Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/19.2
19.2 Vrijheid in de keuze van leermiddelen
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS452801:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vermeulen 1999, p. 57.
Handelingen II 1916/17, 32, p. 669-695.
Wet Basisonderwijs Stb. 1992, 270, zie Kamerstukken II 1990/91, 20 381, nr. 141, p. 17.
Zie voor Kamervragen over de ontheffing voor het bijzonder onderwijs om zich te conformeren aan de kerndoelen: Kamerstukken II 1990/91, 20 381, nr. 40, p. 4.
Aanhangsel Handelingen II 1994/95, 1120. Zie ook Mentink, TvRRB 2010-3, p. 55.
In 2005 ontstond ook ophef over de sympathiserende houding van toenmalig minister Van der Hoeven ten aanzien van de theorie Intelligent Design (ID). Zie o.a. Aanhangsel Handelingen II 2004/05, 1584.
Onder de vrijheid om leermiddelen te kiezen, moet de vrijheid van een bijzondere school worden verstaan om te bepalen welke boeken en informatiemiddelen zij gebruikt in het onderwijs. Volgens Vermeulen moet de term leermiddelen ruim worden uitgelegd. Hieronder vallen volgens hem ook de pedagogische en didactische middelen die direct met de richting van de school samenhangen.1 De reikwijdte van deze vrijheid is in de parlementaire geschiedenis geen discussiepunt geweest.2 Wel is in het verleden herhaaldelijk de vraag aan de orde geweest hoe de vrijheid in de keuze van de eigen leermiddelen zich verhoudt met de deugdelijkheidseisen die de overheid op grond van artikel 23 lid 6 Grondwet aan het onderwijs mag stellen. Sinds de jaren ‘90 van de vorige eeuw hebben deze deugdelijkheidseisen onder andere de vorm van kerndoelen die in het onderwijs verwezenlijkt moeten worden. In artikel 9 Wet primair onderwijs (WPO) staan de onderwerpen waarvan deze kerndoelen worden afgeleid, zoals rekenen, taal, geschiedenis etc. Met artikel 9 WPO lid 7 (het huidige lid 10) heeft de wetgever een substitutieregeling voor het bijzonder onderwijs tot stand gebracht op grond waarvan bijzondere scholen, indien er ernstige bedenkingen zijn tegen de door de overheid vastgestelde kerndoelen, zelf kerndoelen kunnen vaststellen. Daarbij stelt de wetgever wel de eis dat die kerndoelen gelijkwaardig zijn aan die van de overheid.3
Bij de totstandkoming van de substitutieregeling werd in het parlement gediscussieerd over de mogelijkheid van bijzondere scholen om eigen kerndoelen te stellen in plaats van de door de overheid geformuleerde kerndoelen (substitutie). Enerzijds waren er Kamerleden die deze substitutieregeling wilden beperken tot de leerdoelen met betrekking tot staatsinrichting en geschiedenis,4 anderzijds waren er Kamerleden die meenden dat het concept kerndoelen, los van een op te nemen substitutieregeling, indruist tegen de grondwettelijke vrijheid van bijzondere scholen om zelf hun leermiddelen te kiezen. De regering meende destijds dat de overheid (of de gemeenschap) in beginsel van al haar burgers en ook minderheden mag vragen om zich in het onderwijs te conformeren aan een minimum aantal kerndoelen. Alleen indien het bevoegd gezag van een bijzondere school ernstige bedenkingen had tegen een kerndoel kon het hiervoor een vervangend kerndoel in de plaats stellen.5 Nadien is nog verscheidene keren gediscussieerd over de verhouding tussen de deugdelijkheidseisen en de vrijheid om eigen leermiddelen te kiezen. Zo ontstond in de jaren ‘90 van de vorige eeuw de discussie of de evolutietheorie van Darwin als kerndoel van het vak biologie getoetst moest worden op het schriftelijk examen voor havo en vwo.6 De vraag was toen of een dergelijke deugdelijkheidseis niet inging tegen de vrijheid van het bijzonder onderwijs om haar eigen leermiddelen te kiezen.7
De substitutieregeling van artikel 9 lid 10 WPO kan men zien als de impliciete kwalificatie van het kiezen van leermiddelen als een mogelijke godsdienstige uiting of gedraging. De wetgever geeft hiermee in navolging van de grondwetgever aan dat het kiezen van leermiddelen valt onder de inrichtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs en in sommige gevallen kan deze zwaarder wegen dan de deugdelijkheidseisen van de overheid. In theorie kan de keuze voor bepaalde leermiddelen voor de rechter resulteren in de vraag of deze keuze voortvloeit uit de godsdienstige grondslag van de school. Indien de rechter deze vraag zou beantwoorden aan de hand van de statuten van de betreffende school is er sprake van een subjectiverende kwalificatie . In praktijk is deze kwestie niet aan de orde. Vooralsnog is hierover geen jurisprudentie.