269; Asser/Scholten 1933, p. 425-427; Suijling 1940, nr. 563; Hofmann 1944, p. 446-448; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 112-115; Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 147-148; Van Hoof 2016, p. 146; Hofmann 1944, p. 448; Zwalve 1983, p. 716; Van Hoof 2016, p. 146.
HR 24 februari 1911, W 9145 (Numann/Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen); De Kat 1921, p. 254-255; Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 128; Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 188.
HR 17 juni 1960, NJ 1962/60 (Helmig/Smit); Vgl. Land 1902, p. 335-337.
Asser/Van Oven 3-III 1978, p. 128; Asser/Mijnssen & Van Velten 3-III 1986, nr. 194.
Vgl. Hamaker 1911, p. 331-335. De bevoegdheden die volgens Hamaker dienden toe te komen aan de pandhouder van vorderingen, kwamen in de praktijk toe aan de zekerheidscessionaris.
Meilink 1898, p. 76; De Kat 1921, p. 282-283; Van der Heijden/Van der Grinten 1968, nr. 184.
Meilink 1898, p. 76-77; De Kat 1921, p. 282-283; Van der Heijden/Van der Grinten 1968, nr. 184.
Van der Heijden/Van der Grinten 1968, nr. 184.
Van der Heijden/Van der Grinten 1968, nr. 179; Schuijling 2016, p. 302-305. Over verbruikleen van effecten (ook wel aangeduid als belening of prolongatie), zie Suijling 1940, nr. 565-570; Van der Heijden/Van der Grinten 1968, nr. 184. Verbruikleen van effecten gold als (zekerheids)overdracht van deze effecten.
Van der Heijden/Van der Grinten 1968, nr. 184.
Er bestond discussie over het antwoord op de vraag welke bevoegdheden nog meer toekwamen aan de pandhouder van vorderingen. In het bijzonder was onduidelijk of de pandhouder bevoegd was de hoofdsom van de verpande vordering te innen, en welke middelen hij hiertoe kon aanwenden.1 De voor verpanding vereiste mededeling was bovendien hinderlijk voor schuldenaren. Het was in hun belang om de verpanding van hun vorderingen zo lang mogelijk stil te houden. Om deze redenen gaf de financieringspraktijk de voorkeur aan de fiduciaire cessie van vorderingen, in plaats van verpanding. Anders dan de vestiging van een pandrecht was voor de geldigheid van een cessie geen mededeling vereist.2 Bovendien was onbestreden dat bij cessie alle schuldeisersbevoegdheden toekwamen aan de zekerheidscessionaris. De gecedeerde vordering viel volledig in het vermogen van de zekerheidsgerechtigde.3 Dit betekende dat de zekerheidsgerechtigde – na mededeling aan de debitor cessus – bevoegd was de vordering (rente en hoofdsom) te innen en door opzegging opeisbaar kon maken.4 Hij was voorts bevoegd tot kwijtschelding en verrekening.5 Doordat de zekerheidscessionaris de rente van de gecedeerde vordering kon innen, was hij gerechtigd tot de burgerlijke vruchten van het zekerheidsobject.
In de praktijk was ook de zekerheidsoverdracht van aandelen gangbaar. Grote kredietinstellingen gaven de voorkeur aan zekerheidsoverdracht boven de verpanding van aandelen.6 Door een zekerheidsoverdracht gingen alle aandeelhoudersbevoegdheden over op de zekerheidsgerechtigde; niet alleen de bevoegdheid tot het innen van dividend.7 Dit betekende dat de zekerheidsgerechtigde bijvoorbeeld bevoegd was om het stemrecht uit te oefenen. Naast alle aandeelhoudersbevoegdheden gingen ook de verplichtingen van de aandeelhouder over op de zekerheidsgerechtigde. In dit verband kan gedacht worden aan de verplichting tot volstorting van een aandeel.8 Anders dan bij de overdracht van vorderingen of roerende zaken, kon de overdracht van aandelen op naam niet stil geschieden. De levering van een aandeel op naam geschiedde immers door betekening van een akte aan de vennootschap, of door schriftelijke erkenning van de overdracht door de vennootschap.9
De ‘zekerheidseigenaar’ van de aandelen was verplicht om rekening en verantwoording af te leggen over de wijze waarop hij zijn aandeelhoudersbevoegdheden had uitgeoefend. Dit betekende dat de zekerheidseigenaar aansprakelijk was als hij onredelijk de belangen van de overdrager had geschaad, bijvoorbeeld door een claimrecht niet uit te oefenen of te gelde te maken.10