Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/18.1:18.1 Inleiding
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/18.1
18.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457628:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk bespreek ik de uitleg van de wettelijke term ‘richting’ uit artikel 23 lid 5 Grondwet. Richting kenmerkt het bijzonder onderwijs. In paragraaf 18.2 ga ik in op de duiding van deze term door de grondwetgever. We kunnen ‘richting’ omschrijven als de religieuze of levensbeschouwelijke identiteit van een bijzondere school. De afbakening van deze religieuze identiteit is onder andere relevant voor de reikwijdte van de individuele vrijheid van ouders om hun kinderen naar een school te laten gaan die past bij hun godsdienstige of levensbeschouwelijke voorkeur. De wetgever heeft in dit kader drie regelingen opgesteld waarbij de term richting een doorslaggevende betekenis heeft. Ten eerste de regeling over de subsidiëring van het leerlingenvervoer. Indien ouders bezwaren hebben tegen de richting van dichterbij gelegen scholen kunnen zij voor een vergoeding van vervoerskosten in aanmerking komen voor de door hun gewenste school (paragraaf 18.3). Ten tweede de regeling voor het thuisonderwijs. Indien ouders bezwaren hebben tegen de richting van de beschikbare scholen komen zij in aanmerking voor een ontheffing van de leerplicht (paragraaf 18.4). De reikwijdte van de term richting is ten derde relevant voor de oprichting van bijzondere scholen. Bijzondere scholen moeten namelijk uitgaan van een bepaalde richting willen ze voor oprichting in aanmerking komen (paragraaf 18.5). In paragraaf 18.6 sluit ik dit hoofdstuk af met een conclusie.