Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (met Bijlage, Protocol en Onderlinge Overeenkomst), Berlijn, 12 april 2012, Trb. 2012, 123.
HR, 01-07-2025, nr. 24/01532
ECLI:NL:HR:2025:1033
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-07-2025
- Zaaknummer
24/01532
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Internationaal strafrecht (V)
Fiscaal strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1033, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑07‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:257
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:1226
ECLI:NL:PHR:2025:257, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑03‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1033
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑11‑2024
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025070302
FutD 2025-1361
NDFR Nieuws 2025/1131
NTFR 2025/1180 met annotatie van mr. R.B.H. Beune
NLF 2025/1636 met annotatie van Jo Vestjens
V-N 2025/36.24 met annotatie van Redactie
BNB 2025/124 met annotatie van G.J.M.E. de Bont
Uitspraak 01‑07‑2025
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. OM n-o in vervolging t.z.v. opzettelijk niet voldoen aan fiscale informatieplicht (art. 47.1 jo. 69.1 AWR). Kon hof OM n-o verklaren in vervolging wegens gebruik voor strafrechtelijke doeleinden van de door Duitse autoriteiten verstrekte informatie? Overeenkomstig art. 27.2 Belastingverdrag Nederland-Duitsland en art. 16.1 (oud) Richtlijn 2011/16/EU mogen spontaan door Duitse autoriteiten verstrekte gegevens worden gebruikt voor de in die bepalingen genoemde doeleinden, zonder dat daarvoor toestemming van Duitse autoriteiten is vereist. Tot deze doeleinden behoren o.m. gebruik van gegevens voor handhaving of vervolging t.z.v. de in art. 27.1 Belastingverdrag Nederland-Duitsland genoemde belastingen respectievelijk gebruik van gegevens in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke procedures wegens overtreding van belastingwetgeving. O.g.v. art. 27.2 Belastingverdrag Nederland-Duitsland en art. 16.2 (oud) Richtlijn 2011/16/EU is wel toestemming van bevoegde autoriteiten vereist bij gebruik voor andere dan in die bepalingen vermelde doeleinden, waaronder vervolging wegens niet-fiscale delicten. Oordeel van hof dat, gelet op inhoud van e-mailbericht van Duitse Bundeszentralamt für Steuern, verstrekte informatie niet voor vervolging van fiscaal delict mocht worden gebruikt, is niet begrijpelijk. Daarbij neemt HR in aanmerking dat e-mailbericht, mede gelet op verwijzingen daarin naar Belastingverdrag Nederland-Duitsland en Richtlijn 2011/16/EU, ertoe strekt dat gehandeld wordt overeenkomstig hiervoor weergegeven juridisch kader. In licht daarvan kan e-mailbericht moeilijk anders worden opgevat dan dat verstrekte gegevens mochten worden gebruikt voor de in die bepalingen genoemde doeleinden, zonder dat daarvoor toestemming van Duitse autoriteiten was vereist. Tot deze doeleinden behoren o.m. gebruik van gegevens voor vervolging t.z.v. de in art. 27.1 Belastingverdrag Nederland-Duitsland genoemde belastingen resp. gebruik van gegevens in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke procedures wegens overtreding van belastingwetgeving, waaronder begrepen vervolging van verdachte n.a.v. niet voldoen aan informatievordering o.g.v. art. 47 AWR met oog op correcte belastingheffing. Gelet hierop is ook ’s hofs oordeel dat sprake was van “niet geoorloofd gebruik van (voor fiscale doeleinden verkregen) gegevens voor deze strafprocedure”, niet begrijpelijk. Van belang hierbij is dat verdachte door OM wordt vervolgd voor niet-voldoen aan verzoek om informatie aan Belastingdienst te verstrekken over zijn buitenlandse vermogen, waarbij verplichting tot verstrekken van die informatie voortkomt uit (in licht van hiervoor weergegeven juridisch kader toegelaten) gebruik van de door Duitse autoriteiten verstrekte informatie. Uit de door hof in aanmerking genomen f&o kan immers niet volgen dat sprake was van ‘ongeoorloofd’ gebruik van gegevens. Daar komt bij dat uit die f&o ook niet kan volgen dat in dit geval sprake was van ‘gebruik’ van gegevens ‘voor de(ze) strafprocedure’. Strafrechtelijke vervolging ziet immers louter op niet voldoen aan verzoek om informatie. Over die informatieweigering hebben Duitse autoriteiten geen gegevens verstrekt. Ook voor het overige kunnen overwegingen van hof niet zijn oordeel dragen dat OM n-o is in vervolging van verdachte wegens schending van beginselen van behoorlijke procesorde. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/01529, 24/01530, 24/01531, 24/01533, 24/01534, 24/01535, 24/01536 en 24/01537.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/01532
Datum 1 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 april 2024, nummer 20-002135-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De raadsvrouw van de verdachte, J. Kuijper, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal P.J. Wattel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om op de bestaande hogere beroepen alsnog inhoudelijk te worden beoordeeld en afgedaan.
2. Het arrest van het hof
2.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 6 maart 2020 tot en met heden, in [plaats] , en/of [plaats] en/of elders in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot
a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en/of
b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, (andere) gegevensdragers of de inhoud daarvan,
opzettelijk
a. die inlichtingen, gegevens of aanwijzingen niet, onjuist of onvolledig heeft verstrekt en/of
b. die boeken, bescheiden, (andere) gegevensdragers of de inhoud daarvan niet voor raadpleging beschikbaar heeft gesteld,
terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, immers is aan verdachte per aangetekende brief verzocht om voor 6 maart 2020 informatie aan de Belastingdienst te verstrekken over zijn/haar buitenlandse vermogen, aan welk verzoek verdachte niet heeft voldaan.”
2.2
Het hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe heeft het hof overwogen:
“De Belastingdienst heeft informatie uit het buitenland verkregen op grond waarvan het vermoeden bestond dat ingezetenen van Nederland over een buitenlandse bankrekening beschikten, terwijl de saldi van die bankrekening niet zouden zijn meegenomen in de aangiften inkomstenbelasting van de betreffende belastingplichtige. Het ging daarbij over bankrekeningen die werden aangehouden bij de Banque et Caisse d’Epargne et dé l’Etat (hierna: BCEE) te Luxemburg. Op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) zijn de belastingplichtigen in kwestie namens de inspecteur der rijksbelastingen middels vragenbrieven gevraagd om informatie over buitenlands vermogen te verstrekken, dan wel boeken, bescheiden of andere gegevensdragers ter beschikking te stellen, waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te hunner aanzien.
Enkele van die belastingplichtigen, waaronder de verdachte, hebben structureel geweigerd om de gevraagde inlichtingen te verstrekken en/of bescheiden voor raadpleging ter beschikking te stellen. Nadat de fatale termijn waarop de verzochte informatie zou moeten zijn verstrekt was verstreken heeft de Belastingdienst aan het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie verzocht om de groep van structurele weigeraars strafrechtelijk te vervolgen voor het niet voldoen aan de informatieplicht ex artikel 47 van de AWR, strafbaar gesteld bij de artikelen 68 jo. 69 van de AWR. Daaropvolgend is door de Belastingdienst/FIOD het fiscaalstrafrechtelijke onderzoek Cambridge opgestart en is strafrechtelijke vervolging ingesteld.
Het hof stelt allereerst vast dat de gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan het fiscale vermoeden dat de verdachte over een buitenlandse rekening beschikte waarvan de saldi niet in de aangiften inkomstenbelasting waren verwerkt, dezelfde zijn als die – in primo – ten grondslag liggen aan het strafrechtelijke redelijk vermoeden van schuld dat de verdachte de informatieplicht zou hebben geschonden. Zonder de uit het buitenland verkregen informatie zou de Belastingdienst geen vragen aan de verdachte hebben gesteld over zijn buitenlandse vermogen. En als die vragen waren uitgebleven, was de verdachte evenmin in de situatie terecht gekomen waarin hij de keuze heeft gemaakt om in het geheel geen informatie te verstrekken.
De gegevens over de BCEE-bankrekeningen zijn afkomstig van de Duitse autoriteiten. Uit het begeleidende e-mailbericht van 30 september 2016, afkomstig van het Bundeszentralamt für Steuern te Bonn, volgt dat het Bundeszentralamt für Steuern, via het beveiligd netwerk CCN, spontaan gegevens heeft verstrekt aan het Central Liaison Office van de Nederlandse Belastingdienst over bankrekeningen aangehouden bij BCEE te Luxemburg. Bij dit e-mailbericht was klaarblijkelijk een Excel-bestand gevoegd met gegevens over BCEE-bankrekeningen met betrekking tot (rechts)personen die in relatie staan tot Nederland. De door het Bundeszentralamt für Steuern verstrekte gegevens zijn afkomstig uit anonieme bron.
In de aanhef van het e-mailbericht van het Bundeszentralamt für Steuern d.d. 30 september 2016 is onder meer vermeld:
“Informationsaustausch nach unserem Doppelbesteuerungsabkommen und der Richtlinie 2011/16/EU des Rates der Europäischen Union (Exchange of Information pursuant to our Double Taxation Convention and under Council Directive 2011/16/EU)”.
De in het e-mailbericht genoemde en op de uitwisseling van de gegevens toepasselijke regelgeving betreft de Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (hierna: de EU-bijstandsrichtlijn) en het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 2012, 123; hierna: het Belastingverdrag).
Artikel 16 van de EU-bijstandsrichtlijn luidt – voor zover te dezen van belang – als volgt:
(...)
Artikel 27 van het Belastingverdrag luidt – eveneens voor zover te dezen van belang – als volgt:
(...)
In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2012/13, 33615, nr. 3) is met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis van het Belastingverdrag het volgende vermeld:
“II.27. Uitwisseling van inlichtingen (artikel 27 en artikel XVIII van het Protocol)
(...)
Aan het eind van artikel 27, tweede lid, is op verzoek van Duitsland de tekst toegevoegd die als suggestie is opgenomen in het OESO-commentaar op artikel 26, paragraaf 12.3. Met deze toevoeging is het toegestaan inlichtingen die een Verdragsluitende Staat ontvangt, te gebruiken voor andere doeleinden dan hetgeen is neergelegd in het eerste lid en het tweede lid van artikel 27 van het Verdrag. Zoals volgt uit het OESO-commentaar op artikel 26, paragraaf 12.3, moet bij deze doeleinden worden gedacht aan het delen van fiscale gegevens met instanties ten behoeve van de aanpak van zaken met hoge prioriteit, zoals het bestrijden van witwassen van geld, corruptie en terrorismefinanciering. Om een correcte gang van zaken te waarborgen, geldt als voorwaarde voor het gebruik van gegevens voor andere doeleinden dat er een grondslag moet zijn in het recht van beide Verdragsluitende Staten en dat de bevoegde autoriteit van de gegevensverstrekkende Verdragsluitende Staat toestemming verleent voor het gebruik ervan.
(...)
In artikel XVIII, eerste lid, van het Protocol bij het Verdrag is op verzoek van Duitsland een aantal, op grond van Duitse formeelrechtelijke overwegingen noodzakelijke, bepalingen opgenomen, die een extra waarborg bieden dat de bevoegde autoriteiten op gepaste wijze met informatie over belastingplichtigen omgaan.
In artikel XVIII, tweede en derde lid, van het Protocol bij het Verdrag wordt bevestigd dat Nederland uitgewisselde informatie ook kan gebruiken voor de toepassing van het Nederlandse stelsel van inkomensafhankelijke regelingen (toeslagen).”
In het e-mailbericht van de Duitse autoriteiten d.d. 30 september 2016 is het volgende voorbehoud gemaakt:
“Diese Informationen unterliegen den Geheimhaltungsbestimmungen der oben genannten Regelungen und dürfen nur für die dort genannten steuerlichen Zwecke verwendet werden.”
Mede omdat het voorbehoud (‘steuerliche Zwecke’) gelezen kan worden als een voorbehoud dat de uitgewisselde informatie alleen voor belastingdoeleinden mag worden gebruikt heeft het hof bij tussenarrest van 10 oktober 2023 onder meer bevolen dat het Openbaar Ministerie een schriftelijke conclusie zal nemen, al dan niet na een daartoe door opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, over de vraag op welke juridische grondslag (de EU-bijstandsrichtlijn en/of het Belastingverdrag) de gegevensuitwisseling en het voormelde voorbehoud is gestoeld. Daarbij diende tevens antwoord te worden gegeven op de vraag of de verstrekte bankgegevens ook voor strafrechtelijke doeleinden mogen worden gebruikt en of er daarvoor reeds toestemming was verleend door de Duitse bevoegde autoriteiten dan wel of die toestemming alsnog via de bevoegde autoriteit kon worden verkregen.
Weliswaar is een conclusie door het Openbaar Ministerie genomen waarin, onder verwijzing naar twee memo’s van een fiscalist bij het team Verhuld Vermogen van de Belastingdienst, uiteen is gezet dat het volgens de advocaat-generaal mogelijk is om de uit Duitsland ontvangen gegevens te gebruiken voor de vervolging van ‘fiscaal strafbaar gestelde feiten’, maar of toestemming is verleend door de Duitse autoriteiten om de gegevens (eveneens) voor strafrechtelijke doeleinden te gebruiken is bij gebrek aan enig antwoord ongewis gebleven.
Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat er geen toestemming door de Duitse autoriteiten is verleend, ook niet achteraf, om de verstrekte gegevens te gebruiken voor strafrechtelijke doeleinden. Gezien het gemaakte voorbehoud en in aanmerking genomen dat de gegevens niet (ook) zijn uitgewisseld op grond van een verdrag, richtlijn of andere Unierechtelijke regeling die strafrechtelijke gegevensuitwisseling tussen Duitsland en Nederland mogelijk maakt, betekent zulks naar het oordeel van het hof dat het voorbehoud moet zijn gestoeld op het Belastingverdrag en dat de verkregen gegevens alleen voor de in het Belastingverdrag genoemde belastingdoeleinden mochten worden gebruikt.
Ofschoon de in artikel 16, eerste lid, van de EU-bijstandsrichtlijn genoemde zinsnede: ‘De inlichtingen kunnen voorts worden gebruikt in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van de verdachten en getuigen in dergelijke procedures (...)’ naar het oordeel van het hof kan worden opgevat als tevens betrekking hebbende op strafrechtelijke procedures en de EU-bijstandsrichtlijn (deel uitmakend van het Unierecht) van een hogere rechtsorde is dan het Belastingverdrag en aldus daar in beginsel op prevaleert, dient naar ’s hofs oordeel het Openbaar Ministerie te worden gehouden aan de door Duitsland op grond van het Belastingverdrag aangebrachte beperking. De EU-bijstandsrichtlijn kan immers op grond van het verbod van omgekeerde verticale rechtstreekse werking van een richtlijn niet worden tegengeworpen aan een belastingplichtige.
De door de advocaat-generaal naar voren gebrachte omstandigheid dat artikel 16 van de EU-bijstandsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 30, derde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, waardoor de verstrekte fiscale inlichtingen zouden mogen worden gebruikt voor de belastingheffing, beboeting en voor de vervolging van fiscaal strafbaar gestelde feiten, kan aan het voorgaande niet afdoen. Een dergelijke nationale codificatie van de EU-bijstandsrichtlijn kan niet aan een andere staat, zoals Duitsland, worden tegengeworpen, aangezien deze ervoor kan kiezen aan de informatieuitwisseling het Belastingverdrag ten grondslag te leggen en Duitsland ingevolge het soevereiniteitsbeginsel zelfstandig op grond van het Belastingverdrag kan besluiten om dan ten aanzien van de informatieuitwisseling al dan niet een voorbehoud te maken.
Het hof overweegt in dat verband, in het bijzonder in relatie tot de onderhavige strafrechtelijke zaak, verder als volgt.
De onderhavige casus, waarin sprake is van het Unierechtelijke vrij verkeer van kapitaal, valt onder toepassing van artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). In strafzaken moet naar het oordeel van het hof op grond van de artikelen 47 e.v. van het Handvest worden gekozen voor de uitleg die aan de verdachte de meeste rechtsbescherming biedt. Dat maakt dat het gemaakte voorbehoud in het voordeel van de verdachte dient te worden uitgelegd, in die zin dat de verkregen informatie aldus slechts voor belastingdoeleinden (zoals het opvragen van informatie ex artikel 47 van de AWR) en niet voor strafrechtelijke doeleinden (zoals vervolging van schending van die informatieplicht ex de artikelen 68 en 69 van de AWR) mocht worden gebruikt.
Daarbij komt dat het gebruik van de verstrekte gegevens voor andere doeleinden dan door Duitsland is toegestaan in strijd zou komen met de verdragstrouw (vide artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht). Van een behoorlijk handelend bestuursorgaan, zoals het Openbaar Ministerie, mag worden verwacht dat deze zich ervan verzekert dat de onder toepassing van het Belastingverdrag verkregen informatie ook gebruikt mag worden voor strafrechtelijke doeleinden, voordat tot strafvervolging wordt overgegaan.
In het onderhavige geval heeft het Openbaar Ministerie zich met betrekking tot het gebruik van de verkregen gegevens niet zonder meer kunnen baseren op de EU-bijstandsrichtlijn, gezien het expliciet gemaakte voorbehoud door de Duitse autoriteiten, de daarin opgenomen vermelding dat de informatieuitwisseling ook op het Belastingverdrag was gestoeld, alsook omwille van het feit dat de EU-bijstandsrichtlijn minder rechtsbescherming aan de verdachte biedt.
Van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat zelfs bij de geringste twijfel over het antwoord op de vraag of de verstrekkende verdragsstaat ermee heeft willen instemmen dat de verkregen gegevens (ook) voor strafrechtelijke doeleinden gebruikt zouden kunnen worden – zoals in dit geval evident aan de orde is – zekerheidshalve, voorafgaande aan dit gebruik, daartoe in ondubbelzinnige bewoordingen – derhalve expliciet – toestemming zou worden gevraagd aan de verstrekkende verdragsstaat. Naar het oordeel van het hof mag immers van een behoorlijk handelende overheid worden verwacht dat deze verdragsbepalingen zorgvuldig en, op grond van de verdragstrouw tussen verdragsluitende partijen, naar de geest naleeft. Van een dergelijk expliciet gevraagde toestemming is in het onderhavige geval in het geheel niet gebleken en – nu aan een uitvoering van het tussenarrest op dat punt geen gevolg is gegeven – moet het ervoor worden gehouden dat een dergelijke toestemming niet is verzocht en dat derhalve evenmin een daaropvolgende toestemming voor dat gebruik door de Duitse autoriteiten is gegeven.
Hoewel in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden en de vervolgingsbeslissing krachtens bestendige jurisprudentie zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, is het hof van oordeel dat aan het niet geoorloofde gebruik van de (voor fiscale doeleinden verkregen) gegevens voor deze strafprocedure de sanctie dient te worden verbonden van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, aangezien het instellen van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.”
3. Juridisch kader
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 1 lid 1 van de Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (hierna: Richtlijn 2011/16/EU):
“Onderwerp
1. Deze richtlijn legt de voorschriften en procedures vast voor de onderlinge samenwerking van de lidstaten met het oog op de uitwisseling van inlichtingen die naar verwachting van belang zijn voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde belastingen.”
- Artikel 9 Richtlijn 2011/16/EU:
“Reikwijdte en voorwaarden van de spontane uitwisseling van inlichtingen
1. De bevoegde autoriteit van elke lidstaat verstrekt, in elk van de volgende gevallen, de in artikel 1, lid 1, bedoelde inlichtingen aan de bevoegde autoriteit van elke andere betrokken lidstaat:
a) de bevoegde autoriteit van de ene lidstaat heeft redenen om aan te nemen dat in de andere lidstaat een derving van belasting bestaat;
b) een belastingplichtige verkrijgt in de ene lidstaat een vrijstelling of vermindering van belasting die voor hem een belastingplicht of een hogere belasting in de andere lidstaat zou moeten meebrengen;
c) transacties tussen een belastingplichtige in de ene lidstaat en een belastingplichtige in de andere lidstaat worden over een of meer andere landen geleid, op zodanige wijze dat daardoor in een van beide of in beide lidstaten een belastingbesparing kan ontstaan;
d) de bevoegde autoriteit van een lidstaat heeft redenen om aan te nemen dat er belastingbesparing ontstaat door een kunstmatige verschuiving van winsten binnen een groep van ondernemingen;
e) de aan de ene lidstaat door de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat verstrekte inlichtingen hebben informatie opgeleverd die voor de vaststelling van de belastingschuld in de andere lidstaat van nut kan zijn.
2. De bevoegde overheden van elke lidstaat kunnen met de bevoegde overheden van de andere lidstaten spontaan alle inlichtingen uitwisselen waarvan zij kennis hebben en die de bevoegde overheden van de andere lidstaten van nut kunnen zijn.”
“Openbaarmaking van inlichtingen en bescheiden
1. De inlichtingen die de lidstaten elkaar krachtens deze richtlijn in enigerlei vorm verstrekken, vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming waarin het nationale recht van de ontvangende lidstaat met betrekking tot soortgelijke inlichtingen voorziet. Deze inlichtingen kunnen worden gebruikt voor de toepassing en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde belastingen.
De inlichtingen kunnen tevens worden gebruikt voor de vestiging en executie van andere belastingen en rechten vallend onder artikel 2 van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde belastingen, rechten en andere maatregelen, en voor de vestiging en executie van verplichte socialezekerheidsbijdragen.
De inlichtingen kunnen voorts worden gebruikt in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van de verdachten en getuigen in dergelijke procedures.
2. Met toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die overeenkomstig deze richtlijn inlichtingen verstrekt, en voor zover het in de lidstaat van de ontvangende bevoegde autoriteit wettelijk is toegestaan, kunnen de overeenkomstig deze richtlijn ontvangen inlichtingen en bescheiden voor andere dan de in lid 1 bedoelde doeleinden worden gebruikt. De toestemming wordt verleend indien de inlichtingen, in de lidstaat van de bevoegde autoriteit die de inlichtingen verstrekt, voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt. (...)”
- Artikel 27 leden 1 en 2 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het Belastingverdrag Nederland- Duitsland):
“1. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten wisselen de informatie uit die naar verwachting van belang is voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag of voor de toepassing of de handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat, een deelstaat of van een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van een verdragsluitende staat of deelstaat, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met het Verdrag. De uitwisseling van informatie wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2.
2. Alle uit hoofde van het eerste lid door een verdragsluitende staat ontvangen informatie wordt op dezelfde wijze geheim gehouden als informatie die volgens de nationale wetgeving van die staat is verkregen en wordt alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de handhaving of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor deze doeleinden van de informatie gebruikmaken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen mag de informatie voor andere doeleinden worden gebruikt, indien zij ingevolge het recht van beide staten voor deze andere doeleinden mag worden gebruikt en de bevoegde autoriteit van de staat die haar heeft verstrekt met dit gebruik instemt.”
- Artikel 47 lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR):
“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:
a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;
b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.”
- Artikel 68 lid 1 AWR:
“Degene die ingevolge de belastingwet verplicht is tot:
a. het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, en deze niet, onjuist of onvolledig verstrekt;
b. het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze niet voor dit doel beschikbaar stelt;
(...)
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.”
- Artikel 69 lid 1 AWR:
“Degene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doet, niet binnen de daarvoor gestelde termijn doet, dan wel een der feiten begaat, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdelen a, b, d, e, f of g, wordt, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien dit bedrag hoger is, ten hoogste eenmaal het bedrag van de te weinig geheven belasting.”
4. Beoordeling van de cassatiemiddelen
4.1
De cassatiemiddelen komen op tegen de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie toestemming aan de Duitse autoriteiten had moeten vragen voor het gebruik voor strafrechtelijke doeleinden van de door het Bundeszentralamt für Steuern spontaan verstrekte informatie. Het tweede cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de door het Bundeszentralamt für Steuern verstrekte informatie door het openbaar ministerie is gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden. De cassatiemiddelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4.2
Overeenkomstig artikel 27 lid 2 Belastingverdrag Nederland-Duitsland en artikel 16 lid 1 (oud) Richtlijn 2011/16/EU mogen de spontaan door de Duitse autoriteiten verstrekte gegevens worden gebruikt voor de in die bepalingen genoemde doeleinden, zonder dat daarvoor toestemming van de Duitse autoriteiten is vereist. Tot deze doeleinden behoren onder meer het gebruik van de gegevens voor handhaving of vervolging ter zake van de in artikel 27 lid 1 Belastingverdrag Nederland-Duitsland genoemde belastingen respectievelijk het gebruik van de gegevens in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving. Op grond van artikel 27 lid 2 Belastingverdrag Nederland-Duitsland en artikel 16 lid 2 (oud) Richtlijn 2011/16/EU is wel toestemming van de bevoegde autoriteiten vereist bij het gebruik voor andere dan de in die bepalingen vermelde doeleinden, waaronder de vervolging wegens niet-fiscale delicten.
4.3.1
Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. Bij e-mailbericht van 30 september 2016 heeft het Duitse Bundeszentralamt für Steuern spontaan gegevens verstrekt aan het Central Liaison Office van de Nederlandse Belastingdienst. Daarbij ging het om gegevens over bij de Banque et Caisse d’Epargne et de l’Etat in Luxemburg aangehouden bankrekeningen met betrekking tot (rechts)personen die in relatie staan tot Nederland. In de aanhef van het e-mailbericht was vermeld: “Informationsaustausch nach unserem Doppelbesteuerungsabkommen und der Richtlinie 2011/16/EU des Rates der Europäischen Union (Exchange of Information pursuant to our Double Taxation Convention and under Council Directive 2011/16/EU)”. Verder hield het e-mailbericht onder meer in: “Diese Informationen unterliegen den Geheimhaltungsbestimmungen der oben genannten Regelungen und dürfen nur für die dort genannten steuerlichen Zwecke verwendet werden.”Op grond van dit e-mailbericht bestond het vermoeden dat ingezetenen van Nederland over een buitenlandse bankrekening beschikten, terwijl de saldi van die bankrekening niet zouden zijn meegenomen in de aangiften voor de inkomstenbelasting van de betreffende belastingplichtigen. Aan de betrokken belastingplichtigen, onder wie de verdachte, is op grond van artikel 47 AWR door middel van vragenbrieven namens de inspecteur gevraagd om informatie over buitenlands vermogen te verstrekken, dan wel boeken, bescheiden of andere gegevensdragers ter beschikking te stellen.Verschillende belastingplichtigen, onder wie de verdachte, hebben geweigerd om de gevraagde inlichtingen te verstrekken en/of bescheiden ter beschikking te stellen. De Belastingdienst heeft aan het openbaar ministerie verzocht deze personen te vervolgen wegens het niet voldoen aan de informatieplicht van artikel 47 lid 1 AWR. Dat niet voldoen aan de informatieplicht is strafbaar gesteld bij de artikelen 68 in samenhang met 69 van de AWR.
4.3.2
Het hof heeft het in het e-mailbericht opgenomen voorbehoud, dat de verstrekte informatie alleen voor “steuerlichen Zwecke” mag worden gebruikt, zo uitgelegd dat deze informatie alleen voor de in het Belastingverdrag Nederland-Duitsland genoemde “belastingdoeleinden” mag worden aangewend. Het hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat de betreffende informatie – behoudens aanvullende toestemming van de Duitse autoriteiten – niet voor “strafrechtelijke doeleinden”, zoals de vervolging wegens een fiscaal delict, mag worden gebruikt. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat sprake is van “niet geoorloofd gebruik van de (voor fiscale doeleinden verkregen) gegevens voor deze strafprocedure”. Het hof heeft daartoe overwogen dat de Belastingdienst zonder de uit het buitenland verkregen informatie geen vragen aan de verdachte zou hebben gesteld over zijn buitenlandse vermogen en dat de verstrekte gegevens daarom “ten grondslag liggen aan het strafrechtelijke redelijk vermoeden van schuld dat de verdachte de informatieplicht zou hebben geschonden”. Op basis van deze oordelen heeft het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van de beginselen van een goede procesorde.
4.4.1
Het oordeel van het hof dat, gelet op de inhoud van het e-mailbericht, de verstrekte informatie niet voor de vervolging van een fiscaal delict mocht worden gebruikt, is niet begrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het e-mailbericht, mede gelet op de verwijzingen daarin naar het Belastingverdrag Nederland-Duitsland en de Richtlijn 2011/16/EU, ertoe strekt dat gehandeld wordt overeenkomstig het onder 4.2 bedoelde juridische kader. In het licht daarvan kan het e-mailbericht moeilijk anders worden opgevat dan dat de verstrekte gegevens mochten worden gebruikt voor de in die bepalingen genoemde doeleinden, zonder dat daarvoor toestemming van de Duitse autoriteiten was vereist. Tot deze doeleinden behoren onder meer het gebruik van de gegevens voor de vervolging ter zake van de in artikel 27 lid 1 Belastingverdrag Nederland-Duitsland genoemde belastingen respectievelijk het gebruik van de gegevens in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, waaronder begrepen de vervolging van de verdachte naar aanleiding van het niet voldoen aan de informatievordering op grond van artikel 47 AWR met het oog op een correcte belastingheffing.
4.4.2
Gelet hierop is ook het oordeel van het hof dat sprake was van “niet geoorloofd gebruik van de (voor fiscale doeleinden verkregen) gegevens voor deze strafprocedure”, niet begrijpelijk. Van belang hierbij is dat de verdachte door het openbaar ministerie wordt vervolgd voor het niet-voldoen aan een verzoek om informatie aan de Belastingdienst te verstrekken over zijn buitenlandse vermogen, waarbij de verplichting tot het verstrekken van die informatie voortkomt uit het – in het licht van het hiervoor weergegeven juridisch kader toegelaten – gebruik van de door de Duitse autoriteiten verstrekte informatie. Uit de door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, zoals weergegeven onder 4.3.1, kan immers niet volgen dat sprake was van ‘ongeoorloofd’ gebruik van gegevens.Daar komt bij dat uit die feiten en omstandigheden ook niet kan volgen dat in dit geval sprake was van ‘gebruik’ van de gegevens ‘voor de(ze) strafprocedure’. De strafrechtelijke vervolging ziet immers louter op het niet voldoen aan het verzoek om informatie. Over die informatieweigering hebben de Duitse autoriteiten geen gegevens verstrekt.
4.4.3
Ook voor het overige kunnen de overwegingen van het hof niet zijn oordeel dragen dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte wegens schending van de beginselen van de behoorlijke procesorde.
4.5
De cassatiemiddelen slagen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden en de raadsheer A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2025.
Conclusie 25‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG.OM-cassatie. Hof heeft OM niet-ontvankelijk verklaard in vervolging van schending fiscale informatieplicht (art. 47 jo. 69 AWR). Inspecteur heeft op basis van door Duitse fiscus uitgewisselde bankgegevens een vragenbrief naar de verdachte gestuurd, die weigert te antwoorden. Uitleg belastingverdrag met Duitsland. Gebruiksvoorbehoud ‘nur für (…) steuerlichen Zwecke’. Sluit dat vervolging van fiscale delicten uit? Instemming van Duitse autoriteiten vereist? Liggen de bankgegevens wel ten grondslag aan de verdenking van informatieweigering of zijn zij alleen voor heffingsdoeleinden gebruikt (informatievordering ex art. 47 AWR)? Is het Hof voorbijgegaan aan (de rechtspraak over) art. 359a Sv.?.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01532
Zitting 25 maart 2025
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte
1. Overzicht
1.1
Het cassatieberoep is ingesteld door M.J.M. de Vries, advocaat-generaal bij het ressortsparket ’s Hertogenbosch. Namens het openbaar ministerie (OM) heeft W.J.V. Spek, advocaat-generaal bij het Ressortsparket Den Haag, twee cassatiemiddelen voorgesteld. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep namens de verdachte tegengesproken. Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Hof Den Bosch van 9 april 2024 waarbij het OM niet-ontvankelijk is verklaard in zijn vervolging van de verdachte ter zake van opzettelijke weigering, jegens de inspecteur van rijksbelastingen, om desgevorderd inlichtingen en documenten te verstrekken ten behoeve van de belastingheffing te haren aanzien (art. 47 jo. art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)). In eerste aanleg was de verdachte veroordeeld voor dat feit.
1.2
Het Hof meent echter dat art. 27(2) van het belastingverdrag met Duitsland inhoudt dat de rechtmatig van de Duitse autoriteiten ontvangen bankgegevens die de inspecteur noopten tot informatievordering niet zonder uitdrukkelijke instemming van die Duitse autoriteiten gebruikt mogen worden voor andere doelen dan ‘steuerlichen Zwecke’, wat volgens het Hof gebruik voor strafvervolging wegens informatieweigering uitsluit. Hij heeft het OM bij tussenarrest van 10 oktober 2023 in de gelegenheid gesteld om (i) duidelijkheid te geven over de rechtsbasis van de gegevensuitwisseling (het belastingverdrag met Duitsland of de EU-Bijstandsrichtlijn 2011/16/EU) en over het schijnbare Duitse voorbehoud (‘nur für die (…) genannten steuerlichen Zwecke’; curs. PJW) en (ii) indien vereist, alsnog Duitse instemming over te leggen. Het OM heeft het Hof daarop bij brief van 28 februari 2024 bericht dat zijns inziens Duitse instemming niet vereist is omdat beide uitwisselingsinstrumenten het gebruik van uitgewisselde gegevens voor vervolging van fiscale delicten toestaan en alleen instemming eisen voor gebruik ten behoeve van vervolging van niet-fiscale delicten.
1.3
Het Hof heeft echter bij eindarrest anders geoordeeld. Hij acht strafvorderlijk gebruik zonder Duitse instemming in strijd met het belastingverdrag, en de handelwijze van het OM in strijd met (i) de goede verdragstrouw, (ii) een goede procesorde en (iii) wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Het hof legt daaraan mede ten grondslag dat de gegevens die de verdenking van niet-aangegeven buitenlands vermogen deden rijzen, dezelfde zijn als die welke de verdenking van informatieweigering deden rijzen, en dat zonder de Duitse gegevens geen vragen aan de verdachte zouden zijn gesteld over zijn buitenlandse vermogen. “En als die vragen waren uitgebleven, was de verdachte evenmin in de situatie terecht gekomen waarin hij de keuze heeft gemaakt om in het geheel geen informatie te verstrekken,” aldus het Hof.
1.4
Het OM bestrijdt dat oordeel met twee cassatiemiddelen: 1. Onjuiste uitleg van art. 27 Belastingverdrag, dat zijns inziens wel degelijk strafvervolging van fiscale delicten toestaat zonder nadere instemming; en 2. Onbegrijpelijk acht hij ’s Hofs oordeel dat de Duitse gegevens ten grondslag liggen aan de verdenking van informatieweigering. Die gegevens zijn – ook volgens het Hof - rechtmatig gebruikt voor fiscale doeleinden, nl. vordering van gegevens en inlichtingen die relevant zijn voor de belastingheffing ten aanzien van de verdachte. Pas toen zij weigerde te antwoorden, rees de verdenking van de strafbare informatieweigering waarvoor hij thans vervolgd wordt. Hij wordt niet vervolgd voor onjuiste aangiften, maar voor informatieweigering; ter zake van dat laatste kón geen verdenking ontstaan door of bij de ontvangst van de Duitse gegevens, nu die verdenking pas kon rijzen ná verdachte’s weigering in te gaan op die rechtmatige fiscale informatievordering.
1.5
Mijns inziens worden beide middelen terecht voorgesteld. Hoewel één doeltreffend middel al leidt tot vernietiging van ‘s Hofs arrest en terugwijzing van de zaak, geef ik u in overweging om voor de rechtsduidelijkheid beide middelen gegrond te verklaren.
1.6
Ik concludeer vandaag in gelijke zin ook in acht andere zaken met de nummers 24/01529, 24/01530, 24/01531, 24/01533, 24/01534, 24/01535, 24/01536, 24/01537, die inhoudelijk gelijk zijn aan deze zaak.
2. De feiten en de veroordeling in eerste aanleg
2.1
De Rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 10.000, subsidiair 85 dagen hechtenis, wegens opzettelijk niet-verstrekken van door de Inspecteur van rijksbelastingen van hem gevorderde fiscaal relevante informatie en documenten (art. 68(1)(a) en (b) Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)).
2.2
Die veroordeling was gebaseerd op de structurele weigering van de verdachte om – hoewel daartoe wettelijk verplicht (zie art. 47 AWR) - desgevorderd met inlichtingen en documenten opheldering te verschaffen over de (on)juistheid van gegevens over bankrekeningen van Nederlands ingezetenen, onder wie de verdachte, bij de Luxemburgse Banque et Caisse d’Epargne et de l'Etat (BCEE).
2.3
Die bankgegevens zijn spontaan (dat wil niet zeggen onverplicht, maar alleen zonder voorafgaand verzoek) op 30 september 2016 door de Duitse fiscale autoriteiten verstrekt aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. De bron van de gegevens is anoniem gebleven.
3. Het hogere beroep: niet-ontvankelijkverklaring van het OM wegens verdragschending
3.1
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. Advocaat-generaal M.J.M. de Vries vorderde bevestiging van het vonnis van de rechtbank met dien verstande dat de verdachte óók veroordeeld zou worden tot 2 weken voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaren en als voorwaarden dat zij (i) zich niet schuldig zou maken aan een strafbaar feit en (ii) binnen drie maanden na onherroepelijk worden van ‘s Hofs arrest alsnog de gevorderde inlichtingen en bescheiden over zijn buitenlandse vermogen zou verstrekken.
3.2
De verdediging bepleitte primair niet-ontvankelijkheid van het OM, subsidiair vrijspraak, meer subsidiair ontslag van rechtsvervolging en uiterst subsidiair schuldigverklaring zonder strafoplegging of veroordeling tot een geringe geldboete. De verdediging heeft tot onderbouwing van het primaire standpunt de begeleidende e-mail van het Bundeszentralamt für Steuern te Bonn ingebracht, die vermeldt dat het bij de genoemde gegevensverstrekking aan de Nederlandse autoriteiten gaat om een:
“Informationsaustausch nach unserem Doppelbesteuerungsabkommen und der Richtlinie 2011/16/EU des Rates der Europaischen Union”,
dus op basis van zowel het Nederlands-Duitse belastingverdrag1.als de EU-Richtlijn inzake administratieve samenwerking tussen belastingdiensten,2.en dat
“Diese Informationen unterliegen den Geheimhaltungsbestimmungen der oben genannten Regelungen und dürfen nur für die dort genannten steuerlichen Zwecke verwendet werden.”
De verdediging betoogde op basis daarvan dat de uitgewisselde bankgegevens niet gebruikt mogen worden voor strafvorderlijke doeleinden en dat dat gebruik onrechtmatig is.
3.3
Het Hof heeft met name uit de term ‘nur für die dort genannten steuerlichen Zwecke’ in de geciteerde e-mail afgeleid dat de Duitse autoriteiten een voorbehoud hebben gemaakt ter zake van ander dan ‘steuerlich’ gebruik en dat het er naar uitziet dat de gebruiksbeperkingen in het belastingverdrag in acht moeten worden genomen, die volgens het Hof strenger zijn dan die in de Bijstandsrichtlijn. Art. 27(2) van het belastingverdrag bepaalt dat de op basis van lid 1 uitgewisselde gegevens (curs. PJW):
“alleen ter kennis [worden] gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de handhaving of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor deze doeleinden van de informatie gebruikmaken. (…). Niettegenstaande de voorgaande bepalingen mag de informatie voor andere doeleinden worden gebruikt, indien zij ingevolge het recht van beide staten voor deze andere doeleinden mag worden gebruikt en de bevoegde autoriteit van de staat die haar heeft verstrekt met dit gebruik instemt.”
Art. 16(1) en (2) van de EU-Bijstandsrichtlijn luidt (curs. PJW):
“1. De inlichtingen die de lidstaten elkaar krachtens deze richtlijn in enigerlei vorm verstrekken, vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming waarin het nationale recht van de ontvangende lidstaat met betrekking tot soortgelijke inlichtingen voorziet. Deze inlichtingen kunnen worden gebruikt voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde belastingen. De inlichtingen kunnen tevens worden gebruikt voor (…).
De inlichtingen kunnen voorts worden gebruikt in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van de verdachten en getuigen in dergelijke procedures.
2. Met toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die overeenkomstig deze richtlijn inlichtingen verstrekt, en voor zover het in de lidstaat van de ontvangende bevoegde autoriteit wettelijk is toegestaan, kunnen de overeenkomstig deze richtlijn ontvangen inlichtingen en bescheiden voor andere dan de in lid 1 bedoelde doeleinden worden gebruikt. De toestemming wordt verleend indien de inlichtingen, in de lidstaat van de bevoegde autoriteit die de inlichtingen verstrekt, voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt."
3.4
Omdat het onderzoek ter terechtzitting kennelijk onvolledig was wegens ontbreken van documenten zoals de geciteerde e-mail en het daarbij horende spreadsheet en wegens onduidelijkheid over de uitwisselingsbasis en daarmee over de betekenis van het Duitse voorbehoud, alsmede over de vraag of de Duitse autoriteiten instemden met strafvorderlijk gebruik, heeft het Hof bij tussenarrest van 10 oktober 2023 het onderzoek heropend:
“(…) om nader geïnformeerd te worden over de gang van zaken in de fase voorafgaand aan en tijdens het moment waarop het redelijk vermoeden ontstond dat de verdachte een bankrekening zou hebben aangehouden in Luxemburg”
Het Hof heeft het OM bevolen om op te helderen (i) op welk uitwisselingsinstrument (het Verdrag of de Richtlijn) de gegevensverstrekking en het Duitse voorbehoud waren gebaseerd, (ii) wat het geciteerde voorbehoud (‘nur für die dort genannten steuerlichen Zwecke’) van de Duitse autoriteiten betekent, (iii) of de Duitse autoriteiten hebben ingestemd met gebruik van de BCEE-gegevens voor strafrechtelijke doeleinden en zo neen, (iv) of die toestemming, indien vereist, alsnog verkregen kon worden. Ook gelastte het Hof het OM om de brondocumenten over te leggen op grond waarvan “zoekslagen zijn gemaakt die hebben geleid tot de verdenking jegens de verdachte”. Omdat het kennelijk bij de e-mail van de Duitse autoriteiten gevoegde Excel-bestand met de BCEE-gegevens van Nederlands ingezetenen niet tot de processtukken behoorde, gelastte het Hof tenslotte dat de FIOD een proces-verbaal van bevindingen zou opstellen:
“(…) waarin de gemaakte zoekslagen en de koppeling tussen de verstrekte gegevens met de verdachte, zijnde belastingplichtige voor de inkomstenbelasting, inzichtelijk zal worden gemaakt, zoveel mogelijk onder bijvoeging van de desbetreffende brondocumenten.”
3.5
Het OM heeft daarop nader uiteengezet dat de gegevens zijns inziens wel degelijk gebruikt kunnen worden voor de vervolging van ‘fiscaal strafbaar gestelde feiten’, maar heeft kennelijk geen contact met de Duitse autoriteiten opgenomen, althans niet opgehelderd op welk van de twee uitwisselingsinstrumenten de gegevensverstrekking en het voorbehoud waren gebaseerd. Hij heeft evenmin alsnog schriftelijke instemming van de Duitse autoriteiten met strafvorderlijk gebruik van de gegevens ingebracht. Volgens het OM is dergelijke instemming niet nodig omdat art. 16(1) van de EU-Bijstandsrichtlijn bepaalt dat
“de inlichtingen kunnen (…) worden gebruikt in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving (…).”
3.6
Het Hof heeft het OM daarin niet gevolgd in zijn eindarrest. Nu (i) de Duitse autoriteiten een voorbehoud hebben gemaakt, (ii) de gegevens niet mede zijn uitgewisseld op grond van een strafrechtelijke regeling voor gegevensuitwisseling, (iii) niet is opgehelderd of de gegevens-verstrekking en het voorbehoud op het Verdrag of op de Richtlijn berustten en (iv) geen toestemming van de Duitse autoriteiten voor deze strafvervolging is overgelegd, moet het er volgens het Hof voor worden gehouden dat die autoriteiten niet hebben ingestemd met strafrechtelijk gebruik van de gegevens en dat hun voorbehoud was gebaseerd op het belastingverdrag. De gegevens mogen dan alleen voor de in dat verdrag genoemde belastingdoeleinden worden gebruikt. Hoewel een EU-richtlijn in beginsel prevaleert boven een (belasting)verdrag tussen twee EU-lidstaten, kan een richtlijnbepaling wegens het verbod van omgekeerde verticale rechtstreekse werking niet worden tegengeworpen aan een belastingplichtige, aldus het Hof.3.Weliswaar is art. 16 van de EU-bijstandsrichtlijn omgezet in art. 30(3) van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB), op basis waarvan de bankgegevens ook zouden mogen worden gebruikt voor de vervolging van fiscale delicten, maar die nationale implementatiewetgeving kan volgens het Hof niet aan Duitsland worden tegengeworpen omdat die Staat ervoor kan kiezen om de informatieuitwisseling te baseren op het belastingverdrag en ingevolge dat verdrag soeverein kan besluiten om een gebruiksvoorbehoud op basis van art. 27 te maken.
3.7
Het Hof heeft bij eindarrest als volgt overwogen over het verband tussen de ontvangst van de bankgegevens en de vervolging wegens informatieweigering:
“(…) de gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan het fiscale vermoeden dat de verdachte over een buitenlandse rekening beschikte waarvan de saldi niet in de aangiften inkomstenbelasting waren verwerkt, dezelfde zijn als die - in primo - ten grondslag liggen aan het strafrechtelijke redelijk vermoeden van schuld dat de verdachte de informatieplicht zou hebben geschonden. Zonder de uit het buitenland verkregen informatie zou de Belastingdienst geen vragen aan de verdachte hebben gesteld over zijn buitenlandse vermogen. En als die vragen waren uitgebleven, was de verdachte evenmin in de situatie terecht gekomen waarin hij de keuze heeft gemaakt om in het geheel geen informatie te verstrekken.”
3.8
Gegeven het ontbreken van Duitse instemming met strafvorderlijk gebruik van de gegevens, heeft het Hof het OM vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging van de verdachte ter zake van opzettelijke niet-medewerking in de zin van art. 68(1) AWR. Hij heeft dat als volgt gemotiveerd:
“(…). In strafzaken moet naar het oordeel van het hof op grond van de artikelen 47 e.v. van het [EU-] Handvest [van de Grondrechten] worden gekozen voor de uitleg die aan de verdachte de meeste rechtsbescherming biedt.4.Dat maakt dat het gemaakte voorbehoud in het voordeel van de verdachte dient te worden uitgelegd, in die zin dat de verkregen informatie aldus slechts voor belastingdoeleinden (zoals het opvragen van informatie ex artikel 47 van de AWR) en niet voor strafrechtelijke doeleinden (zoals vervolging van schending van die informatieplicht ex de artikelen 68 en 69 van de AWR) mocht worden gebruikt. Daarbij komt dat het gebruik van de verstrekte gegevens voor andere doeleinden dan door Duitsland is toegestaan in strijd zou komen met de verdragstrouw (vide artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht). Van een behoorlijk handelend bestuursorgaan, zoals het Openbaar Ministerie, mag worden verwacht dat deze zich ervan verzekert dat de onder toepassing van het Belastingverdrag verkregen informatie ook gebruikt mag worden voor strafrechtelijke doeleinden, voordat tot strafvervolging wordt overgegaan. In het onderhavige geval heeft het Openbaar Ministerie zich met betrekking tot het gebruik van de verkregen gegevens niet zonder meer kunnen baseren op de EU-bijstandsrichtlijn, gezien het expliciet gemaakte voorbehoud door de Duitse autoriteiten, de daarin opgenomen vermelding dat de informatieuitwisseling ook op het Belastingverdrag was gestoeid, alsook omwille van het feit dat de EU-bijstandsrichtlijn minder rechtsbescherming aan de verdachte biedt. Van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat zelfs bij de geringste twijfel over het antwoord op de vraag of de verstrekkende verdragsstaat ermee heeft willen instemmen dat de verkregen gegevens (ook) voor strafrechtelijke doeleinden gebruikt zouden kunnen worden - zoals in dit geval evident aan de orde is -, zekerheidshalve, voorafgaande aan dit gebruik, daartoe in ondubbelzinnige bewoordingen - derhalve expliciet - toestemming zou worden gevraagd aan de verstrekkende verdragsstaat. Naar het oordeel van het hof mag immers van een behoorlijk handelende overheid worden verwacht dat deze verdragsbepalingen zorgvuldig en, op grond van de verdragstrouw tussen verdragsluitende partijen, naar de geest naleeft. Van een dergelijk expliciet gevraagde toestemming is in het onderhavige geval in het geheel niet gebleken en - nu aan een uitvoering van het tussenarrest op dat punt geen gevolg is gegeven - moet het ervoor worden gehouden dat een dergelijke toestemming niet is verzocht en (…) derhalve evenmin (…) gegeven. Hoewel in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden en de vervolgingsbeslissing krachtens bestendige jurisprudentie zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, is het hof van oordeel dat aan het niet geoorloofde gebruik van de (voor fiscale doeleinden verkregen) gegevens voor deze strafprocedure de sanctie dient te worden verbonden van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, aangezien het instellen van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.”
4. Het cassatieberoep van het OM
4.1
Het OM stelt twee cassatiemiddelen voor (mijn samenvatting):
Middel 1: het Hof heeft art. 16 van de Bijstandsrichtlijn en art. 27 van het Verdrag geschonden, nu instemming van de Duitse autoriteiten niet vereist is, ook niet als zij zich op het Verdrag zouden hebben gebaseerd, nu de term ‘vervolging’ in art. 27(2) van het Verdrag (ook) omvat strafvervolging van delicten ter zake van de belastingen waarop het verdrag ziet. Dat blijkt uit de Duitse tekst van die bepaling (‘Strafverfolgung’). Bovendien is die bepaling gebaseerd op en een vrijwel letterlijke vertaling van art. 26 van het OESO-Modelbelastingverdrag, dat de term ‘prosecution’ gebruikt, waardoor het officiële OESO-commentaar bij dat Modelverdrag volgens uw belastingkamer5.grote betekenis heeft voor de uitleg van die bepaling. Uit dat officiële commentaar blijkt dat gebruik voor strafvervolging van fiscale delicten is toegestaan zonder specifieke instemming van de verstrekkende autoriteit omdat die toestemming alleen voor vervolging van ‘non-fiscal crime’ is vereist. Dat de e-mail van het Bundeszentralamt für Steuern vermeldt dat de verstrekte gegevens “den Geheimhaltungsbestimmungen der oben genannten Regelungen (unterliegen) und (…) nur für die dort genannten steuerlichen Zwecke verwendet (dürfen) werden”, is dus geen voorbehoud ter zake van gebruik voor strafvervolging van fiscale delicten, maar wijst slechts op de gebruiksbeperkingen in de beide uitwisselingsinstrumenten ter zake van niet-fiscale doeleinden en niet-fiscale delicten. Zou het Bundeszentralamt wél een voorbehoud ter zake van vervolging van fiscale delicten bedoeld hebben, dan zou dat voorbehoud geen basis hebben in het Verdrag of de Richtlijn.’s Hofs oordeel is ook onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, nu, gegeven de tekst van beide uitwisselingsinstrumenten (i) geen onduidelijkheid kan bestaan over Duitse instemming met vervolging van fiscale delicten, (ii) in de e-mail van de Bundeszentralamt niet het voorbehoud gelezen kan worden dat het Hof erin leest, en (iii) onduidelijk is welke "grond" het Hof in het Verdrag ziet voor een voorbehoud dat de gegevens enkel zouden mogen worden gebruikt voor (puur) fiscale doeleinden zoals opvragen van informatie ex art. 47 AWR, maar niet voor strafrechtelijke handhaving van belastingwetgeving;
Middel 2: Schending van art. 348, 349 en 359 Sv en art. 47, 68 en 69 AWR, door de onbegrijpelijkheid, althans onvoldoende motivering van ’s Hofs oordeel dat de verstrekte informatie door het OM is gebruikt in, of ten grondslag heeft gelegen aan, de strafvervolging wegens informatieweigering en dat die vervolging daarom onverenigbaar zou zijn met beginselen van een goede procesorde en het OM niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Het Hof miskent dat uit zijn vaststellingen niet volgt dat de bankgegevens onrechtmatig zouden zijn gebruikt. Hij heeft juist vastgesteld dat de informatie is gebruikt om, conform art. 47 AWR, de verdachte bij vragenbrief om inlichtingen te vragen over buitenlands vermogen. Dat is een zuiver fiscale vraag, die enkel op het al dan niet bestaan van een belastingverplichting ziet, waarbij enig strafrechtelijk aspect nog niet aan de orde is. Ook binnen ’s Hofs eigen – ten onrechte gemaakte – onderscheid tussen (puur) fiscale doeleinden en strafvervolging van fiscale delicten is de informatie dus correct gebruikt. Het Hof erkent dit zelf in zijn overweging dat ‘het opvragen van informatie ex artikel 47 van de AWR’ een ‘belastingdoeleinde’ is. De verdachte was op grond van art. 47 AWR verplicht om die informatie te verschaffen. Voor die verplichting volstaat dat de inspecteur op basis van de ter beschikking staande gegevens redelijkerwijs kon menen dat de gevraagde informatie van belang kon zijn om op te helderen of de verdachte in Nederland belastingplichtig was,6.hetgeen bij mogelijk bezit van vermogen evident het geval is. Pas ná zijn weigering de gevraagde informatie te verstrekken ontstond de verdenking van het strafbare feit ter zake waarvan hij thans wordt vervolgd (informatieweigering). Voor dát vermoeden van schuld is de Duitse informatie over zijn bankgegevens niet relevant. Hij wordt niet vervolgd voor verzwijging of valse ontkenning van buitenlands vermogen, maar voor fiscale informatie-weigering. Ter zake daarvan kón geen verdenking ontstaan bij de ontvangst van de Duitse gegevens, nu dat feit pas na de rechtmatige fiscale informatievordering gepleegd bleek te worden. Weliswaar zou de vragenbrief inderdaad niet zijn uitgegaan zonder de informatie uit Duitsland, maar, zoals het Hof zelf vaststelt, de vragenbrief ex art. 47 AWR is onmiskenbaar fiscaal gebruik van die informatie en daarmee rechtmatig. Van een ‘poisonous tree’ is dus geen sprake en daarmee te minder van verboden vruchten van die niet-bestaande boom. Zou de verdachte de Inspecteur bedreigd hebben naar aanleiding van de vragenbrief, dan zou het Hof het OM toch wel degelijk ontvangen hebben in zijn strafvervolging van die bedreiging, die net zoals de litigieuze informatieweigering los staat van – niets te maken heeft met - de verdenking die oprees uit de door Duitsland uitgewisselde gegevens.
4.2
Namens de verdachte heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam het cassatieberoep tegengesproken. Ad middel 1 betoogt zij dat het OM zowel art. 27(2) Verdrag als art. 16(3) Bijstandsrichtlijn te ruim uitlegt en dat ook uit de OESO-Modeltekst en -commentaar niet volgt dat vervolging van fiscale delicten zonder separate instemming van de Duitse autoriteiten is toegestaan. Ad middel 2 betoogt zij dat het OM de onlosmakelijke verbondenheid tussen art. 47 AWR en de vervolging op basis van art. 68 jo. 69 AWR wegens informatieweigering miskent, nu zonder een informatieverzoek ex art. 47 AWR nooit aan de litigieuze strafrechtelijke vervolging kan worden toegekomen. De vergelijking met bedreiging van de inspecteur naar aanleiding van diens informatievordering gaat volgens haar mank.
5. Art. 27(2) van het belastingverdrag7. en art. 26 van het OESO-Modelverdrag 20108.
5.1
De naast de Nederlandse tekst (zie 3.3 hierboven) gelijkelijk authentieke Duitse tekst van art. 27(2) van het belastingverdrag met Duitsland luidt als volgt (curs. PJW):
“Alle Informationen, die ein Vertragsstaat nach Absatz 1 erhalten hat, sind ebenso geheim zu halten wie die aufgrund des innerstaatlichen Rechts dieses Staates beschafften Informationen und dürfen nur den Personen oder Behörden (einschließlich der Gerichte und Verwaltungsbehörden) zugänglich gemacht werden, die mit der Veranlagung oder Erhebung, der Vollstreckung oder Strafverfolgung, der Entscheidung über Rechtsmittel hinsichtlich der in Absatz 1 genannten Steuern oder mit der Aufsicht darüber befasst sind. Diese Personen oder Behörden dürfen die Informationen nur für diese Zwecke verwenden. Sie dürfen die Informationen in einem öffentlichen Gerichtsverfahren oder für eine Gerichtsentscheidung offenlegen. Ungeachtet der vorstehenden Bestimmungen können die Informationen für andere Zwecke verwendet werden, wenn sie nach dem Recht beider Staaten für diese anderen Zwecke verwendet werden dürfen und die zuständige Behörde des übermittelnden Staates diese Verwendung gestattet.”
5.2
Art. 26(2) van het OESO-Modelbelastingverdrag luidde in 2012 (het jaar van verdragsluiting) als volgt in het Engels en het Frans (Modelversie 2010) (curs. PJW):
“Any information received under paragraph 1 by a Contracting State shall be treated as secret in the same manner as information obtained under the domestic laws of that State and shall be disclosed only to persons or authorities (including courts and administrative bodies) concerned with the assessment or collection of, the enforcement or prosecution in respect of, the determination of appeals in relation to the taxes referred to in paragraph 1, or the oversight of the above. Such persons or authorities shall use the information only for such purposes. They may disclose the information in public court proceedings or in judicial decisions.”
“Les renseignements reçus en vertu du paragraphe 1 par un État contractant sont tenus secrets de la même manière que les renseignements obtenus en application de la législation interne de cet État et ne sont communiqués qu’aux personnes ou autorités (y compris les tribunaux et organes administratifs) concernées par l’établissement ou le recouvrement des impôts mentionnés au paragraphe 1, par les procédures ou poursuites concernant ces impôts, par les décisions sur les recours relatifs à ces impôts, ou par le contrôle de ce qui précède. Ces personnes ou autorités n’utilisent ces renseignements qu’à ces fins. Elles peuvent révéler ces renseignements au cours d’audiences publiques de tribunaux ou dans des jugements.”
5.3
Vaste rechtspraak van uw belastingkamer is dat het officiële commentaar bij het OESO-Model-belastingverdrag ‘van grote betekenis’ is voor de uitleg van een verdragsbepaling als de twee verdragspartijen met hun belastingverdrag zoveel mogelijk aansluiting hebben gezocht bij het OESO-Modelverdrag en de uit te leggen verdragsbepaling woordelijk overeenkomt met de modelbepaling.9.Meest recent overwoog uw derde kamer daarover:10.
“3.2.1 Indien met de tekst van een bepaling in een belastingverdrag zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij het OESO-modelverdrag, (…), komt voor de interpretatie van die bepaling grote betekenis toe aan het OESO-commentaar bij de overeenkomstige bepaling in het modelverdrag, zoals dat commentaar luidde ten tijde van het sluiten van het desbetreffende verdrag (hierna: verdragsanterieur commentaar).
5.4
Het officiële OESO-Commentaar bij het geciteerde art. 26(2) luidde in 2012 (het jaar van Verdragsluiting) in de Engelse tekst als volgt (versie 2010) (curs. PJW):
“12. (…).
12.3
Similarly, if the information appears to be of value to the receiving State for other purposes than those referred to in paragraph 12, that State may not use the information for such other purposes but it must resort to means specifically designed for those purposes (e.g. in case of a non-fiscal crime, to a treaty concerning judicial assistance). However, Contracting States may wish
to allow the sharing of tax information by tax authorities with other law enforcement agencies and judicial authorities on certain high priority matters (e.g., to combat money laundering, corruption, terrorism financing). Contracting States wishing to broaden the purposes for which they may use
information exchanged under this Article may do so by adding the following text to the end of paragraph 2:
Notwithstanding the foregoing, information received by a Contracting State may be used for other purposes when such information may be used for such other purposes under the laws of both States and the competent authority of the supplying State authorises such use.
(…)."
en in de Franse tekst als volgt (curs. PJW):
“12. (…)
12.3
De même, s’il apparaît que les renseignements présentent un intérêt pour l’État qui les reçoit à des fins autres que celles mentionnées au paragraphe 12, cet État ne peut les utiliser à ces autres fins mais il doit recourir aux moyens expressément destinés à ces fins (par exemple dans le cas d’un délit non fiscal, à une convention concernant l’assistance judiciaire). Cependant, les États contractants peuvent souhaiter autoriser le partage de renseignements fiscaux par les autorités fiscales avec d’autres organismes chargés de l’application de la loi et autorités judiciaires, sur certaines questions hautement prioritaires (par exemple la lutte contre le blanchiment de capitaux, la corruption, le financement du terrorisme). Les États contractants désireux d’élargir les fins auxquelles ils peuvent utiliser les renseignements échangés en vertu de cet article peuvent le faire en ajoutant le texte suivant à la fin du paragraphe 2:
Nonobstant ce qui précède, les renseignements reçus par un État contractant peuvent être utilisés à d’autres fins lorsque cette possibilité résulte des lois des deux États et lorsque l’autorité compétente de l’État qui fournit les renseignements autorise cette utilisation.
(…).”
5.5
De Memorie van Toelichting11.bij de goedkeuringswet van het belastingverdrag vermeldt over art. 27:
“II.27. Uitwisseling van inlichtingen (artikel 27 en artikel XVIII van liet Protocol)
(...).
De bepaling is materieel gelijk aan de vergelijkbare bepaling in het OESO-modelverdrag (artikel 26) en is daarmee in lijn met het Nederlandse verdragsbeleid en de internationale standaard zoals wordt gestimuleerd en gewaarborgd in het kader van het «Global Forum for Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes» (zie: www.oecd.org/tax/transparency ). Aan het eind van artikel 27, tweede lid, is op verzoek van Duitsland de tekst toegevoegd die als suggestie is opgenomen in het OESO-commentaar op artikel 26, paragraaf 12.3. Met deze toevoeging is het toegestaan inlichtingen die een Verdragsluitende Staat ontvangt, te gebruiken voor andere doeleinden dan hetgeen is neergelegd in het eerste lid en het tweede lid van artikel 27 van het Verdrag. Zoals volgt uit het OESO-commentaar op artikel 26, paragraaf 12.3, moet bij deze doeleinden worden gedacht aan het delen van fiscale gegevens met instanties ten behoeve van de aanpak van zaken met hoge prioriteit, zoals het bestrijden van witwassen van geld, corruptie en terrorismefinanciering. Om een correcte gang van zaken te waarborgen, geldt als voorwaarde voor het gebruik van gegevens voor andere doeleinden dat er een grondslag moet zijn in het recht van beide Verdragsluitende Staten en dat de bevoegde autoriteit van de gegevensverstrekkende Verdragsluitende Staat toestemming verleent voor het gebruik ervan.
(...).
In artikel XVIII, eerste lid, van het Protocol bij het Verdrag is op verzoek van Duitsland een aantal, op grond van Duitse formeelrechtelijke overwegingen noodzakelijke, bepalingen opgenomen, die een extra waarborg bieden dat de bevoegde autoriteiten op gepaste wijze met informatie over belastingplichtigen omgaan.”
5.6
Neve12.becommentarieerde een Zwitserse rechtszaak over Franse verzoeken in 2013 en 2014 aan Zwitserland om bij UBS de identificatie op te vragen van de houders van circa 40.000 bankrekeningen c.q. credit cards bij UBS met landencode Frankrijk. UBS verzette zich omdat het vreesde voor strafrechtelijke vervolging in Frankrijk die niet mogelijk zou zijn onder een strafrechtshulpinstrument omdat dubbele strafbaarheid ontbrak. De Zwitserse hoogste bestuursrechter (Bundesverwaltungsgericht) analyseerde voor de interpretatie van het Zwitsers-Franse belastingverdrag de teksten van art. 26 OECD-Model en -Commentaar en concludeerde dat het gebruik van de gegevens was toegestaan in een ‘fiscale context’ en dat het specialiteitsbeginsel niet in de weg stond aan weigering van de klantgegevens. Neve concludeerde dat de op deze Belastingverdragsbasis uitgewisselde gegevens dus ook gebruikt konden worden voor de vervolging van fiscale overtredingen en misdrijven.
5.7
Öner13.gaat in op de toevoeging, in 2010, aan het Modelverdrag, van (de optie voor) de laatste volzin in art. 26(2) waarvoor in het voor ons relevante Verdrag met Duitsland is gekozen op verzoek van Duitsland. Öner meent dat uit tekst noch commentaar duidelijk blijkt waarom bestrijding van niet-fiscale criminaliteit een doel zou moeten zijn van belastingverdragen en is dus kennelijk eveneens van mening dat bestrijding van fiscale criminaliteit wel bestreken wordt.
6. De verhouding tussen de Bijstandsrichtlijn 2011/16/EU,14. art. 30(3) WIB en art. 27(2) van het belastingverdrag
6.1
Art. 16 van de EU-Bijstandsrichtlijn en art. 30(3) van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (WIB)15.verzetten zich niet tegen het gebruik van op basis van die Richtlijn of van het belastingverdrag uitgewisselde fiscaal relevante gegevens voor de strafvervolging van fiscale delicten, maar volgens het Hof verzet art. 27(2) van het verdrag zich daar in casu wel tegen. Ik ga daarom in op de verhouding tussen die drie regelniveaux.
6.2
EU-Richtlijnen hebben, zoals het Hof heeft overwogen, geen omgekeerde verticale directe werking. Omdat zij gericht zijn tot de lidstaten, kunnen zij niet uit zichzelf verplichtingen opleggen aan een burger of bedrijf. Daarvoor is nationale omzettingswetgeving vereist. Als een lidstaat (correcte) omzetting nalaat, kan hij zich niet ten nadele van zijn ingezetenen rechtstreeks op de richtlijn beroepen die hij verzuimde heeft om te zetten.16.Art. 16(1) van de EU-Bijstandrichtlijn (zie 3.3 hierboven) is (correct) geïmplementeerd in Nederland in art. 30 WIB. Zoals het Hof terecht heeft overwogen, staat echter art. 94 Grondwet in de weg aan toepassing van nationale bepalingen, ook implementatiebepalingen, die onverenigbaar zijn met een rechtstreeks werkende bepaling van een (belasting)verdrag.17.Dat is ook de mening van de regering, zoals blijkt uit antwoorden van de Staatssecretaris van Financiën op Kamervragen18.over de verhouding tussen bilaterale belastingverdragen en de Nederlandse implementatie van de fiscale anti-misbruikrichtlijnen ATAD19.1 en 2 van de EU:
“Binnen de Nederlandse rechtsorde gaan verdragen op grond van artikel 94 van de Grondwet boven nationale wetgeving. Dat geldt in beginsel ook indien de toepasselijke nationale wetgeving voortkomt uit de implementatie van EU-richtlijnen. De Nederlandse onderhandelingsinzet bij de totstandkoming of wijziging van belastingverdragen is erop gericht dat de winst van een buiten beschouwing blijvende vaste inrichting niet zal worden vrijgesteld. Ik ga ervan uit dat verdragspartners bereid zullen zijn een bepaling te accepteren die voorkomt dat ten onrechte een vrijstelling moet worden gegeven.
6.3
Art. 27(2) van het belastingverdrag met Duitsland (zie 2.2 hierboven) is concreet en onvoorwaardelijk genoeg om door de rechter in een concrete casus als recht te worden toegepast en daarmee ‘een ieder verbindend’ zoals bedoeld in art. 94 Grondwet. Art. 27(2) Verdrag stelt dus eventueel daarmee onverenigbaar nationaal recht buiten werking.
6.4
De vraag is dan of het Hof terecht heeft geoordeeld dat, nu de Duitse autoriteiten niet separaat hebben ingestemd met het gebruik van de verstrekte gegevens voor strafvervolging van delicten ter zake van belastingen waarop het verdrag ziet, het rechtstreeks werkende art. 27(2) Verdrag in de weg staat aan strafvervolging van de litigieuze informatieweigering.
7. Middel 1: Laat art. 27(2) Verdrag gebruik voor vervolging van fiscale delicten toe?
7.1
Het eerste middel betoogt dat art. 27(2) Verdrag zonder meer het gebruik van de uitgewisselde gegevens toestaat voor fiscale strafvordering, i.e. ter zake van delicten met betrekking tot de belastingen waarop het verdrag ziet. Het tweede middel betoogt dat de uitgewisselde gegevens überhaupt niet zijn gebruikt voor fiscaal-strafvorderlijke doeleinden, maar alleen voor heffings- en toezichtsdoeleinden, nl. voor een fiscale informatievordering op basis van art. 47 AWR met het oog op correcte belastingheffing.
7.2
Indien één van beide middelen doel treft, is het OM ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in de litigieuze strafvervolging en moet de zaak terug naar de feitenrechter. Het andere middel behoeft dan geen beoordeling, maar u bewijst de praktijk denkelijk een dienst door op beide middelen in te gaan en beide vragen te beantwoorden.
7.3
Uit de Nederlandse en Duitse teksten van art. 27(2) van het belastingverdrag (zie 3.3 en 5.1 hierboven: ‘vervolging’ resp. ‘Strafverfolgung’) volgt onmiskenbaar dat geen instemming van de gegevensverstrekkende autoriteit nodig is voor het gebruik van uitgewisselde fiscale gegevens voor de handhaving van belastingwetgeving door bestuurlijke beboeting of strafvervolging van delicten met betrekking tot de belastingen waarop het Verdrag ziet (fiscale delicten). Ik zie niet hoe daar redelijkerwijs twijfel over zou kunnen bestaan.
7.4
Raadpleging van de tekst van het OESO-Modelverdrag en het bijbehorende commentaar is dan niet meer nodig, maar ten overvloede volgt uit de boven (5.5) geciteerde MvT bij de goedkeuringswet en uit tekstvergelijking dat art. 27(2) van het Verdrag materieel gelijk luidt aan art. 26(2) van het OESO-Modelverdrag, zodat volgens uw belastingkamer (zie 5.3 hierboven) het boven (5.4) geciteerde OESO-commentaar bij die bepaling ‘van grote betekenis’ is bij de uitleg van art. 27(2) van het Verdrag met Duitsland. Uit de tekst van die Modelbepaling (zie 5.2: ‘prosecution’ resp. ‘poursuites’) volgt overigens al dat geen separate instemming vereist is voor gegevensgebruik voor handhaving van belastingwetgeving door vervolging van fiscale delicten. Uit het OESO-commentaar volgt dat alleen voor vervolging van ‘non-fiscal crime’ separate instemming van de verstrekkende autoriteit is vereist.
7.5
Het Hof heeft echter kennelijk de nadruk gelegd op het woord ‘steuerlichen’ in de passage ‘Diese Informationen unterliegen den Geheimhaltungsbestimmungen der oben genannten Regelungen und dürfen nur für die dort genannten steuerlichen Zwecke verwendet werden’ in de e-mail van de Duitse autoriteiten. Hij leest daarin een voorbehoud ter zake van gebruik voor alle Zwecke die niet steuerlich zijn. Daargelaten de vraag wat dat voorbehoud dan zou betekenen, nu ‘steuerlich’ niet noodzakelijkerwijs handhaving van belastingwetgeving door fiscale beboeting en vervolging van fiscale delicten uitsluit, meen ik met het OM dat als de Duitse autoriteiten al een voorbehoud zoals verondersteld door het Hof zouden hebben willen maken, daarvoor geen basis bestaat in het Verdrag of de Bijstandsrichtlijn. Art. 27(2) bepaalt immers juist zonder (mogelijkheid van) voorbehoud dat uitgewisselde gegevens gebruikt mogen worden voor ‘de vaststelling of invordering van, de handhaving of vervolging terzake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop’ (‘der Veranlagung oder Erhebung, der Vollstreckung oder Strafverfolgung, der Entscheidung über Rechtsmittel hinsichtlich der in Absatz 1 genannten Steuern oder mit der Aufsicht darüber’); die bepaling eist, in de laatste volzin, alleen voor gebruik voor ‘andere doeleinden’ (‘andere Zwecke’) toestemming van de verstrekkende autoriteit.
7.6
Ik meen daarom met het OM dat het Hof art. 27(2) van het Verdrag verkeerd heeft uitgelegd en dat in de e-mail van de Duitse autoriteiten niet het voorbehoud gelezen kan worden dat het Hof er kennelijk in leest. Zou dat er wél in gelezen kunnen worden, dan meen ik met het OM dat de Duitse autoriteiten niet bevoegd waren om een dergelijk voorbehoud te maken bij gebrek aan verdragsbasis, zodat in dat geval de Duitse autoriteiten art. 27(2) verkeerd uitgelegd hebben, aan welke onjuiste ambtelijke interpretatie de Nederlandse rechter niet is gebonden. Die autoriteiten kunnen bij hun spontane gegevensuitwisseling zoals de litigieuze (‘spontaan’ wil niet zeggen ‘onverplicht’, maar slechts ‘zonder voorafgaand verzoek’) geen gebruiksbeperking aan de ontvangende Staat opleggen waarin het belastingverdrag c.q. de Bijstandsrichtlijn niet voorziet.
7.7
Middel 1 treft dus doel.
8. Middel 2: Zijnde uitgewisselde gegevens überhaupt strafvorderlijk gebruikt?
8.1
Een ieder is verplicht om voor heffingsdoeleinden aan een informatievordering ex art. 47 AWR ter zake van de eigen (mogelijke) belastingplicht te voldoen,20.ook als de betrokkene zichzelf daarmee mogelijk verdacht maakt,21.en ook als hij al verdacht wordt van een fiscaal delict of zelfs al beboet is daarvoor.22.Hij kan zich, voor zover het om de belastingheffing gaat, niet op enig zwijgrecht beroepen.23.Het niet-voldoen aan zo’n rechtmatige vordering van fiscaal relevante gegevens voor heffingsdoeleinden is een separaat delict, dat separaat vervolgd en bestraft kan worden (en basis kan zijn van een civiele dwangsomvordering van de fiscus tegen de belastingplichtige) zonder in strijd te komen met het nemo tenetur beginsel ter zake van de daarnaast mogelijk gerezen verdenking ter zake van opzettelijk onjuiste belastingaangiften.24.
8.2
Zouden de inlichtingen of documenten die de belastingplichtige desgevorderd verstrekt behalve voor aanslagoplegging óók gebruikt worden om hem bestuurlijk te beboeten of strafrechtelijk te vervolgen voor opzettelijk onjuiste belastingaangiften, dan moet de boeterechter c.q. de strafrechter beoordelen of dat verenigbaar is met de eisen van art. 6 EVRM, met name met de onschuldpresumptie. Daarvoor lijkt beslissend of het gevorderde materiaal testimonial of documentary evidence is: uw rechtspraak houdt in navolging van die van het EHRM25.in dat in beginsel alleen bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de - afgedwongen - medewerking van de verdachte (verklaringen of nog niet bestaande documenten) onbruikbaar is voor het bewijs van een strafbaar feit.26.
8.3
In casu heeft de verdachte structureel geweigerd om bevoegdelijk en rechtmatig van hem gevorderde fiscaal relevante informatie aan de Inspecteur te verstrekken. Hij wordt in deze procedure uitsluitend dáárvoor vervolgd; niet voor het verzwijgen van of jokken over buitenlands vermogen. Die informatieweigering is geheel zelfstandig door de Nederlandse fiscus geconstateerd. Over dát feit hebben de Duitse autoriteiten uiteraard geen gegevens verstrekt, want het bestond nog niet toen de bankgegevens werden uitgewisseld. Het was evenmin voorzienbaar dat de verdachte dat feit in de toekomst zou gaan plegen. De gegevensuitwisseling kán dus niet ten grondslag hebben gelegen aan de verdenking van informatieweigering. Die verdenking kon pas rijzen door de informatieweigering zelf. Voor (de verdenking ter zake van) dát feit (informatieweigering) is niet relevant of de uitgewisselde bankgegevens al dan niet voor fiscale strafvervolging mogen worden gebruikt. Die gegevens zijn immers niet gebruikt voor vervolging van de informatieweigering, maar uitsluitend voor de rechtmatige informatievordering ex art. 47 AWR, waartoe de Inspecteur niet alleen bevoegd, maar mijns inziens ook verplicht was, gegeven de aard van de rechtmatig ontvangen bankgegevens, het dwingende belastingrecht en de égalité devant les charges publics. Van een fishing expedition zoals in HR (strafkamer) BNB 2024/2627.is geen sprake.
8.4
Terecht niet in geschil is dat de aanleiding voor die fiscale informatievordering rechtmatig is ontstaan, nu terecht niet in geschil is dat de bankgegevens, die duidelijk noopten tot fiscaal onderzoek, rechtmatig aan de Nederlandse autoriteiten zijn verstrekt. Het op die rechtmatige verstrekking gebaseerde, bevoegdelijke gebruik voor de belastingheffing in de vorm van een vordering ex art. 47 AWR, strekkende tot - fiscaal manifest relevante - opheldering door de verdachte is dan evenzeer rechtmatig. De Nederlandse fiscus behoeft geen toestemming van de Duitse fiscus voor de uitoefening van zijn toezicht- en heffingstaken jegens Nederlands ingezetenen. Informatievordering voor correcte aanslagoplegging is geen strafvervolging, maar toezicht op de naleving van de belastingwet. De internationale uitwisseling van fiscaal relevante gegevens juist daarvoor in het leven is geroepen. Pas ná de informatievordering en de weigering eraan te voldoen kon een verdenking ter zake van informatieweigering rijzen en kon zich een strafvervolging ter zake van dát feit ontwikkelen.
8.5
Anders dan het Hof, lijkt mij niet relevant dat de Inspecteur deze verdachte denkelijk geen vragen over buitenlands vermogen zou hebben gesteld als hij de Duitse bankgegevens niet had ontvangen. Op die ontvangst valt immers niets aan te merken, evenmin als op de daarop gebaseerde fiscale informatievordering. De opsteller van middel 2 betoogt terecht dat niet valt in te zien waarom een nieuw delict dat de verdachte ruim ná de gegevensuitwisseling pleegt naar aanleiding van een rechtmatige informatievordering (bijvoorbeeld bedreiging van de Inspecteur), niet vervolgd zou mogen worden zonder toestemming van de buitenlandse autoriteiten wier rechtmatige gegevensverstrekking tot die rechtmatige informatievordering noopte. Die autoriteiten zouden waarschijnlijk raar opkijken als het Nederlandse OM hun toestemming zou vragen voor de vervolging van die bedreiging (of, in casu, van de informatieweigering). Voor het ontstaan van de verdenking van die bedreiging c.q. weigering zijn de verstrekte bankgegevens immers irrelevant. Voor die verdenking en vervolging zijn slechts relevant de gedragingen die de bestanddelen van de wettelijke delictsomschrijving van bedreiging c.q. informatieweigering omvatten. Het redelijke vermoeden van schuld aan informatieweigering staat los van – heeft niets te maken met - de mogelijke andere verdenking van fiscale fraude die mogelijk oprees uit de uitgewisselde bankgegevens.
8.6
Uw belastingkamer heeft vorige maand een zaak28.beoordeeld waarin vast stond dat – anders dan in onze zaak - de aanleiding voor de informatievordering jegens de belastingplichtige onrechtmatig was. Die aanleiding was een bij doorzoeking bij de belastingplichtige thuis aangetroffen akte van schenking van een groot pakket aandelen aan de belastingplichtige door diens vader. Die vondst noopte tot vragen ex art. 47 AWR aan de belastingplichtige, wiens belastingaangiften geen aandelenbezit vermeldden. Hij weigerde mee te werken, waarop de Inspecteur wegens onrechtmatige informatieweigering een informatiebeschikking oplegde (art. 52a AWR) om de bewijslast ter zake van de (on)juistheid van de aanslag om te keren en te verzwaren ten laste van de belastingplichtige. Vast stond dat de akte strafrechtelijk onrechtmatig was verkregen omdat een bepaald proces-verbaal ontbrak in het dossier op basis waarvan de rechter-commissaris de doorzoeking had toegestaan.29.Dat p.-v. was pas later toegevoegd. Onduidelijk bleef wat de oorzaak was van die aanvankelijke onvolledigheid en ook of volledigheid de r.-c. tot een andere beslissing zou hebben gebracht. De belastingplichtige betoogde dat de schenkingsakte door de onrechtmatige verkrijgingswijze onbruikbaar was, met name als grond voor omkering en verzwaring van de bewijslast. De Inspecteur zou zonder de onrechtmatige kennisneming ervan immers niet op het idee gekomen zijn om vragen over aandelenbezit te stellen. Hij zou daarzonder redelijkerwijs niet hebben kunnen stellen dat zulke vragen een concreet heffingsbelang konden dienen, aldus de belanghebbende. Als geen enkele concrete aanleiding voor enig vermoeden van aandelenbezit bestaat, is speculatief vragen naar vermogen een verboden fishing expedition en bestaat geen antwoordplicht, dus ook geen antwoordverzuim. Art. 47 AWR werkt alleen ‘desgevraagd’, zodat geen meewerkplicht bestaat als er geen of alleen onrechtmastige vragen zijn gesteld. Niet gesteld of gebleken was dat de Inspecteur enige andere grond had voor een vermoeden van aandelenbezit, aldus die belastingplichtige.
8.7
Uw derde kamer achtte echter zelfs deze onbetwist onrechtmatig verkregen akte bruikbaar (i) voor een informatievordering ex art. 47 AWR en bij weigering (ii) als basis voor procedurele sancties ten nadele van de weigeraar. Zij verwierp het boven weergegeven betoog van de belastingplichtige, overwegende (r.o. 4.3.4):
“(…) dat in alle gevallen waarin de inspecteur gebruik wil maken van bewijsmiddelen die jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, het gebruik daarvan slechts dan niet is toegestaan indien (i) artikel 6 EVRM daartoe dwingt, of (ii) die bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.”
Procedurele sanctionering van informatieweigering na een vordering ex art. 47 AWR die (uitsluitend) gebaseerd wordt op strafrechtelijk onrechtmatig verkregen aanvangsgegevens was in dit geval volgens de belastingkamer dus noch in strijd met art. 6 EVRM (en daarmee in beginsel evenmin met art. 47 EU-Handvest; zie art. 52(3) EU-Handvest), noch in strijd met hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht.
8.8
Ik meen dat ook middel 2 doel treft.
9. Van ambstwege: art. 359a Sv.
9.1
Het proces-verbaal van ’s Hofs zitting van 26 maart 2024 verwijst naar de aangehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte (en 9 andere verdachten, te wier behoeve tegelijk en in gelijke zin werd gepleit). Die pleitnota vermeldt:
“2.14. Het is vaste rechtspraak dat voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie vanwege een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. plaats is wanneer de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (Vgl. HR 29 november 2011, LJN BT7104, NJ 2012/146 m.nt. Borgers, rov. 2.4 en HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.6.5). In een overzichtsarrest in 2020 heeft de Hoge Raad nog enkele nuanceringen aangebracht maar heeft het geen aanleiding gezien substantiële wijzigingen aan te brengen in het beoordelingskader zoals dat volgt uit de genoemde arresten (ECLI:NL:HR:2020:1889).
2.15.
Door doelbewust en met grote veronachtzaming het rechtsbeschermende karakter van de interstatelijke voorwaarden voor rechtshulp te negeren, heeft het Openbaar Ministerie een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM met voeten getreden (vergelijk o.a. HR 5 oktober 2010, EGLI:NL:HR:2010:BL5629). Het verzoek van de verdediging is derhalve om het Openbaar Ministerie ook op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verdediging [bedoeld zal zijn: vervolging; PJW].
2.16.
Indien en voorzover uw Hof onverhoopt niet zover wenst te gaan, is het verzoek om in elk geval al het bewijs dat voortkomt uit de internationale gegevensuitwisseling, uit te sluiten. Zowel in directe zin als indirecte zin, dat wil zeggen dat ook verklaringen van belastingambtenaren omtrent informatie over een kennelijke bankrekening bij BCEE in Luxemburg en de kennelijk identificatie van de betreffende verdachte, van bewijs moet worden uitgesloten. In alle gevallen verzoekt de verdediging met deze schending rekening te houden bij uw strafrechtelijke bejegening van de verdachten.”
9.2
Het Hof heeft niet verwezen naar art. 359a Sv. waarop de raadsman aldus beroep deed, maar lijkt zich, gezien zijn overwegingen en dictum, daarop wel gebaseerd te hebben.
9.3
Dat de raadsman en het Hof - mijns inziens ten onrechte – anders over de uitleg van art. 27(2) van het Verdrag denken dan het OM, kan mijns inziens niet worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim waardoor de behandeling van de zaak niet meer aan de beginselen van een behoorlijke procesorde zou kunnen voldoen en het OM niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Mijns inziens is geen sprake van een vormverzuim,30.maar (ad middel 1) van een rechtsvraag naar de uitleg van art. 27(2) van het Verdrag, c.q. (ad middel 2) van een beoordeling of de oorsprong van de verdenking van opzettelijke informatieweigering lag in de rechtmatige gegevensontvangst c.q. de rechtmatige informatie-vordering, of pas in verdachte’s gedrag ná die informatievordering. Het OM had het mijns inziens op beide punten bij het rechte eind, zodat niet valt in te zien hoe diens handelwijze zozeer zou indruisen tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht31.dat hem de mogelijkheid onthouden zou moeten worden om het - kennelijk niet bestreden - voortdurende strafbare feit van opzettelijke informatieweigering te vervolgen.
9.4
Ik merk daarbij op dat volgens uw vaste rechtspraak het OM alleen in zeer uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk verklaard kan worden in zijn vervolging. U ziet daarvoor alleen ruimte als:
“het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.”32.
9.5
Eind 2020 heeft u deze maatstaf als volgt verduidelijkt:33.
“De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – “the proceedings as a whole were not fair”. In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).”
9.6
Het Hof heeft zich in onze zaak mogelijk gebaseerd op het genoemde arrest HR NJ 1998, 879.34.Het OM had in die zaak getuigen (van ramkraken) opgedragen om bepaalde vragen van de rechter niet te beantwoorden en had daarmee de rechterlijke waarheidsvinding belemmerd. Mogelijk meede het Hof dat het OM het ook in onze zaak onmogelijk maakte om de waarheid te vinden of te beoordelen of zich een ernstig vormverzuim had voorgedaan door niet in te gaan op de wens van het Hof om de Duitse autoriteiten te vragen (i) op welk van de twee uitwisselingsinstrumenten zij zich hadden gebaseerd, (ii) of zij met hun verwijzing naar ‘die genannten steuerlichen Zwecke’ bedoelden ook strafvorderlijk gebruik ter zake van fiscale delicten uit te sluiten en zo ja, (iii) of zij daarvoor dan alsnog toestemming zouden willen geven. Van het belemmeren van waarheidsvinding of procedurebeoordeling is mijns inziens echter geen sprake. Het Hof was heel wel in staat om zelfstandig – hij is daartoe van ambtswege verplicht – art. 27(2) van het Verdrag te interpreteren en om als feitenrechter in te zien dat de verdenking ter zake van informatieweigering niet steunde op dezelfde gegevens of feiten als de mogelijke verdenking van fiscale fraude die mogelijk oprees uit de rechtmatig ontvangen bankgegevens, maar op de veel latere weigering door de verdachte om te voldoen aan de eveneens rechtmatige, want op correcte belastingheffing gerichte informatievordering ex art. 47 AWR waarvoor geen toestemming van enige andere autoriteit vereist was.
10. Conclusie
Ik geef u in overweging beide cassatiemiddelen gegrond te verklaren, ’s Hofs uitspraak te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar het Hof Den Bosch om op de bestaande hogere beroepen alsnog inhoudelijk te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑03‑2025
Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG, Pb. L 64/1 van 11 maart 2011.
Het Hof verwijst naar: “HvJ EU 8 oktober 1987, Kolpinghuis, 80/86, ECLI:EU:C:1987:431, r.o. 42; HvJ EU 5 juli 2007, Kofoed, C-321/05, ECLI:EU:C:2007:408 en HvJ EU 26 september 1996, Arcaro, C-168/95, ECLI:EU:C:1996:363.”
Het Hof verwijst naar: “HvJ EU 6 oktober 2020, B en B, C-245/19 en C-246/19, ECLI:EU:C:2020:795 en HvJ EU 25 november 2021, L, C-437/I9, ECLI:EU:C:2021:953.”
Het OM verwijst naar HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1436, BNB 2023/33 (zie 5.3 hieronder).
Het OM verwijst naar HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603.
Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (met Bijlage, Protocol en Onderlinge Overeenkomst), Berlijn, 12 april 2012, Trb. 2012, 123.
Model Tax Convention on Income and on Capital 2017 (Full Version), OECD Publishing, Paris, 2019, beschikbaar in Engels en Frans op https://doi.org/10.1787/g2g972ee-en.
Zie onder meer HR 2 september 1992, nr. 26 059, ECLI:NL:HR:1992:ZC5045, BNB 1992/379, r.o. 3.3.2 en HR 14 juli 2017, nr. 16/03578, ECLI:NL:HR:2017:1326, BNB 2017/188, r.o. 3.1.2.
HR 14 oktober 2022, nr. 21/00747, ECLI:NL:HR:2022:1436, BNB 2023/33.
Kamerstukken II, 2012/13, 33615, nr. 3, p. 39-40.
L.E.C. Neve, 'Franse fiscus krijgt klantgegevens UBS', Tijdschrift voor formeel belastingrecht (TFB) 2020/4.
Cihat Öner, ‘2012 Update to the OECD Model (2010): Exchange of Information for Non-Tax Purposes’, European Taxation 2013, nr. 2/3.
Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG, Pb. L 64/1 van 11 maart 2011.
Wet van 24 april 1986, Stb. 276, zoals laatstelijk gewijzigd bij Wet van 27 september 2024, Stb. 440.
Zie onder meer HvJ EG 8 oktober 1987, zaak 80/86, Kolpinghuis, ECLI:EU:C:1987:431 en HvJ EU 5 juli 2007, zaak C-321/05, Kofoed, ECLI:EU:C:2007:408.
Zie over de toepasbaarheid van concrete en onvoorwaardelijke richtlijnbepalingen die de lidstaten verplichten om belastingplichtigen verplichtingen op te leggen, maar onverenigbaar zijn met rechtstreeks werkende bepalingen in bilaterale belastingverdragen: Mees Vergouwen, The Effect of Directives within the Area of Direct Taxation on the Interpretation and Application of Tax Treaties, Wolters Kluwer 2023, para. 7.3.3 (p. 220-221).
Zie Handelingen II, 2020-2021, 25 087 (Internationaal fiscaal (verdrags)beleid), nr. 260 (Verslag van een schriftelijk overleg), p. 28 en de Brief Staatssecretaris van Financiën van 21 september 2020, nr. 2020-0000166279, V-N 2020/59.9.
Anti-Tax Avoidance Directives (1) en (2): Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, PbEU 2016, L 193/1 (ATAD 1); Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybride mismatches met derde landen, PbEU 2017, L 144/1 (ATAD 2).
EHRM 21 april 2009, nr. 19235/03 (Marttinen v. Finland), ECLI:CE:ECHR:2009:0421JUD001923503, FED 2009/69 m.nt. Thomas, NJ 2009/557 m.nt. Schalken.
Zie EHRM, 8 april 2004, nr. 38544/97 (Weh v. Austria), ECLI:CE:ECHR:2004:0408JUD003854497, EHRM 10 september 2002, nr. 76574/01 (Allen v UK), ECLI:CE:ECHR:2002:0910DEC007657401, FED 2003/589 en HR (strafkamer) 22 juni 1999, nr. 109.512E, NJ 1999/648.
Zie EHRM 16 juni 2015, nr. 784/14 (Van Weerelt v. Netherlands), ECLI:CE:ECHR:2015:0616DEC000078414, H&I 2015/266 m.nt. Thomas, AB 2017/286 m.nt. Stijnen en NTFR 2015/2927 m.nt. Huygen Van Dyck-Jagersma:“61. (…). the Tax and Customs Administration was entitled to compel the applicant to give information that could not be obtained from any other source than the applicant himself for the purpose of levying taxes and interest in accordance with the applicable tax legislation.”Zie ook HR (derde kamer) 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, BNB 2014/101, HR (derde kamer) 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AF5556, na conclusie Wattel, BNB 2004/225 m.nt. Zwemmer, V-N 2004/14.3 m.nt. Redactie, NTFR 2004/316 m.nt. Thomas, HR (derde kamer) 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, BNB 2008/159 m.nt. Albert, V-N 2008/16.5 m.nt. Redactie en
HR (derde kamer) 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359, na conclusie Niessen, BNB 2016/23 m.nt. Van Eijsden, HR (strafkamer) 11 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:AW5744, BNB 1992/243 m.nt. J. P. Scheltens.
EHRM 10 september 2002, nr. 76574/01 (Allen v UK), ECLI:CE:ECHR:2002:0910DEC007657401, FED 2003/589, EHRM 4 oktober 2022, nr. 58342/15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215 (De Legé v. Netherlands). Zie ook EHRM 23 mei 2007, nr. 15809/02, (O’Halloran and Francis), over bestraffing van het niet-verklaren wie de ‘geflitste’ auto van de betrokkene bestuurde, AB 2008, 234 m.nt. Barkhuysen, FED 2008/81 m.nt. Thomas, NJ 2008, 25 m.nt. Alkema.
EHRM 17 december 1996, nr. 43/1994/490/572, ECLI:CE:ECHR:1996:1217JUD001918791 (Saunders v. UK), EHRM 5 april 2012, 11663/04 (Chambaz v. Switzerland, EHRM 3 mei 2001, nr. 31827/96, ECLI:NL:XX:2001:AL1323 (J.B. v. Switzerland), EHRM 4 oktober 2022, nr. 58342/15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215 (De Legé v. Netherlands).
HR (derde kamer) 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359, na conclusie Niessen, BNB 2016/23 m.nt. Van Eijsden, HR (eerste kamer) 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640, na conclusie Wattel, NJ 2013/435 m.nt. Zwemmer, AB 2013/343 m.nt. Stijnen, BNB 2014/101 m.nt. Van Eijsden, JOR 2013/339 m.nt. Nuyten, NbSr 2013/302 m.nt. Feenstra, NTFR 2013/1586 m.nt. Hendriks, V-N 2013/37.7 m.nt. Redactie en EHRM 4 oktober 2022, nr. 58342/15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215 (De Legé v. Netherlands).
HR (strafkamer) 14 november 2023, 22/00545, na conclusie Keulen, ECLI:NL:HR:2023:1562, BNB 2024/26, m.nt. De Bont (geldboete voor het niet meebrengen naar een politieverhoor van “alle” gegevens die betrekking hebben op het bestellen of ontvangen van vuurwerk, hoewel de betrokkene van slechts één illegale vuurwerktransactie werd verdacht.
HR (belastingkamer) 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154, na conclusie Wattel, ECLI:NL:PHR:2023:1076.
Anders dan de strafzaak tegen de vader, werd de strafzaak tegen de zoon (de belastingplichtige in deze zaak) geseponeerd, aanvankelijk met de code ‘onvoldoende bewijs’, maar later op diens verzoek met de code ‘ten onrechte als verdachte aangemerkt’.
Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, na conclusie Vellinga, NJ 2004/376, m.nt. Buruma, V-N 2004/50.7 m.nt. Redactie: vormverzuim is niet-naleving van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften.
Zie voor dit fiscaal-boeterechtelijke criterium (dat het Hof lijkt te gebruiken) en het verband met art. 359a Sv.: HR (belastingkamer) 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643, na conclusie Wattel, BNB 2015/173, m.nt. De Bont.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, na conclusie Vellinga, NJ 2004/376 m.nt. Buruma en V-N 2004/50.7 m.nt. Redactie, r.o. 3.6.5. - het zogenoemde Zwolsman-criterium (HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0328, na conclusie Van Dorst, NJ 1996/249 m.nt. Schalken, AA20050386 m.nt. Knoops.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, na conclusie Bleichrodt, NJ 2021/169 m.nt. Jörg.
HR 8 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1239, na conclusie Van Dorst, NJ 1998/879 m.nt. Schalken.
Beroepschrift 29‑11‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Parketnummer: 20-002135-22
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 9 april 2024, waarbij het Hof in de strafzaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],
het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde feit niet-ontvankelijk in de vervolging heeft verklaard.
Rekwirant kan zich met deze beslissing en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom twee middelen van cassatie voor.
Inleiding
1.
Op 30 september 2016 heeft de Duitse belastingdienst (Bundeszentralamt für Steuern) spontaan informatie verstrekt omtrent Luxemburgse BCEE-bankrekeningen die door Nederlanders werden aangehouden. Verdachte betrof één van die Nederlanders. Conform art. 47 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft de inspecteur der rijksbelastingen vervolgens middels een vragenbrief verdachte verzocht om informatie over buitenlands vermogen te verstrekken.
2.
Verdachte heeft geweigerd om de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Nadat de uiterste termijn voor het verstrekken van de informatie verlopen was, is door de Belastingdienst en FIOD een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam Cambridge1.. Dit heeft tot vervolging van verdachte geleid wegens het niet voldoen aan de informatieplicht (art. 68 en 69 AWR).
3.
Bij arrest van 9 april 2024 heeft het gerechtshof 's‑Hertogenbosch het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het Hof overwoog — voor zover in cassatie van belang — als volgt:
‘In de aanhef van het e-mailbericht van het Bundeszentralamt für Steuern d.d. 30 september 2016 is onder meer vermeld:
‘Informationsaustausch nach unserem Doppelbesteuerungsabkommen und der Richtlinie 2011/16/EU des Rates der Europäischen Union (Exchange of Information pursuant to our Double Taxation Convention and under Council Directive 2011/16/EU)’.
De in het e-mailbericht genoemde en op de uitwisseling van de gegevens toepasselijke regelgeving betreft de Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (hierna: de EU bijstandsrichtljn) en het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 2012, 123; hierna: het Belastingverdrag).
Artikel 16 van de EU-bijstandsrichtlijn luidt — voor zover te dezen van belang — als volgt:
- ‘1.
De inlichtingen die de lidstaten elkaar krachtens deze richtlijn in enigerlei vorm verstrekken, vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming waarin het nationale recht van de ontvangende lidstaat met betrekking tot soortgelijke inlichtingen voorziet. Deze inlichtingen kunnen worden gebruikt voor de administratie en de handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde belastingen. De inlichtingen kunnen tevens worden gebruikt voor de vestiging en executie van andere belastingen en rechten vallend onder artikel 2 van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde belastingen, rechten en andere maatregelen (…), en voor de vestiging en executie van verplichte sociale zekerheidsbijdragen. De inlichtingen kunnen voorts worden gebruikt in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van de verdachten en getuigen in dergelijke procedures.
- 2.
Met toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die overeenkomstig deze richtlijn inlichtingen verstrekt, en voor zover het in de lidstaat van de ontvangende bevoegde autoriteit wettelijk is toegestaan, kunnen de overeenkomstig deze richtlijn ontvangen inlichtingen en bescheiden voor andere dan de in lid 1 bedoelde doeleinden worden gebruikt. De toestemming wordt verleend indien de inlichtingen, in de lidstaat van de bevoegde autoriteit die de inlichtingen verstrekt, voor soortgelijke doeleinden kunnen worden gebruikt.’
Artikel 27 van het Belastingverdrag luidt — eveneens voor zover te dezen van belang — als volgt:
- ‘1.
De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten wisselen de informatie uit die naar verwachting van belang is voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag of voor de toepassing of de handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van een verdragsluitende staat, een deelstaat of van een staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam van een verdragsluitende staat of deelstaat, voor zover de heffing van die belastingen niet in strijd is met het Verdrag. De uitwisseling van informatie wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2.
- 2.
Alle uit hoofde van het eerste lid door een verdragsluitende staat ontvangen informatie wordt op dezelfde wijze geheim gehouden als informatie die volgens de nationale wetgeving van die staat is verkregen en wordt alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de handhaving of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor deze doeleinden van de informatie gebruikmaken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen. Niettegenstaande de voorgaande bepalingen mag de informatie voor andere doeleinden worden gebruikt, indien zij ingevolge het recht van beide staten voor deze andere doeleinden mag worden gebruikt en de bevoegde autoriteit van de staat die haar heeft verstrekt met dit gebruik instemt.’
In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2012/13, 33615, nr. 3) is met betrekking tot de totstandkomingsgeschiedenis van het Belastingverdrag het volgende vermeld:
‘II.27. Uitwisseling van inlichtingen (artikel 27 en artikel XVIII van liet Protocol)
(…)
Aan het eind van artikel 27, tweede lid, is op verzoek van Duitsland de tekst toegevoegd die als suggestie is opgenomen in het OESO-commentaar op artikel 26, paragraaf 12.3. Met deze toevoeging is het toegestaan inlichtingen die een Verdragsluitende Staat ontvangt, te gebruiken voor andere doeleinden dan hetgeen is neergelegd in het eerste lid en het tweede lid van artikel 27 van het Verdrag. Zoals volgt uit het OESO-commentaar op artikel 26, paragraaf 12.3, moet bij deze doeleinden worden gedacht aan het delen van fiscale gegevens met instanties ten behoeve van de aanpak van zaken met hoge prioriteit, zoals het bestrijden van witwassen van geld, corruptie en terrorismefinanciering. Om een correcte gang van zaken te waarborgen, geldt als voorwaarde voor het gebruik van gegevens voor andere doeleinden dat er een grondslag moet zijn in het recht van beide Verdragsluitende Staten en dat de bevoegde autoriteit van de gegevensverstrekkende Verdragsluitende Staat toestemming verleent voor het gebruik ervan.
(…)
In artikel XVIII, eerste lid, van het Protocol bij het Verdrag is op verzoek van Duitsland een aantal, op grond van Duitse formeelrechtelijke overwegingen noodzakelijke, bepalingen opgenomen, die een extra waarborg bieden dat de bevoegde autoriteiten op gepaste wijze met informatie over belastingplichtigen omgaan.
In artikel XVIII, tweede en derde lid, van het Protocol bij het Verdrag wordt bevestigd dat Nederland uitgewisselde informatie ook kan gebruiken voor de toepassing van het Nederlandse stelsel van inkomensafhankelijke regelingen (toeslagen).’
In het e-mailbericht van de Duitse autoriteiten d.d. 30 september 2016 is het volgende voorbehoud gemaakt:
‘Diese Informationen unterliegen den Geheimhaltungsbestimmungen der oben genannten Regelungen und dürfen nur für die dort genannten steuerlichen Zwecke verwendet werden.’
Mede omdat het voorbehoud (‘steuerliche Zwecke’) gelezen kan worden als een voorbehoud dat de uitgewisselde informatie alleen voor belastingdoeleinden mag worden gebruikt heeft het hof bij tussenarrest van 10 oktober 2023 onder meer bevolen dat het Openbaar Ministerie een schriftelijke conclusie zal nemen, al dan niet na een daartoe door opsporingsambtenaren opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, over de vraag op welke juridische grondslag (de EU-bijstandsrichtlijn en/ of het Belastingverdrag) de gegevensuitwisseling en het voormelde voorbehoud is gestoeld. Daarbij diende tevens antwoord te worden gegeven op de vraag of de verstrekte bankgegevens ook voor strafrechtelijke doeleinden mogen worden gebruikt en of er daarvoor reeds toestemming was verleend door de Duitse bevoegde autoriteiten dan wel of die toestemming alsnog via de bevoegde autoriteit kon worden verkregen.
Weliswaar is een conclusie door het Openbaar Ministerie genomen waarin, onder verwijzing naar twee memo's van een fiscalist bij het team Verhuld Vermogen van de Belastingdienst, uiteen is gezet dat het volgens de advocaat-generaal mogelijk is om de uit Duitsland ontvangen gegevens te gebruiken voor de vervolging van ‘fiscaal strafbaar gestelde feiten’, maar of toestemming is verleend door de Duitse autoriteiten om de gegevens (eveneens) voor strafrechtelijke doeleinden te gebruiken is bij gebrek aan enig antwoord ongewis gebleven.
Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat er geen toestemming door de Duitse autoriteiten is verleend, ook niet achteraf, om de verstrekte gegevens te gebruiken voor strafrechtelijke doeleinden. Gezien het gemaakte voorbehoud en in aanmerking genomen dat de gegevens niet (ook) zijn uitgewisseld op grond van een verdrag, richtlijn of andere Unierechtelijke regeling die strafrechtelijke gegevensuitwisseling tussen Duitsland en Nederland mogelijk maakt, betekent zulks naar het oordeel van het hof dat het voorbehoud moet zijn gestoeld op het Belastingverdrag en dat de verkregen gegevens alleen voor de in het Belastingverdrag genoemde belastingdoeleinden mochten worden gebruikt.
Ofschoon de in artikel 16, eerste lid, van de EU-bijstandsrichtlijn genoemde zinsnede:
‘De inlichtingen kunnen voorts worden gebruikt in mogelijk tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving, onverminderd de algemene regels en de bepalingen betreffende de rechten van de verdachten en getuigen in dergelijke procedures (…)’
naar het oordeel van het hof kan worden opgevat als tevens betrekking hebbende op strafrechtelijke procedures en de EU-bijstandsrichtlijn (deel uitmakend van het Unierecht) van een hogere rechtsorde is dan het Belastingverdrag en aldus daar in beginsel op prevaleert, dient naar 's hofs oordeel het Openbaar Ministerie te worden gehouden aan de door Duitsland op grond van het Belastingverdrag aangebrachte beperking. De EU-bijstandsrichtlijn kan immers op grond van het verbod van omgekeerde verticale rechtstreekse werking van een richtlijn niet worden tegengeworpen aan een belastingplichtige.
De door de advocaat-generaal naar voren gebrachte omstandigheid dat artikel 16 van de EU-bijstandsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 30, derde lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, waardoor de verstrekte fiscale inlichtingen zouden mogen worden gebruikt voor de belastingheffing, beboeting en voor de vervolging van fiscaal strafbaar gestelde feiten, kan aan het voorgaande niet afdoen. Een dergelijke nationale codificatie van de EU-bijstandsrichtlijn kan niet aan een andere staat, zoals Duitsland, worden tegengeworpen, aangezien deze ervoor kan kiezen aan de informatie-uitwisseling het Belastingverdrag ten grondslag te leggen en Duitsland ingevolge het soevereiniteitsbeginsel zelfstandig op grond van het Belastingverdrag kan besluiten om dan ten aanzien van de informatie-uitwisseling al dan niet een voorbehoud te maken.
Het hof overweegt in dat verband, in het bijzonder in relatie tot de onderhavige strafrechtelijke zaak, verder als volgt.
De onderhavige casus, waarin sprake is van het Unierechtelijke vrij verkeer van kapitaal, valt onder toepassing van artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). In strafzaken moet naar het oordeel van het hof op grond van de artikelen 47 e.v. van het Handvest worden gekozen voor de uitleg die aan de verdachte de meeste rechtsbescherming biedt. Dat maakt dat het gemaakte voorbehoud in het voordeel van de verdachte dient te worden uitgelegd, in die zin dat de verkregen informatie aldus slechts voor belastingdoeleinden (zoals het opvragen van informatie ex artikel 47 van de AWR) en niet voor strafrechtelijke doeleinden (zoals vervolging van schending van die informatieplicht ex de artikelen 68 en 69 van de AWR) mocht worden gebruikt.
Daarbij komt dat het gebruik van de verstrekte gegevens voor andere doeleinden dan door Duitsland is toegestaan in strijd zou komen met de verdragstrouw (vide artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht). Van een behoorlijk handelend bestuursorgaan, zoals het Openbaar Ministerie, mag worden verwacht dat deze zich ervan verzekert dat de onder toepassing van het Belastingverdrag verkregen informatie ook gebruikt mag worden voor strafrechtelijke doeleinden, voordat tot strafvervolging wordt overgegaan. In het onderhavige geval heeft het Openbaar Ministerie zich met betrekking tot het gebruik van de verkregen gegevens niet zonder meer kunnen baseren op de EU-bijstandsrichtlijn, gezien het expliciet gemaakte voorbehoud door de Duitse autoriteiten, de daarin opgenomen vermelding dat de informatie-uitwisseling ook op het Belastingverdrag was gestoeld, alsook omwille van het feit dat de EU-bijstandsrichtlijn minder rechtsbescherming aan de verdachte biedt.
Van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat zelfs bij de geringste twijfel over het antwoord op de vraag of de verstrekkende verdragsstaat ermee heeft willen instemmen dat de verkregen gegevens (ook) voor strafrechtelijke doeleinden gebruikt zouden kunnen worden — zoals in dit geval evident aan de orde is — , zekerheidshalve, voorafgaande aan dit gebruik, daartoe in ondubbelzinnige bewoordingen — derhalve expliciet — toestemming zou worden gevraagd aan de verstrekkende verdragsstaat. Naar het oordeel van het hof mag immers van een behoorlijk handelende overheid worden verwacht dat deze verdragsbepalingen zorgvuldig en, op grond van de verdragstrouw tussen verdragsluitende partijen, naar de geest naleeft. Van een dergelijk expliciet gevraagde toestemming is in het onderhavige geval in het geheel niet gebleken en — nu aan een uitvoering van het tussenarrest op dat punt geen gevolg is gegeven — moet het ervoor worden gehouden dat een dergelijke toestemming niet is verzocht en dat derhalve evenmin een daaropvolgende toestemming voor dat gebruik door de Duitse autoriteiten is gegeven.
Hoewel in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden en de vervolgingsbeslissing krachtens bestendige jurisprudentie zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, is het hof van oordeel dat aan het niet geoorloofde gebruik van de (voor fiscale doeleinden verkregen) gegevens voor deze strafprocedure de sanctie dient te worden verbonden van niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, aangezien het instellen van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.’
4.
Met betrekking tot de overwegingen van het Hof omtrent de opdracht in het tussenarrest van 13 oktober 2023, merkt rekwirant nog op dat door het Openbaar Ministerie hier gevolg aan is gegeven door per brief van 28 februari 2024 een aanvullend standpunt in te nemen en hierbij twee memo's van Dhr. [fiscalist], fiscalist bij Team Verhuld Vermogen, te voegen. Op basis van de memo van 13 november 2023 kwam het Openbaar Ministerie tot de conclusie dat de verstrekte informatie (zonder aanvullende toestemming) gebruikt kon worden in onderhavige strafzaak. Zoals hierboven aangegeven komt het hof tot een ander oordeel. Tegen onder meer dat oordeel en de door het Hof daaraan verbonden gevolgen richt zich het beroep in cassatie.
Het eerste middel van cassatie richt zich tegen het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie toestemming aan de Duitse autoriteiten had moeten vragen voor het gebruik voor strafrechtelijke doeleinden van de door het Bundeszentralamt für Steuern spontaan verstrekte informatie en de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging omdat — kort gezegd — geen toestemming is gevraagd.
Het tweede middel richt zich met verdere motiveringsklachten tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Eerste middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van
- —
art. 16 van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen
en
- —
art. 27 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (Trb. 2012, 123)
doordat het Hof, zoals hieronder nader zal worden toegelicht, met het oordeel dat het Openbaar Ministerie toestemming aan de Duitse autoriteiten had moeten vragen voor het gebruik voor strafrechtelijke doeleinden van de door het Bundeszentralamt für Steuern spontaan op grond van voornoemde richtlijn en verdrag verstrekte informatie en dat, nu dit niet is gebeurd, het instellen van vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, gelet waarop het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat dit oordeel, mede in het licht van de vaststellingen van het Hof, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is.
Toelichting
1.
Uit de in de inleiding weergegeven overwegingen van het Hof, volgt dat het Bundeszentralamt für Steuern op 30 september 2016 via een e-mailbericht informatie heeft verstrekt. Uit dit e-mailbericht blijkt dat de informatie werd verstrekt op grond van Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (hierna: EU-bijstandsrichtlijn) en het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het Belastingverdrag). In het e-mailbericht wordt verder opgemerkt dat de verstrekte informatie enkel voor de in deze regelingen genoemde belastingdoeleinden mag worden gebruikt.
2.1
In zijn overwegingen citeert het Hof art. 16 van de EU-Bijstandsrichtlijn. In dit artikel is in lid 1 opgenomen voor welke belasting gerelateerde doeleinden de op grond van deze richtlijn verstrekte informatie mag worden gebruikt. Onder die doeleinden vallen onder meer ‘handhaving van de nationale wetgeving van de lidstaten’ en ‘tot bestraffing leidende gerechtelijke en administratieve procedures wegens overtreding van de belastingwetgeving’. In het tweede lid is de mogelijkheid opgenomen om de informatie ook voor andere doeleinden te gebruiken. Voor het gebruik van verstrekte informatie voor deze andere doeleinden, is toestemming van de bevoegde autoriteit van de verstrekkende lidstaat vereist.
2.2.1
Het Hof citeert daarnaast art. 27 van het Belastingverdrag. In lid 1 van dat artikel is opgenomen dat de bevoegde autoriteiten van Nederland en Duitsland informatie zullen uitwisselen die naar verwachting van belang is voor, onder meer, de toepassing of handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen. In lid 2 van dat artikel is in de eerste drie volzinnen nader gespecificeerd voor welke doeleinden de informatie mag worden gebruikt. Onder die doeleinden vallen onder meer ‘handhaving of vervolging2.’ ter zake belastingen of het toezicht daarop, waarbij de informatie ook bekend mag worden gemaakt in openbare rechtszittingen of gerechtelijke beslissingen. In de laatste volzin van dit lid is een mogelijkheid opgenomen om de verstrekte informatie ‘voor andere doeleinden’ te gebruiken. Ook in het Belastingverdrag geldt dat voor het gebruik voor andere doeleinden toestemming nodig is van de bevoegde autoriteit.
2.2.2
Blijkens de door het Hof geciteerde memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Belastingverdrag, is deze laatste volzin op verzoek van Duitsland toegevoegd, conform de suggestie in het OESO-commentaar bij het OESO-modelverdrag. Uit de rest van de memorie van toelichting en de gelijkluidende formulering van art. 27 lid 1 en 2 van het Belastingverdrag, blijkt ook dat voor dit artikel aansluiting is gezocht bij art. 26 lid 1 en 2 van het OESO-modelverdrag3.. De tekst van art. 27 lid 1 en 2 van het Belastingverdrag is een vrijwel letterlijke vertaling van de Engelse tekst van art. 26 lid 1 en 2 van het OESO-modelverdrag.
2.2.3
Nu in het Belastingverdrag kennelijk zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij het OESO-modelverdrag, komt ook grote betekenis toe aan het OESO-commentaar bij art. 26 van het OESO-modelverdrag, zoals dat commentaar luidde ten tijde van het sluiten van het Belastingverdrag4.. In dit geval betreft dat het OESO-commentaar van 20105.. Met betrekking tot art. 26 van het OESO-modelverdrag was daarin onder meer het volgende opgenomen:
- ‘12.
The information obtained may be disclosed only to persons and authorities involved in the assessment or collection of, the enforcement or prosecution in respect of, the determination of appeals in relation to the taxes with respect to which information may be exchanged according to the first sentence of paragraph 1, or the oversight of the above.
(…)
- 12.1.
Information can also be disclosed to oversight bodies. Such oversight bodies include authorities that supervise tax administration and enforcement authorities as part of the general administration of the Government of a Contracting State. In their bilateral negotiations, however, Contracting States may depart from this principle and agree to exclude the disclosure of information to such supervisory bodies.
(…)
- 12.3.
Similarly, if the information appears to be of value to the receiving State for other purposes than those referred to in paragraph 12, that State may not use the information for such other purposes but it must resort to means specifically designed for those purposes (e.g. in case of a non-fiscal crime, to a treaty concerning judicial assistance). However, Contracting States may wish to allow the sharing of tax information by tax authorities with other law enforcement agencies and judicial authorities on certain high priority matters (e.g., to combat money laundering, corruption, terrorism financing). Contracting States wishing to broaden the purposes for which they may use information exchanged under this Article may do so by adding the following text to the end of paragraph 2:
‘Notwithstanding the foregoing, information received by a Contracting State may be used for other purposes when such information may be used for such other purposes under the laws of both States and the competent authority of the supplying State authorises such use.’’
2.2.4
Blijkens dit commentaar is dus beoogd dat gebruik voor ‘andere doeleinden’, waarvoor het vereiste van toestemming van de verstrekkende staat geldt, betrekking heeft op doeleinden die geheel buiten het domein van belastingwetgeving zijn gelegen, zoals bijvoorbeeld de bestrijding van witwassen, corruptie of financiering van terrorisme. Met andere woorden, doeleinden die geen of nauwelijks raakvlak hebben met belastingwetgeving of de handhaving daarvan. Uit de door het Hof geciteerde memorie van toelichting blijkt ook dat bij de totstandkoming van het verdrag bij deze uitleg van wat verstaan dient te worden onder ‘andere doeleinden’ aansluiting is gezocht.
3.1
Zoals het Hof ook heeft overwogen, wordt in het e-mailbericht van het Bundeszentralamt für Steuern van 30 september 2016 verwezen naar voornoemde EU-bijstandsrichtlijn en Belastingverdrag als grondslag voor de verstrekking. Gelet daarop moet dit e-mailbericht dus gelezen worden tegen de achtergrond van de bepalingen van de EU-bijstandsrichtlijn en het Belastingverdrag.
3.2
Zo bezien kan de opmerking dat de informatie alleen gebruikt mag worden ‘für die dort genannten steuerliche Zwecke’ bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat daarmee gedoeld wordt op het gebruik voor de doeleinden met betrekking tot belastingen, zoals omschreven in art. 16 lid 1 EU-bijstandsrichtlijn en art. 27 lid 1 en 2 eerste tot en met derde volzin van het Belastingverdrag. Deze omvatten zoals hiervoor uiteengezet mede de strafrechtelijke handhaving van en strafrechtelijke procedures met betrekking tot belastingwetgeving. Op grond van de EU-bijstandsrichtlijn en het belastingverdrag is toestemming voor dergelijk gebruik van de verstrekte informatie dus niet nodig. Het vereiste van expliciete toestemming van de verstrekkende staat voor gebruik van de verstrekte informatie, geldt alleen voor het geval staten de informatie voor geheel andere doeleinden willen gebruiken dan doeleinden die samenhangen met belastingwetgeving, zoals hiervoor onder 2.2.1 tot en met 2.2.4 uiteengezet. De opmerking van het Bundeszentralamant für Steuern moet zo bezien dus ook niet als een voorbehoud of een beperking worden gelezen, maar enkel als een herinnering dat de informatie niet (zonder toestemming) voor geheel andere doeleinden mag worden gebruikt.
3.3
Nu in de strafzaak tegen verdachte sprake was van een vervolging wegens overtreding van de informatieplicht in de AWR, een wet die volledig ziet op belastingen, is evident sprake van een vervolging die samenhangt met de strafrechtelijke handhaving van belastingwetgeving. Dit doel valt daarmee dus onder de doelen zoals omschreven in art. 16 lid 1 EU-bijstandsrichtlijn en art. 27 lid 1 en 2 eerste tot en met derde volzin van het Belastingverdrag, waarmee toestemming voor gebruik van die gegevens voor de onderhavige strafvervolging niet nodig is.
3.4
Dat het Bundeszentralamant für Steuern in weerwil van bovenstaande niettemin een ‘voorbehoud’ heeft willen maken dat de informatie slechts in strafrechtelijke procedures met betrekking tot belastingen gebruikt mag worden na verkregen toestemming, kan op grond van bovenstaande overwegingen dus niet uit dit e-mailbericht worden afgeleid. Bovendien zou het Bundeszentralamant für Steuern daarmee een eis stellen waar zowel het Belastingverdrag als de EU-bijstandsrichtlijn geen grondslag voor biedt. Op grond daarvan kan immers, zoals hiervoor uiteengezet, slechts toestemming worden gevraagd voor gebruik voor doeleinden die geheel buiten het domein van de belastingen zijn gelegen.
4.
Het Hof heeft geoordeeld dat toestemming van de Duitse autoriteiten gevraagd had moeten worden alvorens de verstrekte informatie in onderhavige strafprocedure te gebruiken. Met zijn overwegingen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat, indien informatie wordt verstrekt op grond van de EU-Bijstandsrichtlijn en het Belastingverdrag, voordat deze informatie in een strafrechtelijke procedure die verband houdt met belastingwetgeving kan worden gebruikt, het vragen van (aanvullende) toestemming is vereist of door de verstrekkende autoriteit kan worden verlangd, dan wel dat een strafrechtelijke procedure in verband met overtreding van de AWR niet valt onder de belastingdoeleinden genoemd in art. 16 lid 1 EU-bijstandsrichtlijn en art. 27 lid 1 en 2 eerste tot en met derde volzin van het Belastingverdrag. Gelet op bovenstaande overwegingen, getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting.
5.1
Daarnaast is het oordeel van het Hof dat (in dit geval) aanvullende toestemming had moeten worden gevraagd voor het gebruik van de verstrekte informatie onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
5.2
In de eerste plaats omdat het Hof heeft geoordeeld dat in onderhavige zaak evident twijfel bestaat omtrent de vraag of de verstrekkende staat heeft willen instemmen met het gebruik van de verstrekte informatie. Het Hof heeft echter vastgesteld dat de informatie door het Bundeszentralamant für Steuern is verstrekt op grond van de EU-bijstandsrichtlijn en het Belastingverdrag. Indien informatie op grond van de EU-richtlijn of het Belastingverdrag wordt verstrekt, is instemming voor het gebruik van deze informatie voor onder meer strafrechtelijke procedures met betrekking tot belastingwetgeving niet nodig. De EU-bijstandsrichtlijn en het Belastingverdrag bieden zelf de grondslag en daarmee de instemming om de versterkte informatie voor die doeleinden te gebruiken. Het is daarom niet begrijpelijk waarom het Hof meent dat omtrent de instemming onduidelijkheid bestaat.
5.3
Daarnaast heeft het Hof overwogen dat het Openbaar Ministerie ‘dient te worden gehouden aan de door Duitsland op grond van het Belastingverdrag aangebrachte beperking’. Zoals hiervoor overwogen onder 3.2 kan een dergelijke beperking, indien het e-mailbericht van het Bundeszentralamant für Steuern van 30 september 2016 wordt gelezen tegen de achtergrond van de bepalingen van de EU-richtlijn en het Belastingverdrag, niet in dit e-mailbericht worden gelezen. De opmerking van het Bundeszentralamant für Steuern in dit e-mailbericht betreft zo bezien immers niets meer dan een herinnering om de informatie niet (zonder toestemming) voor andere doeleinden te gebruiken dan die genoemd in art. 16 lid 1 EU-bijstandsrichtlijn en art. 27 lid 1 en 2 eerste tot en met derde volzin van het Belastingverdrag.
Bovendien is onduidelijk welke ‘grond’ het Hof dan in het Belastingverdrag ziet voor het maken van een voorbehoud dat erop neerkomt dat de verstrekte informatie enkel mag worden gebruikt voor (puur) ‘fiscale doeleinden’, zoals het opvragen van informatie conform art. 47 AWR, maar niet voor strafrechtelijke handhaving van belastingwetgeving. Zoals reeds uiteengezet biedt het Belastingverdrag voor het gebruik in onderhavige strafzaak geen ruimte voor een dergelijk voorbehoud. Hadden de Duitse autoriteiten om onduidelijke redenen wél een dergelijk voorbehoud willen maken, dan zouden zij het Belastingverdrag (of de EU-bijstandsrichtlijn) dus niet ten grondslag hebben kunnen leggen aan de verstrekking.
5.4
Gelet op bovenstaande is de beslissing van het Hof dat in onderhavige zaak toestemming had moeten worden gevraagd voor het gebruik van de verstrekte informatie en dat, nu dit niet is gebeurd, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
Tweede middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 348, 349 en 359 Sv en art. 47, 68 en 69 AWR, doordat, zoals hieronder nader zal worden toegelicht, het oordeel van het Hof dat de door het Bundeszentralamant für Steuern op grond van de EU-bijstandsrichtlijn en het Belastingverdrag verstrekte informatie door het Openbaar Ministerie is gebruikt in en/of ten grondslag heeft gelegen aan de strafrechtelijke procedure tegen verdachte wegens overtreding van een informatieplicht op grond van art. 47 AWR, strafbaar gesteld in art. 68 en 69 AWR, en dat gelet hierop het instellen van vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, gelet waarop het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd is.
Toelichting
1.
Zoals bij de inleiding onder punt 3 weergegeven heeft het Hof geoordeeld dat de informatie niet zonder toestemming van de Duitse autoriteiten in onderhavige strafprocedure gebruikt had mogen worden. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat aan dit niet geoorloofde gebruik de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te worden verbonden, nu het instellen van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.
2.
Zoals hiervoor in de toelichting op het eerste middel reeds betoogd heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat het op basis van het e-mailbericht van 30 september 2016 onduidelijk is of het Bundeszentralamant für Steuern enkel toestemming geeft voor het gebruik van de verstrekte informatie voor (puur) ‘fiscale doeleinden’ of dat hier ook het gebruik van de informatie in een strafrechtelijke procedure met betrekking tot overtreding van belastingwetgeving onder valt.
3.
Hoewel het Hof bij de motivering van de beslissing om de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie uit te spreken het niet met zoveel woorden zegt, lijkt het Hof hier een soort ‘fruit of de poisonous tree’ redenering toe te passen. Het Hof overweegt immers eerder in het arrest:
‘Het hof stelt allereerst vast dat de gegevens die ten grondslag hebben gelegen aan het fiscale vermoeden dat de verdachte over een buitenlandse rekening beschikte waarvan de saldi niet in de aangiften inkomstenbelasting waren verwerkt, dezelfde zijn als die — in primo — ten grondslag liggen aan het strafrechtelijke redelijk vermoeden van schuld dat de verdachte de informatieplicht zou hebben geschonden. Zonder de uit het buitenland verkregen informatie zou de Belastingdienst geen vragen aan de verdachte hebben gesteld over haar buitenlandse vermogen. En als die vragen waren uitgebleven, was de verdachte evenmin in de situatie terecht gekomen waarin zij de keuze heeft gemaakt om in het geheel geen informatie te verstrekken.’
4.1
Het Hof miskent echter dat, ook al zou het door het Hof gecreëerde onderscheid zoals genoemd onder punt 2 worden gevolgd, dan uit de vaststellingen van het Hof nog steeds niet blijkt dat de door het Bundeszentralamant für Steuern verstrekte informatie op een onrechtmatige manier is gebruikt.
4.2.1
Uit het arrest blijkt immers dat het Hof heeft vastgesteld dat de uit Duitsland verkregen informatie is gebruikt om, conform art. 47 AWR, aan verdachte middels een vragenbrief inlichtingen te vragen over buitenlands vermogen. Dit betreft een zuiver fiscale vraag. Het ging daarbij immers enkel om het vaststellen van het al dan niet bestaan van een belastingverplichting, waarbij een strafrechtelijke procedure op dat moment nog niet aan de orde was. Dus ook met inachtneming van het door het Hof onder punt 2 weergegeven onderscheid, was de informatie op dat moment dus correct gebruikt door de belastingdienst. Het Hof erkent dit impliciet ook in zijn overwegingen. In het arrest overweegt het Hof immers (onderstreping door rekwirant):
‘Dat maakt dat het gemaakte voorbehoud in het voordeel van de verdachte dient te worden uitgelegd, in die zin dat de verkregen informatie aldus slechts voor belastingdoeleinden (zoals het opvragen van informatie ex artikel 47 van de AWR) en niet voor strafrechtelijke doeleinden (zoals vervolging van schending van die informatieplicht ex de artikelen 68 en 69 van de AWR) mocht worden gebruikt’
Het gebruik van de verstrekte informatie om conform art. 47 AWR inlichtingen te verzoeken, zoals in onderhavige zaak is gebeurd, was dus ook volgens het Hof op basis van het Belastingverdrag geoorloofd. Verdachte was op grond van dat artikel ook gehouden om die inlichtingen te verschaffen. Daarvoor is immers voldoende dat de inspecteur op basis van de hem ter beschikking staande gegevens zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens of inlichtingen van belang konden zijn om opheldering te krijgen over de vraag of verdachte in Nederland belastingplichtig was6., hetgeen in het geval van mogelijk bezit van vermogen in het buitenland evident het geval is.
4.2.2
Pas nadat verdachte vervolgens weigerde informatie te verstrekken, ontstond een strafrechtelijke verdenking en procedure wegens overtreding van art. 68 en 69 AWR, te weten het niet naleven van de verplichting om inlichtingen te verstrekken. Maar aan die verdenking ligt dus niet de door Duitsland verstrekte informatie ten grondslag en die is in zoverre ook niet meer relevant. De informatie uit Duitsland is dat de genoemde personen rekeningen hadden in het buitenland. Ze worden echter niet strafrechtelijk vervolgd voor het feit dat ze rekeningen in het buitenland hadden of omdat ze in strijd met de waarheid zouden hebben gezegd dat ze géén rekening hadden in het buitenland, maar omdat ze ondanks een daartoe bestaande verplichting geen inlichtingen hebben verstrekt aan de inspecteur, door niet te reageren op een verzoek om informatie. Het ontstaan van die verdenking was dus niet de informatie uit Duitsland, maar het feit dat de inspecteur constateerde dat aan zijn verzoek niet was voldaan. De informatie uit Duitsland doet er voor die verdenking dus niet meer toe. Inderdaad had de inspecteur geen inlichtingen gevraagd zonder de informatie uit Duitsland, maar zoals het Hof zelf ook vaststelt was het vragen van die informatie op zichzelf wél gerechtvaardigd. De door het Hof schijnbaar gehanteerde ‘fruit of the poisonous tree’ redenering, gaat dan dus ook niet op, nu er in het geheel geen sprake was van een ‘poisonous tree’.
4.2.3
Ter vergelijking, stel dat in deze zaak de belastingplichtigen naar aanleiding van het verzoek om informatie op grond van art. 47 AWR de inspecteur zouden hebben bedreigd, waarna een strafrechtelijke procedure tegen hen zou worden gestart wegens bedreiging. Dan zal toch bezwaarlijk volgehouden kunnen worden dat de informatie uit Duitsland daarmee ‘gebruikt’ wordt in het strafproces omtrent de bedreiging, ondanks het feit dat zonder die informatie geen vragen zouden zijn gesteld en, om aan te sluiten bij de woorden van het Hof, de verdachten dan niet in de situatie terecht zouden zijn gekomen waarin zij de keuze hebben gemaakt om de inspecteur te bedreigen. Die informatie is dan geen rechtstreeks onderdeel van de verdenking tegen de verdachten, maar slechts een deel in de keten van feiten en omstandigheden die tot het plegen van het strafbare feit hebben geleid.
4.3
Nu de door het Bundeszentralamant für Steuern verstrekte informatie dus, ook indien de lezing van het Hof zou worden gevolgd, op een rechtmatige wijze is gebruikt en die informatie in de daarop volgende strafrechtelijke procedure geen althans geen rol van betekenis heeft gespeeld, valt ook anderszins niet in te zien waarom het instellen van strafvervolging tegen verdachte ‘onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde’, op grond waarvan niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte zou dienen te volgen. Ook om die reden is het oordeel van het Hof naar het oordeel van rekwirant onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd.
Indien één of beide cassatiemiddelen doel treffen, zal het bestreden arrest van het gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 9 april 2024 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 29 november 2024
mr. W.J.V. Spek
advocaat-generaal bij het Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑11‑2024
Het Hof heeft in onderzoek Cambridge in de zaken tegen acht andere verdachten het Openbaar Ministerie eveneens niet-ontvankelijk verklaard. Ook in deze zaken is cassatieberoep ingesteld en dient het Openbaar Ministerie gelijktijdig met onderhavige zaak een schriftuur in.
Voor zover enige twijfel zou kunnen bestaan omtrent de omvang of betekenis van het woord ‘vervolging’, merkt rekwirant nog op dat in de Duitse tekst van dit artikel expliciet gesproken wordt over strafvervolging (‘Strafverfolgung’).
Zie in het bijzonder de al deels door het Hof aangehaalde memorie van toelichting bij de goedkeuring van het Belastingverdrag, kamerstukken II, 2012–2013, 33615, nr. 3, p. 39, waarin met betrekking tot art. 27 staat: ‘De bepaling is materieel gelijk aan de vergelijkbare bepaling in het OESO-modelverdrag (artikel 26) en is daarmee in lijn met het Nederlandse verdragsbeleid en de internationale standaard zoals wordt gestimuleerd en gewaarborgd in het kader van het ‘Global Forum for Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes’’
HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1436.
Volledigheidshalve wordt daarbij opgemerkt dat in 2014, dus ná de totstandkoming van het verdrag in 2012 maar vóór de inwerkingtreding van de wet tot goedkeuring van dit verdrag in 2015, dit OESO-commentaar bij artikel 26 is gewijzigd. De essentie bleef echter hetzelfde.
HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603