Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.1:5.4.1 Inleiding
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.4.1
5.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493949:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook PG Boek 6, p. 803, 807.
Zie par. 5.3.5 (onder i en ii).
Du Perron 2006, p.72-73. Voor het oude recht had de Hoge Raad dit aanvaard in zijn arrest van 11 november 1955, NJ 1957/605 (Van Rooyen/Van den Heuvel). In de parlementaire geschiedenis wordt dit echter verworpen (PG Boek 6, p. 803), met als argument dat de opvatting van de Hoge Raad fraude in de hand werkt. Bij de bespreking van het arrest in hoofdstuk 6, par.6.4.3.4 weerleg ik dit bezwaar.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf bleek dat het wenselijk is om een ruime invulling te geven aan het betalingsbegrip van artikel 6:203. Uit de tekst van artikel 6:203 volgt immers dat een betaling alleen kan worden teruggevorderd door de partij die haar heeft verricht en dat terugvordering alleen mogelijk is van de partij die haar heeft ontvangen.1 Het bleek echter dat het verrichten en het ontvangen van de prestatie (betaling) niet altijd handelingen zijn die feitelijk worden verricht door degenen van wie het wenselijk is dat zij kunnen terugvorderen of moeten teruggeven.2Om te bewerkstelligen dat deze personen wel onder het bereik van artikel 6:203 vallen, moet worden aanvaard dat de verrichting en de ontvangst van de prestatie aan hen kan worden toegerekend.3
Een voorbeeld maakt duidelijk hoe toerekening tot wenselijke uitkomsten kan leiden. Stel dat A een schuld heeft aan Ben B heeft een schuld aan C. In opdracht van B verricht A een prestatie aan C, waarmee partijen beogen dat de schuld van A aan B alsmede de schuld van B aan C wordt nagekomen. Indien blijkt dat een manco kleeft aan de rechtsverhouding BC, moet B de prestatie kunnen terugvorderen van C. B heeft de prestatie echter niet feitelijk verricht. Hij kan de prestatie daarom alleen terugvorderen van C als de verrichting van de prestatie door A aan hem wordt toegerekend.
In deze paragraaf onderzoek ik onder welke voorwaarden toerekening kan plaatsvinden in het kader van artikel 6:203. In paragraaf 5.4.2 bespreek ik enkele wettelijke regelingen van toerekening die voor toerekening in het kader van artikel 6:203 als inspiratiebron kunnen dienen en waarbij aansluiting kan worden gezocht. In paragraaf 5.4.3 trek ik daaruit enkele conclusies. In paragraaf 5.4.4 bespreek ik dat toerekening de verrichte handelingen zelf betreft, en niet de gevolgen daarvan. Op basis daarvan doe ik in paragraaf 5.4.5 een voorstel voor voorwaarden waaronder toerekening in het kader van artikel 6:203 kan plaatsvinden.