Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.4:9.4 Conclusie
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.4
9.4 Conclusie
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS609014:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Evenals is gedaan voor de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en omzetbelasting, is in dit hoofdstuk onderzocht op welke wijze en welke plaats ‘verbondenheid’ is omschreven in de Wet LB 1964. Hierbij is ingegaan op twee begrippen waarin verbondenheid wel kan worden herkend, maar niet wettelijk is omschreven. Dit betreft het ‘buitenlands gezelschap’ van artiesten of beroepssporters als bedoeld in art. 5b Wet LB 1964 en de buitenlandse inhoudingsplichtige die in Nederland beschikt over een ‘vaste inrichting’ in de zin van art. 6, lid 2 onderdeel a Wet LB 1964.
In de Wet LB 1964 kunnen voorts tien wettelijk omschreven verbondenheidsbegrippen worden gevonden. Net als in de Wet IB 2001 en de Wet VPB 1969 moet hierbij onderscheid worden gemaakt tussen begrippen waarin de verbondenheid met lichamen worden bedoeld, en definities van relaties tussen natuurlijke personen. Opvallend is dat er maar liefst vier verschillende dga-begrippen worden gebruikt in de Wet LB 1964, waarbij het bezitscriterium voor het ‘grootaandeelhouderschap’ varieert van 5%, 10%, 331/3% tot 50%!
De conclusies die uit de analyse van de wettelijk omschreven verbondenheidsbegrippen in de Wet LB 1964 kunnen worden getrokken, zijn samengevat in het volgende schema:
Begrip
Wettelijke omschrijving
Functie
Vergelijking met andere disciplines en rechtsgebieden
Neutraliteit ten aanzien van de rechtsvorm en samenlevingsvorm
Open norm of scherpe norm
Uniformiteit
Aanbevelingen
Directeurgrootaandeelhouder in de zin van art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965
Arbeid verrichten voor een vennootschap waarin men een ‘aanmerkelijk belang’ heeft
AO
-
-
+
-
Aansluiten bij ‘aanmerkelijk belang’ (hoofdstuk 6); Voor fictieve dienstbetrekking en gebruikelijkloonregeling bij partnerbegrip in begrip ‘verbonden persoon’ (hoofdstuk 6): dit is de echtgenoot, de geregistreerde partner en iedere andere ‘levensgezel’
‘Directeurgrootaandeelhouder’ in de zin vanart. 6 lid 6 Wet LB 1964
Bezit van aandelen die ten minste de helft van de stemmen in de ava vertegenwoordigen
F
-
-
-
-
Aansluiten bij dgabegrip van art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965
‘Verbonden vennootschap’ in de zin van art. 10a lid 7 Wet LB 1964
Bezit van ten minste een derde gedeelte belang in een vennootschap; Neerwaartse, opwaartse en zijwaartse verbondenheid
AO
-
-
+
-
Aansluiten b ij begrip ‘verbonden lichaam’ in de zin van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 (hoofdstuk 7)
Partner in de zin van art. 18 lid 1 onderdeel A onder 2° Wet LB 1964
(Gewezen) echtgenoot, geregistreerde partner en degenen met wie de werknemer duurzaam Een gezamenlijke huishouding voert of heeft gevoerd
F
+
+
+
-
Aansluiten bij het begrip ‘partner’ in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001
‘Directeurgrootaandeelhouder’ in de zin van art. 19a lid 2 Wet LB 1964
Bezit van ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal
F
-
-
+
-
Aansluiten bij dgabegrip van art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965
‘Samenhangende Groep inhoudingsplichtigen’ in de zin van art. 27e Wet LB 1964
F
+
-
-
Wijziging in ‘fiscale eenheid’:
– Materieel-economische benadering (feitelijke organisatorische en economische verbondenheid);
– Tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid bij het bezit van 95% van de stemrechten in een aandelenvennootschap;
– Stemrechten verbonden aan aandelen waarop alternatieve bezitsvormen rusten (certificaten van aandeel, pandrecht, vruchtgebruik, financiële instrumenten) tellen mee bij beoordeling van het verbondenheidsvermoeden van de aandeelhouder;
– Deze alternatieve bezitsvormen tellen niet mee bij de houder ervan
‘Concern’ in de zin van art. 9a lid 2 Uitv.besl. LB 1965
F
-
-
Aansluiten bij begrip ‘concern’ (hoofdstuk 7):
– Materieel-economische benadering (feitelijke organisatorische en economische verbondenheid);
– Tweezijdig weerlegbaar vermoeden van verbondenheid bij het bezit van 50% van de stemrechten in een aandelenvennootschap;
– Stemrechten verbonden aan aandelen waarop alternatieve bezitsvormen rusten (certificaten van aandeel, pandrecht, vruchtgebruik, financiële instrumenten) tellen mee bij beoordeling van het verbondenheidsvermoeden van de aandeelhouder;
– Deze alternatieve bezitsvormen tellen niet mee bij de houder ervan
Directeurgrootaandeelhouder in de zin van art. 29 lid 4 Uitv.reg. LB 2001
Bezit van ten minste een derde gedeelte van het geplaatste kapitaal, samen met partner in de zin van art. 1.2 Wet IB en bloed- of aanverwanten in de rechte lijn
AM
-
-
-
-
Aansluiten bij dgabegrip van art. 4 onderdeel d Wet LB 1964 en art. 2h Uitv.besl. LB 1965
‘Organisatorische of functionele eenheid’ in de zin van art. 32a Uitv.reg.LB 2001
O
-
-
Aansluiting bij ‘fiscale eenheid’ voor de loonbelasting, of bij begrip ‘concern’