Einde inhoudsopgave
Open normen in het huurrecht (R&P nr. VG11) 2019/3.2.4.1
3.2.4.1 De precontractuele fase (totstandkoming)
J.Ph. van Lochem, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
J.Ph. van Lochem
- JCDI
JCDI:ADS499916:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie bij HR 15 november 1957, ECLI:NL:HR:1957:AG2023, NJ 1958/67.
HR 18 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4405, NJ 1983/723.
Zie over het verschil tussen het criterium ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’ en het criterium ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ Tjittes, Themis 2016-5, p. 240. Hij spreekt over het handelen ‘in strijd met de redelijkheid en billijkheid’ (de tweede fase) als een minder strenge maatstaf dan de onaanvaardbaarheid die in de derde fase van toepassing is.
Aan het voorgaande kan nog de situatie worden toegevoegd, zoals beschreven door Brunner (Brunner 1992), dat een partij reeds heeft besloten de overeenkomst niet te zullen sluiten, maar nalaat de andere partij daarvan op de hoogte te stellen, na welk moment de andere partij nog kosten maakt. Deze situatie valt onder het bereik van de onrechtmatige daad die leidt tot een schadevergoedingsplicht.
Zowel Brunner (Brunner 1992) als Pels Rijcken (Pels Rijcken 1979) geven aan dat het terugtrekken op zich in deze fase niet onrechtmatig is, indien de kosten van de andere partij worden vergoed. Laat de terugtrekkende partij dit na, dan is het handelen als onrechtmatig aan te merken.
Arrest van Hof Arnhem 5 april 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:BA5453 (NJ 2007/268), in stand gelaten in cassatie, zie HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ2721.
HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337. In punt 8 van de conclusie bij dit arrest worden ook de arresten van de Hoge Raad met betrekking tot de precontractuele fase besproken die zijn gewezen in de periode na Plas/Valburg tot aan dit arrest.
HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, r.o. 3.7. In 1996 heeft de Hoge Raad al verduidelijkt dat voor de vraag of het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is ook van belang is of en hoe de terugtrekkende partij heeft bijgedragen aan het ontstaan van het gerechtvaardigd vertrouwen bij de andere partij (HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105).
Ruygvoorn, Contracteren, 2011-2, p. 39.
Blei Weissmann, in: GS Verbintenissenrecht, artikel 6:217 BW, aantekening 1.81.1.
Zo ook Ruygvoorn (Ruygvoorn 2005, p. 39-40).
Hartlief, Ars Aequi 2005/12, p. 1034.
Hartlief en Tjittes, NJB 2005/31, p. 1606.
Ruygvoorn, Contracteren, 2011-2. Ruygvoorn laat zich genuanceerd uit over de tweede fase. Hij neemt er niet volledig afstand van, maar concludeert na een weergave van diverse voor- en tegenstanders van het standpunt dat de tweede fase niet meer bestaat, dat in de kern mogelijk sprake is van een definitiekwestie. Partijen lijken het eens te zijn over de mogelijke vergoedingen, maar plakken er een ander etiket op (Ruygvoorn 2009, p. 121-122).
Hof Leeuwarden 1 februari 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BP7319.
HR 18 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4405, NJ 1983/723.
Van Rossum concludeert na het bespreken van diverse uitspraken die de precontractuele fase als onderwerp hebben, dat gerechtvaardigd vertrouwen niet snel wordt aangenomen en dat dit een uitvloeisel is van de contractsvrijheid (Van Rossum, WPNR 02/6472, p. 85).
Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5156.
HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6755.
Waartoe ook de gederfde winst uit een misgelopen contract met een derde kan behoren, indien men dat contract heeft laten schieten gelet op de lopende onderhandelingen en de verwachte uitkomst daarvan (Sieburgh 2018 (Asser/Sieburgh 6-III 2018/197)).
Zie ook Wolters, Ars Aequi 2015/06, p. 475-479.
HR 24 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1890, NJ 1996/162. Zie hierover ook Van Rossum, WPNR 02/6472, p. 83.
Uit de rechtspraak volgt dat de redelijkheid en billijkheid ook van invloed is op de precontractuele fase, derhalve voordat partijen de door hen (in ieder geval op enig moment) beoogde overeenkomst hebben gesloten.
De Hoge Raad heeft in 1957 een arrest over die precontractuele fase gewezen (bekend als Baris/Riezenkamp), overwegende:
‘dat immers partijen, door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst, tot elkaar komen te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste, rechtsverhouding, medebrengende, dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij;’1
In de onderhandelingsfase geldt derhalve in de verhouding tussen partijen al de goede trouw, de voorloper van de later gecodificeerde redelijkheid en billijkheid.
Dat die goede trouw dusdanig kan werken dat het terugtrekken uit de onderhandelingsfase onder omstandigheden niet zonder meer kan, volgt uit het in 1982 door de Hoge Raad gewezen arrest, bekend als Plas/Valburg.2
De Hoge Raad overweegt onder meer (r.o. 3.4) dat niet is uitgesloten:
‘dat onderhandelingen over een overeenkomst in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken zelf van die onderhandelingen onder de gegeven omstandigheden als in strijd met de goede trouw moet worden geacht, omdat pp. over en weer mochten vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren. In zo een situatie kan er ook plaats zijn voor een verplichting tot vergoeding van gederfde winst’.
De bewoording ‘in strijd met de goede trouw’ maakt niet geheel duidelijk met welke werking van de later uitgedachte redelijkheid en billijkheid de vergelijking moet worden getrokken. In eerste instantie lijkt dit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid te zijn (zie paragraaf 3.2.4.3).3
Ten aanzien van de mogelijke vergoeding die aan de orde is bij het afbreken van onderhandelingen overweegt de Hoge Raad (r.o. 3.5):
“Wanneer de gemeente na 9 jan. 1975 niet meer uit de onderhandelingen mocht terugtreden, valt echter niet in te zien waarom een handelen in strijd daarmede haar niet zou kunnen verplichten tot vergoeding van reeds voor 9 jan. 1975 in het kader van de voorafgaande onderhandelingen gemaakte kosten.
Een verplichting daartoe zou zelfs kunnen bestaan, als de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zouden zijn geraakt dat de gemeente te goeder trouw die onderhandelingen niet meer had mogen afbreken, maar reeds wel in een stadium dat zulk afbreken haar in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door Plas gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen.”
Uit het arrest Plas/Valburg volgt derhalve dat de onderhandelingen (bijvoorbeeld over een beoogde huurovereenkomst) uit verschillende stadia bestaan. De redelijkheid en billijkheid leidt ertoe dat er voor partijen steeds minder ruimte is om zich zonder consequenties terug te trekken uit de onderhandelingen naarmate de stadia dichter zijn gelegen bij het sluiten van de (huur)overeenkomst.
Gedurende een eerste fase staat het partijen vrij zich terug te trekken zonder dat daaraan gevolgen zijn verbonden. Indien de onderhandelingen in een stadium zijn waarin de partij die de onderhandelingen verbreekt niet zonder meer uit de onderhandelingen mag terugtreden, dient een schadevergoeding te worden voldaan aan de andere partij. Het niet aangaan van de overeenkomst (maar, zoals de situatie in het arrest Plas/Valburg, het onrechtmatig gunnen van het werk aan een derde) is dan in strijd met de goede trouw (de redelijkheid en billijkheid) en rechtvaardigt de schadevergoeding.4
Tussen de hiervoor beschreven twee stadia (het staat beide partijen vrij zonder gevolgen uit de onderhandelingen te stappen en terugtrekking uit de onderhandelingen mag niet meer zonder gevolgen), beschrijft de Hoge Raad nog een onderhandelstadium. Het betreft de fase (later in de literatuur ook wel aangeduid als ‘de tweede fase’) waarin de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zijn, dat terugtrekken in strijd met de goede trouw (lees: de redelijkheid en billijkheid) is, maar de onderhandelingen wel dusdanig ver gevorderd zijn dat de ruimte van partijen zodanig is ingeperkt dat het afbreken daarvan niet is geoorloofd zonder de door de andere partij gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk te vergoeden.5
Een dergelijke situatie deed zich volgens Hof Arnhem voor toen de huurder (ABN AMRO), na ruim drie jaar onderhandelingen te hebben gevoerd over een huurovereenkomst voor een te ontwikkelen pand, zich terugtrok. Het hof overweegt:
“6.1 […] De onderhandelingen en besprekingen tussen partijen hadden zich over een reeks van jaren voortgesleept. Er waren ernstige vertragingen opgetreden en, hoewel die in de risicosfeer van Planoform lagen, had ABN AMRO er nooit eerder aanleiding in gezien de onderhandelingen af te breken en zij had zelfs nooit aangekondigd dat bij een bepaalde vertraging te zullen doen.
De contacten tussen partijen hadden de strekking in een overeenkomst uit te monden en ABN AMRO wist dat Planoform kosten maakte en verplichtingen aanging om het daarheen te leiden. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter (een oordeel dat trouwens in geen enkele grief uitdrukkelijk wordt bestreden) dat na ommekomst van een eerste periode van verkennende besprekingen de verdere gang van zaken zich niet in een blijvend vrijblijvende sfeer heeft afgespeeld. Ook gaat het hof af op de constatering van de kantonrechter dat ter comparitie door ABN AMRO is toegegeven dat het afbreken der onderhandelingen mede door veranderde beleidsstandpunten bij haar organisatie was ingegeven.
[…]
6.2
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat, nu ABN AMRO gebruik maakte van haar recht om van de zo langdurig en vergaand voorbereide overeenkomst toch af te zien, redelijkheid en billijkheid eisten dat zij zich de belangen van Planoform had aangetrokken door haar de gemaakte kosten te vergoeden.”6
In het arrest aangeduid als JPO/CBB7 wordt overwogen dat het toekennen van een schadevergoeding bestaande uit het positieve contractsbelang terughoudend moet plaatsvinden. Dit vanwege de maatstaf dat het terugtrekken uit de onderhandelingen, mede vanwege het gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de andere contractspartij dat een overeenkomst tot stand zou komen, onaanvaardbaar moet zijn.8 Daar beweegt de maatstaf van de redelijkheid en billijkheid zich naar de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:2 lid 2 BW): een partij heeft het recht zich terug te trekken totdat de grens wordt bereikt dat dit onaanvaardbaar is.
Overigens bestaat inmiddels onduidelijkheid over de vraag of de tweede fase nog wel bestaat. Het arrest Plas/Valburg is het enige arrest, waarin de Hoge Raad de tweede fase zo expliciet beschrijft. Daarna spreekt de Hoge Raad enkel nog over het verschil tussen het zich zonder gevolgen kunnen terugtrekken en de gevallen waarin dit laatste onaanvaardbaar zou zijn. Ruygvoorn stelt de vraag al direct in de titel van zijn artikel ‘Bestaat de ‘tweede fase’ uit Plas/Valburg nog?’9. Ook Blei Weissmann bespreekt in de Groene Serie Verbintenissenrecht10 de kwestie of de tweede fase nog wel bestaat.
Mede omdat in het arrest JPO/CBB uitsluitend over de eerste fase (terugtrekken is zonder gevolg mogelijk) en derde fase (terugtrekken is onaanvaardbaar) wordt gesproken, zijn diverse auteurs van mening dat de Hoge Raad bewust afstand heeft gedaan van een mogelijke tweede fase. Tegenstanders van deze opvatting brengen naar voren dat de vraag die voorlag in het arrest JPO/CBB zag op de derde fase. Dan behoeft bespreking van de tweede fase niet plaats te vinden.11 Uit het feit dat de tweede fase niet aan de orde komt, zou dan geenszins de conclusie kunnen worden verbonden dat de Hoge Raad afstand heeft gedaan van het bestaan van een tweede fase. Hartlief beantwoordt de vraag in een noot onder het voornoemde arrest als volgt:
“Is met het verdwijnen van Plas/Valburg van het hoogste podium dan ook de zogenoemde ‘tweede fase’ van de baan: het geval dat afbreken weliswaar vrijstaat, doch (bepaalde) kosten geheel of gedeeltelijk moeten worden vergoed? Het antwoord luidt ontkennend, zij het dat men daarbij dan goed in het oog moet houden, dat het hier gaat om nogal specifieke gevallen.”12
Hartlief geeft als voorbeeld het geval waarin ondanks gerechtvaardigd vertrouwen een goede reden bestaat voor het afbreken van onderhandelingen. Dan kan volgens Hartlief een vorm van kosten- of schadevergoeding aan de orde zijn. Hier voegt hij in een voetnoot aan toe dat de door hem genoemde voorbeelden van de specifieke gevallen niet passen in het ‘schema dat de Hoge Raad hanteert in Plas/Valburg (afbreken staat vrij mits kosten worden vergoed; aansprakelijkheid is aan de orde wanneer kostenvergoeding uitblijft). Deze constructie is naar mijn idee wel van de baan.’
Kort voor de voornoemde publicatie verscheen een artikel van de hand van Hartlief en Tjittes, waarin nog duidelijker afstand wordt genomen ten aanzien van de tweede fase:
“De vraag blijft welke betekenis nog toekomt aan het cryptische zinnetje in het arrest Plas/Valburg dat ‘als de onderhandelingen nog niet in een zodanig stadium zouden zijn geraakt dat de gemeente te goeder trouw die onderhandelingen niet meer had mogen afbreken, maar reeds wel in een stadium dat zulk afbreken haar in de gegeven omstandigheden niet meer zou hebben vrijgestaan zonder de door Plas gemaakte kosten geheel of gedeeltelijk voor haar rekening te nemen’. Wat ons betreft heeft die zinsnede, die lijkt op de constructie van de rechtmatige overheidsdaad (aansprakelijkheid als geen schadevergoeding wordt aangeboden), geen betekenis meer en is de enige toetssteen (afgezien van onzorgvuldigheid als de vordering op een onrechtmatige daad wordt gebaseerd) de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechtsgevolgen daarvan kunnen gedifferentieerd zijn (vergoeding van kosten, gederfde winst of dooronderhandelen).”13
Zoals Ruygvoorn terecht naar voren brengt, wordt de tweede fase nog wel gehanteerd in de ‘lagere’ rechtspraak (rechtbanken en gerechtshoven).14 Als voorbeeld wordt hier verwezen naar het arrest van Hof Leeuwarden van 1 februari 201115, waarin – onder verwijzing naar Plas/Valburg16 – wordt overwogen dat een kostenvergoeding dient plaats te vinden indien fase drie van de onderhandelingen (het afbreken daarvan kan niet te goeder trouw) nog niet is bereikt, maar de eerste fase reeds is gepasseerd.
De terughoudendheid om de verplichtingen die horen bij de derde fase toe te kennen, zal mede de oorzaak zijn van het feit dat op dit vlak maar weinig toewijzende uitspraken zijn te vinden.17 Hof Arnhem-Leeuwarden ging hier in 2013 wel toe over en veroordeelt de terugtrekkende partij tot dooronderhandelen op straffe van een dwangsom18. Het hof verwijt de terugtrekkende partij onder meer dat zij haar gedrag niet mede heeft laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van haar langdurige onderhandelingspartner.
Eveneens in 2013 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de precontractuele fase en daarin een schadevergoeding toegekend.19 Partijen hadden in dit geval een intentieovereenkomst getekend voor een Hyundai-dealerovereenkomst. De partij die toestond het merk te gaan voeren, ontbindt op enig moment de intentieovereenkomst, omdat het dealerschap in haar ogen niet snel genoeg wordt uitgevoerd en stelt daarbij dat de dealer haar bewust onjuist zou hebben geïnformeerd over de voortgang. In de tussentijd had de dealer al wel een showroom laten bouwen.
Hof ’s-Gravenhage heeft onder meer overwogen dat niet is aangetoond dat er bewust onjuiste informatie zou zijn verstrekt en komt tot de slotsom dat de terugtrekkende partij niet alleen aansprakelijk is voor tevergeefs gemaakte kosten, maar ook voor gederfde winst. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand.
Voor het onderhavige proefschrift is relevant dat de tweede onderhandelingsfase (als deze in de rechtspraak gehanteerd blijft) wordt beheerst door de ‘gewone’ redelijkheid- en billijkheidstoets. De maatstaf is immers dat het terugtrekken zonder het vergoeden van de kosten van de andere partij20 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Voor de derde onderhandelingsfase wordt de strengere maatstaf van de redelijkheid en billijkheid gehanteerd, te weten die van onaanvaardbaarheid (de beperkende werking). Enkel indien het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de terugtrekkende partij zich terugtrekt, kan een algehele schadeloosstelling (positief contractsbelang) aan de orde zijn. Sommige partijen zetten daar in op een vordering op grond waarvan de andere partij wordt gedwongen door te onderhandelen. De meningen over het nut van een dergelijke vordering zijn verdeeld, omdat dooronderhandelen nog altijd geen garantie geeft dat een overeenkomst wordt gesloten.
De rechtspraak omtrent de contractuele fase heeft tot veel vragen geleid. Gelet op die onduidelijkheid zou gesteld kunnen worden dat de Hoge Raad af heeft gedaan aan de rechtszekerheid. Anderzijds is wel duidelijk geworden dat op enig moment gerechtvaardigd vertrouwen tot stand komt inzake de totstandkoming van een overeenkomst en dat er vanaf dat moment consequenties aan zijn verbonden als een partij zich terugtrekt.
Zou er meer rechtszekerheid zijn geweest zonder de uitspraken op het gebied van de precontractuele fase? De Hoge Raad had ook kunnen oordelen dat zolang er geen wilsovereenstemming is, er geen overeenkomst is en daarmee geen verplichtingen over en weer. De vraag is of dat redelijk zou zijn geweest.21
Een stelling zou ook kunnen zijn dat de Hoge Raad in feite niet veel meer gedaan heeft dan uitgesproken dat de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW bestaat, ook voordat een contract is getekend. De rechtspraktijk heeft het benoemen van de contractuele fase in ieder geval ervaren als een nieuwe ontwikkeling, mede omdat de precontractuele fase niet terug te vinden is in de wet, maar (uitsluitend) een invulling van de open norm betreft. En met die invulling van de open norm heeft de Hoge Raad uitvoering gegeven aan een van de doelstellingen die de wetgever ten aanzien van open normen heeft, namelijk het invullen van de open norm door de rechtspraktijk.
De rechtszekerheid ten aanzien van de precontractuele fase zit met name in de eerste fase. Zonder begrenzing is er geen reden om aan te nemen dat daar niet een volle redelijkheid- en billijkheidstoets (met inachtneming van alle omstandigheden van het geval) zou kunnen plaatsvinden. Door de rechtspraak is echter duidelijk dat in deze fase nooit een schadevergoeding wordt toegekend. De Hoge Raad heeft in ieder geval dat kader gesteld.
In de praktijk wordt door partijen, onder meer aangemoedigd door een arrest van de Hoge Raad van 24 november 199522, veelvuldig gebruik gemaakt van voorbehouden zoals ‘subject to contract’ en ‘subject to board approval’. Zo wordt duidelijk gemaakt dat men zich niet gebonden acht voordat aan het voorbehoud is voldaan en kan de andere partij er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de onderhandelingen niet meer zullen worden afgebroken.