Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.2
9.3.2 Afwijken van de heersende opvatting
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648847:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Schilfgaarde gebruikt de termen aansprakelijkheid en vordering door elkaar, wanneer hij spreekt over hetgeen uit een 403-verklaring voortvloeit: “De aansprakelijkheid van Econcern berust op de door Econcern afgegeven 403-verklaring. Art. 2:403 BW noch enige andere wettelijke bepaling verbindt aan de vordering, die op deze aansprakelijkheidsverklaring berust, een voorrecht.” Zie HR 11 april 2014, NJ 2014/309, par. 4.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361, r.o. 4.34.4 en HR 3 april 2015, HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255, r.o. 3.6.2.
Zie Spierings 2016, 10.2.1.
Zie Spierings 2016, 5.6: “Het aanbod heeft wel degelijk rechtsgevolgen, schept verbintenissen” en “Het aanbod is een zelfstandige bron van verbintenissen. Een aanbod creëert een wilsrecht tot het doen ontstaan van een overeenkomst voor de geadresseerde. Dit wilsrecht is een vermogensrecht. Daarnaast schept het aanbod een verbintenis voor de aanbieder om zich als een goed huisvader te gedragen én een toekomstige vordering tot nakoming van de uit de tot stand te brengen overeenkomst voortvloeiende verbintenissen.”
De wet geeft geen omschrijving van het begrip verbintenis. Duidelijk is wel dat het gaat om een rechtsverhouding tussen twee partijen, waarbij schuld (betaling of prestatie) en vorderingsrecht (vorderen van de prestatie en/of betaling) tegenover elkaar staan. Er kan nog een onderscheid worden gemaakt tussen de verbintenis (een rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar) en een rechtsplicht. Bij een rechtsplicht hoeft geen sprake te zijn van een rechtsverhouding tussen partijen, maar kan het gaan om een verplichting tegenover eenieder. Een kenmerk van de verbintenis is dat de nakoming van die verbintenis in rechte kan worden afgedwongen (zie artikel 3:296 BW). Daarmee geeft de schuldeiser dus een vorderingsrecht alsook een daaraan verbonden rechtsvordering.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 33: “Aan de passieve zijde van de verbintenis staat de schuldenaar, die tot de prestatie verplicht is, aan de actieve zijde schuldeiser, die op de prestatie recht heeft. Daarnaast echter zien wij, dat in de regel de schuldenaar met zijn vermogen voor de nakoming van verplichtingen instaat, en – van de actieve zijde bezien – dat de schuldeiser op dat vermogen verhaal heeft. Aldus onderscheidt men aan de passieve zijde der verbintenis tussen ‘schuld’ (uitschuld) en ‘verhaalsaansprakelijkheid’ (Haftung), aan de actieve zijde tussen ‘vorderingsrecht’ (schuldvordering, inschuld) en ‘verhaalsrecht’.”
Er wordt ook wel gesproken van een opgaan van het aanbod in een overeenkomst: “Het aanbod behoort tot de kern van het Nederlandse contractenrecht. Door zijn ‘zelfdestructieve’ karakter als rechtshandeling die tot doel heeft op te gaan in een overeenkomst”, Spierings 2016, 5.6.
Wanneer wordt aangenomen dat een 403-verklaring een wilsrecht in het leven roept, moet het uitgangspunt dat een 403-verklaring van rechtswege een vorderingsrecht doet ontstaan, worden verlaten. De heersende opvatting lijkt te zijn dat een 403-verklaring direct een vorderingsrecht laat ontstaan. Het onderscheid tussen het bestaan van aansprakelijkheid en het bestaan van een vorderingsrecht is mogelijk flinterdun.1 En opgemerkt moet worden dat de Hoge Raad in het kader van de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een 403-verklaring steevast spreekt over het bestaan van een verbintenis en dat de Hoge Raad niet spreekt over het bestaan van een vorderingsrecht.2 Dit werd reeds opgemerkt in paragraaf 9.2. Wat is het verschil? Vloeit een verbintenis noodzakelijkerwijs voort uit een vorderingsrecht? Of kan een verbintenis ook voortvloeien uit een (nog niet geaccepteerd) aanbod?
Wanneer een consoliderende rechtspersoon een 403-verklaring deponeert, kan worden betoogd dat zij hiermee een aanbod doet. Wanneer een schuldeiser een vordering heeft op een vrijgestelde rechtspersoon die voortvloeit uit een rechtshandeling, kan de consoliderende rechtspersoon dit aanbod niet meer vrijelijk intrekken. Het aanbod is onherroepelijk. Een onherroepelijk aanbod brengt de verbintenis met zich mee het aanbod gestand te doen en houdt de toekomstige verbintenis in tot nakoming van de overeenkomst die bij aanvaarding van het aanbod tot stand wordt gebracht.3
Wordt middels een 403-verklaring een aanbod gedaan, dan ontstaat een verbintenis.4 Een verbintenis5 heeft een actieve en een passieve kant.6 Bij een aanbod dat volgt uit de 403-verklaring, behelst de passieve kant de verplichting van de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde om het aanbod gestand te moeten doen wanneer dat wordt aanvaard. Aan de actieve kant staat de schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon. Hij heeft er recht op dat de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde het door haar gedane aanbod gestand zal doen wanneer hij besluit haar aan te spreken. Doet een rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde een aanbod in een 403-verklaring, dan brengt dat voor de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde de verplichting met zich dat zij dit aanbod gestand doen. Zij is daarin niet vrij. De rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde is gebonden om het aanbod gestand te doen wanneer dat wordt geaccepteerd. Het aanbod wordt geaccepteerd, wanneer de schuldeiser ingaat op het in de 403-verklaring gelegen aanbod en de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde op basis van die 403-verklaring aanspreekt. Na de acceptatie verschiet de rechtsverhouding tussen de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde en de schuldeiser van kleur. Het aanbod is aanvaard en er is een overeenkomst ontstaan.7 Uit die overeenkomst vloeit een vorderingsrecht voort. Dit vorderingsrecht leidt tot verbintenissen die afwijken van de verbintenissen die bestonden in de aanbodfase voorafgaand aan de acceptatie. Wanneer het aanbod is geaccepteerd en het zelfstandige vorderingsrecht (de 403-vordering) is ontstaan, rust op de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde de verbintenis om te presteren, hetgeen zij uit hoofde van het vorderingsrecht is verschuldigd. Aan de actieve kant staat de schuldeiser, die het recht heeft van de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde de verschuldigde prestatie te ontvangen. Bij een 403-vordering is de prestatie die de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde moet verrichten gelijkgesteld aan de prestatie die de vrijgestelde rechtspersoon aan de schuldeiser verschuldigd is.
Wordt de tussenstap van de aanbodfase gemaakt, dan heeft de schuldeiser alvorens de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde aan te spreken, een wilsrecht. De schuldeiser kan zijn eigen wil bepalen en al dan niet besluiten om de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde aan te spreken waardoor een vorderingsrecht tot stand kan worden gebracht.
Naar mijn idee is de opvatting dat een 403-verklaring een wilsrecht schept, juridisch-technisch gezien mogelijk. Ik acht deze opvatting goed verdedigbaar en mogelijk is deze opvatting logischer dan de opvatting waarbij wordt aanvaard dat door een eenzijdige verklaring van de rechtspersoon die de 403-verklaring deponeerde zonder acceptatie van de schuldeiser een vorderingsrecht aan het vermogen van een derde kan worden toegevoegd.