Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/9.9
9.9 Overige verdedigingsrechten inzake de bewijsvoering
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband eerder in hoofdstuk 5 de paragraaf ter zake van het vooronderzoek en de op de zaak betrekking hebbende stukken.
CBb 19 januari 2009, L1N BH0436.
GvEA 6 april 1995, T-148/89 (Betonstaalmatten), par. 21. Het Gerecht vond het voldoende dat de in punten van bezwaar opgenomen tekstfragmenten waren vertaald. De onderliggende bewijsstukken hoefden niet vertaald te worden. Zie ook EHRM 19 december 1989, NJ 1994/26 (Kamasinski) en IR 16 december 1997, NJ 1998/352.
Zie de conclusie van A-G Hofstee bij HR 2 februari 2010, LJN BK6358.
CBb 12 febrauri 2010, AB 2010/297.
CBb 22 januari 2009, AB 2009/186 (Spam), par. 2.4.5.
CBb 2 juli 2010, LJN BN0534 (Spam).
CBb 19 juni 2009, JOR 2010/11 (IMC). Waar het ging om gegevens ter zake van het toezicht van de AFM op Euronext meende het College dat wel geheimhouding mocht worden betracht. Die informatie raakte namelijk niet of nauwelijks aan het verdedigingsbelang van IMC, terwijl Euronext er wel belang bij had dat deze gegevens niet op straat kwamen te liggen.
Vzr Rb Rotterdam 2 juli 2009, LTNBL2063. In een daaropvolgende tussenbeslissing van 10 februari 2010, die betrekking had op de naamopvolger van de betreffende onderneming, werd geoordeeld dat de klager er belang bij had dat zijn identiteit niet bekend werd. De grondgedachte achter 1:89 Wft prevaleerde hier boven het verdedigingsbelang. Ook hier speelde mee dat de aanleiding van een onderzoek door de AFM van ondergeschikt belang lijkt omdat het bij handhavingstoezicht niet hoeft te gaan om een concrete verdenking. Zie ook Vzr Rb Rotterdam 26 april 2010, L/N BM4562, waarin in het verlengde hiervan werd geoordeeld dat de boete kon worden gepubliceerd.
CBb 6 november 2009, JOR 2010/18 (IMC).
ABRvS 26 augustus 2009, LJN BJ6102, par. 2.3.2.
CBb 28 januari 2010, LJN BL5674.
CBb 2 februari 2010, LJN BL5463 (Tele2).
Zie ook Heinrich en Veldhuis, 'Handhaving van bestuursrecht', NTB 2010/28, p. 171.
Ik wijs hier slechts op CBb 22 januari 2009, AB 2009/186 (Spam).
Zie ook eerder CBb 17 november 2004, AB 2005/81 en 5 december 2007, AB 2008/38.
IIR 7 juli 2009, LJN BG7232, par. 5.7.
Het mede in art. 6 EVRM besloten liggende verdedigingsbeginsel en art. 8:42 Awb strekken ertoe dat het bestuursorgaan alle op de zaak betrekking hebbende stukken overlegt in de bestuursrechtelijke procedure.1 Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft zich in een heropeningsbeslissing van 19 januari 2009 gebogen over het tot de verdedigingsrechten behorende uitgangspunt dat de beklaagde in een voor hem begrijpelijke taal kennis kan nemen van de aanklacht. Het betrof een mededingingszaak waarbij de NMa de aan Duitse producentenorganisaties, die net als hun advocaten de Nederlandse taal niet beheersten, opgelegde boetes mede op 81 EG (thans art. 101 VWEU) had gebaseerd. Het College overwoog weliswaar dat uit art. 6 EVRM niet voortvloeit dat de beklaagde het recht heeft de bestuurlijke of rechterlijke procedure in zijn eigen taal te voeren, maar dat de NMa had verzuimd in een voor de beklaagden begrijpelijk taal inzichtelijk te maken welke stukken een rol hadden gespeeld in haar besluitvorming.2 Het College besliste vervolgens dat de NMa een vertaalde inventarislijst van de stukken met inhoudsaanduiding diende te overleggen aan de beklaagden, waarna de beklaagden alsnog zouden kunnen aangeven van welke stukken zij vertalingen wensten te ontvangen, waarna de NMa daarop zou moeten bepalen of zij zou overgaan tot vertaling van die stukken, welke beslissing vervolgens zou kunnen worden onderworpen aan toetsing door het College indien partijen niet tot overeenstemming zouden komen. Eerst nadien zou het College de hoger beroepen inzake de gehandhaafde boetes inhoudelijk verder behandelen. Met deze uitspraak lijkt het College de lat hoger te leggen dan de Gemeenschapsrechter en het Europees Hof.3 Hieruit volgt uitdrukkelijk niet dat de verdediging kan vergen dat alle stukken worden vertaald. Ook in het strafrecht geldt geen verplichting tot het vertalen van alle processtukken.4 In een tweede tussenbeslissing van 12 februari 2010 gaf het College wel duidelijk aan dat de Duitse producentenorganisaties niet mochten verlangen dat de NMa Engelstalige stukken zou vertalen. Wel oordeelde het College dat de NMa nog een verslag van een overleg van twee vaste kamercommissies met twee bewindspersonen had behoren te laten vertalen in het Duits. Om proceseconomische redenen liet het College dit stuk zelf vertalen en doorzenden.5
Voorts heeft het College in een heropeningsbeslissing in een telecommunicatiezaak het volgende overwogen ter zake van de oplegging van een boete door de OPTA inzake verzonden spam per e-mailbericht op basis van geanonimiseerde klachten, nadat een enkelvoudige kamer van het College in een tussenbeslissing eerder in deze zaak het verzoek om geheimhouding van stukken (art. 8:29 Awb) had ingewilligd:
`Voorafgaand aan de vraag in hoeverre het bewijs van de overtreding kan worden gegrond op de 35 geanonimiseerde klachten, al dan niet in samenhang met de geanonimiseerde geverifieerde klachten en/of de stukken van het nadere onderzoek, dient derhalve allereerst de vraag te worden beantwoord in hoeverre het recht op een eerlijke en openbare behandeling, als neergelegd in artikel 6, eerste lid, EVRM, met zich brengt dat A en B kennis hadden moeten kunnen nemen van de volledige inhoud, inclusief de persoonsgegevens, van het voor de boeteoplegging gebruikte bewijsmateriaal:6
De OPTA werd vervolgens in gelegenheid gesteld om nader onderzoek te verrichten, waarbij in elk geval de vraag zou moeten worden betrokken of en in hoeverre de betrokken klagers bezwaren hebben tegen bekendmaking van op hen betrekking hebbende persoonsgegevens in het bewijsmateriaal aan de beboete ondernemingen, teneinde alsnog de ter zake vereiste belangenafweging te kunnen verrichten. De OPTA maakte van die mogelijkheid gebruik en legde alsnog een groot deel van de klachten in niet-geanonimiseerde vorm over. In de einduitspraak van 2 juli 2010 zag het College genoeg aanknopingspunten om de rechtsgevolgen van de bestreden beslissingen inzake boeteoplegging in stand te laten. Dat de betrokken ondernemingen geen stappen hadden gezet om die klagers te doen horen kwam voor hun rekening en risico. Dat niet alle klagers hadden ingestemd met het in ongeanonimiseerde vorm vrijgeven van hun klacht is niet van belang omdat de OPTA ter zake van elke spamrun beschikte over geverifieerde klachten van meerdere klagers van wie de gegeves bekend zijn gemaakt aan de betrokken ondernemingen. Nu voorts uit de alsnog vrijgegeven klachten van de abonnees bleek dat het ging om natuurlijke personen en niet rechtspersonen aan wie de spam was verzonden, stonden de overtredingen van art. 11.7 lid 1 en lid 3 Tw voldoende vast.7 Het College heeft zich in het verlengde hiervan in de marktmanipulatiezaak IMC in een tussenbeslissing omtrent geheimhouding van stukken uitgelaten over de verhouding tussen de geheimhoudingsplicht van de AFM en het verdedigingsrecht inzake een bestuurlijke boete.
`Voor zover AFM zich met betrekking tot dit onderdeel van de stukken beroept op het algemene, in artikel 1:89 Wft neergelegde uitgangspunt dat vertrouwelijke informatie die door een onder toezicht staande instelling aan AFM is verstrekt, niet mede ter kennis van derden mag worden gebracht, dient naar het oordeel van het College dit uitgangspunt, mede gelet op het feit dat het hier gaat om oplegging van een punitieve sanctie, in beginsel dient te wijken voor het beginsel dat een verdachte recht behoort te hebben op inzage van de stukken.'8
De Rotterdamse voorzieningenrechter overwoog nadien in een andere Wft-zaak dat de rechtmatigheid van het inzetten van toezichtinstrumenten als bedoeld in de artikelen 1:73 en 1:74 van de Wft niet onlosmakelijk is gekoppeld aan een verdenking (zoals in het strafrecht gewoonlijk het geval is), maar nam wel in aamerking dat de in art. 5:13 Awb neergelegde evenredigheidsmaatstaf en andere beginselen van behoorlijk bestuur onverkort van toepassing zijn op de uitoefening van het toezicht. Nu de beboete onderneming suggereerde dat sprake was van willekeur, kon de voorzieningenrechter namelijk niet op voorhand uitsluiten dat zij er belang bij zal hebben om kennis te nemen van de klacht die aanleiding gaf voor het onderzoek van de AFM.9 In een tweede tussenbeslissing in de genoemde zaak IMC overwoog het College ten eerste dat het feit dat degene die binnen de AFM tenslotte besliste dat een boete zou worden opgelegd, niet bekend was met de alsnog overgelegde stukken, achteraf bezien, geen inhoudelijke onzorgvuldigheid van dat besluit tot gevolg heeft gehad nu die stukken nauwelijks meer of een ander licht op de zaak werpen. Voorts vormde het uiteindelijk alsnog overleggen van het onderzoeksdossier, bezien tegen de achtergrond van de van meet af aan in het procesdossier aanwezige gegevens en mede in aanmerking genomen de brede en relevante manier waarop IMC argumenten heeft aangevoerd, volgens het College geen reden om te oordelen dat IMC haar recht van (hoger) beroep niet ten volle heeft kunnen benutten. Ten slotte meende het College dat het vorenstaande tot gevolg had dat het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat zij op grond van de (toen) voorhanden stukken tot een voldoende weloverwogen beoordeling ten gronde heeft kunnen komen, achteraf bezien, inhoudelijk juist was. Hoewel de rechtbank het verwijt kon worden gemaakt dat zij slechts speculatief tot dit oordeel kon komen, was dit gelet op het vorenstaande geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank niet in stand te laten.10
In een Wav-zaak, waarin de werkgever een bestuurlijke boete was opgelegd wegens het tewerkstellen van vreemdelingen zonder over een daartoe benodigde vergunning te beschikken, beriep de werkgever zich tevergeefs op het ondervragingsrecht als neergelegd in art. 6 lid 3, onderdeel d, EVRM. De minister van VWS hoefde volgens de Afdeling geen inspanningen meer te verrichten om het verblijfadres van de vreemdeling te achterhalen. Zij overwoog daartoe het volgende:
`Appellanten hebben eerst in hun aanvullend bezwaarschrift van 8 augustus 2007 aangevoerd dat zij de vreemdeling als getuige willen horen en dat het verblijfadres van de vreemdeling hun niet bekend is. Tijdens de hoorzitting naar aanleiding van het ingediende bezwaar, gehouden op 16 oktober 2007, heeft appellant sub 1 verklaard dat zijn broer, appellant sub 2, na de controle contact heeft gehad met de vreemdeling. De vreemdeling heeft vanuit de gevangenis gebeld en medegedeeld dat hij tegenover de inspecteurs heeft verklaard geen werkzaamheden te hebben verricht. Het had op de weg van appellanten gelegen om de vreemdeling op dat moment te verzoeken deze verklaring op schrift te stellen dan wel de minister te verzoeken de vreemdeling omtrent diens nadere mededeling aanvullend te horen. Dit temeer nu de vreemdeling in zijn verklaring van 26 oktober 2006, die als bijlage bij het op 24 januari 2007 aan appellanten gezonden boeterapport is gevoegd, heeft verklaard in Nederland te zijn uitgeprocedeerd en graag naar België te willen om daar opnieuw asiel aan te vragen. Onder deze omstandigheden komt het voor rekening en risico van appellanten dat de vreemdeling wegens onbekendheid van zijn verblijfadres niet ondervraagd kan worden en behoefde de minister geen inspanning te verrichten om zijn verblijfadres te achterhalen. Reeds daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat in dit geval het in artikel 6 van het EVRM neergelegde ondervragingsrecht dan wel de beginselen van "fair play" en "equality of arms" zijn geschonden.'11
In een Warenwetzaak lag de vraag voor of de VWA de waren tussen monsterneming (art. 5: 18 Awb) en het onderzoek in het VWA-laboratorium gekoeld had vervoerd en bewaard. Hier was de minister van VWS zo slordig geweest om de transportlijst na de bewaringstermijn van drie jaar te vernietigen. Gelet op de lopende procedure tegen de boete waarin juist het transport van het monster het centrale geschilpunt was, had het op de weg van de minister gelegen de relevante stukken te bewaren. Niettemin hield de boete wegens het in de keuken van een restaurant bewaren van eetwaar op een te hoge temperatuur stand. Maatgevend in dit verband achtte het College in dit verband de verklaring van de minister dat ook indien het geteste monster zich gedurende vijf uur buiten de monsterkoelkast zou hebben bevonden het niet zoveel bacteriën (elf keer de toegestane norm) zou hebben kunnen bevatten indien de waren in het restaurant niet reeds een te hoge concentratie bacteriën bevatten.12
Ook de verplichting van het bestuursorgaan om in bepaalde gevallen voorafgaand aan de boeteoplegging een boeterapport uit te brengen (art. 5:53 Awb) is terug te voeren op de mogelijkheid om zich te kunnen verdedigen tegen de aantijging door het bestuursorgaan. In een geval waarin de OPTA zich bij het primaire boetebesluit niet had beperkt tot het in aanmerking nemen van de 28 nummers waarvan in het onderzoeksrapport was geconstateerd dat die door Tele2 in strijd met art. 4.2 lid 11 Tw waren doorgeschakeld, maar 49 doorgeschakelde nummers in aanmerking had genomen, oordeelde het College van Beroep voor het bedrijfsleven dat de OPTA had gehandeld in strijd met art. 15.10 in verbinding met art. 15.8 Tw (zie thans art. 5.8 en 5:53 Awb). Volgens het College mocht — mede gelet op de eisen van art. 6 EVRM, die hun weerslag vinden in de zojuist genoemde bepalingen — het rapport als bedoeld in art. 15.8 Tw er voor de belanghebbende die ervan wordt beschuldigd een met een strafrechtelijke sanctie bedreigde overtreding te hebben begaan, geen enkele twijfel over laten bestaan welke overtreding die belanghebbende volgens de OPTA precies heeft begaan en op grond van welke feiten en omstandigheden dit is vastgesteld. Het College meende dat Tele2 door deze handelwijze in haar belangen was geschaad en dat bij de boeteoplegging slechts mocht worden uitgegaan van de 28 doorgeschakelde nummers.13 Deze benadering lijkt me te star.14 Uitgangspunt in het bestuursrecht is dat het bestuursorgaan in elk geval gedurende de besluitvormingsfase nog nader onderzoek kan verrichten en fouten kan herstellen, terwijl gelet op art. 6:18 Awb en de bestuurlijke lus ook in de beroeps- en hoger beroepsfase nog herstelmogelijkheden voor het bestuur bestaan. Er is geen reden om bij bestuurlijke boetes van dit uitgangspunt af te wijken, zo kwam in de hoofdstukken 4 en 5 al aan de orde.15 In het strafrecht is dit niet anders. In hoofdstuk 7 bleek immers dat de mogelijkheid bestaat om in eerste aanleg en in hoger beroep de tenlastelegging te wijzigen en nader onderzoek te verrichten. Gelet hierop ga ik er vooralsnog van uit dat het College wel akkoord was gegaan met het door de OPTA in aanmerking nemen van 49 doorgeschakelde nummers indien een aanvullend boeterapport was uitgebracht.16
In hoofdstuk 6 kwam de dossiervorming in het strafrecht en het op grond van een belangenafweging niet aan het dossier toevoegen van stukken aan bod. Een variant hierop deed zich voor in een strafzaak waarin een medewerker van de AIVD die werd vervolgd wegens het lekken van staatsgeheime informatie ter zake van zijn verdediging werd gehouden aan zijn geheimhoudingsplicht. Hij mocht namelijk in het kader van zijn verdediging geen namen van collega's noemen. De Hoge Raad overwoog:
`In de onderhavige zaak heeft het debat zich toegespitst op de door de verdediging noodzakelijk geachte verstrekking van de personalia van medewerkers van de AIVD. Dienaangaande was aan de verdachte geen ontheffing van zijn geheimhoudingsplicht verleend. Het Hof heeft, oordelend vanuit het perspectief van de in art. 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces, gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het door de verdediging beoogde doel — het door het horen van die AND-medewerkers aannemelijk maken van "alternatieve scenario's" — ook kon worden bereikt door aanduiding van die medewerkers met codenummers (vgl. de hierna onder 6.2.4 weergegeven overwegingen sub d en e). Dat oordeel, waarin besloten ligt dat de verdachte voldoende compensatie is geboden voor de beperking van zijn verdedigingsrechten, geeft tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 5.5 is overwogen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. In zoverre faalt het middel.'17
Met betrekking tot de oproeping van getuigen ter zitting wijs ik verder op hoofdstuk 7, waar het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium werden behandeld.