Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/8.4
8.4 Gemeenschap zonder object: schuldengemeenschap
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS344331:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 6.2 e.v. en par. 7.8.
Van Mourik 2012, nr. 3.
Op deze constatering is nuancering mogelijk, denk bijvoorbeeld aan goodwill. Zie Van Mourik 2012, nr. 2, 3.
Wel spreekt de wet van ‘voor rekening van de gemeenschap komende schulden’ en van ‘tot de gemeenschap behorende schulden’. Zie bijvoorbeeld: art. 3:174 BW, art. 3:178 lid 2 BW, art. 3:179 lid 1 BW en art. 3:182 BW in verband met voor rekening van de gemeenschap komende schulden en art. 3:192 BW in verband met tot de gemeenschap behorende schulden. Voor het belang van het onderscheid zie: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 11; Van Mourik & Schols 2015, nr. 33, 35; Perrick 2012, p. 649-650; Parl. Gesch. Boek 3, p. 608.
Ibidem.
Zie ook Van Mourik 2012, nr. 3.
Zie art. 3:182 BW.
In art. 3:179 lid 3 BW wordt gesproken van ‘de toedeling van een schuld’. Gebruikelijk worden geen schulden ‘verdeeld’, maar wordt in het kader van een verdeling van goederen tevens bepaald welke deelgenoten welke schulden in welke mate voor hun rekening nemen (in termen van draagplicht). Vergelijk: Perrick 1986, nr. 94; Tuil 2009, nr. 278; Van Mourik 2012, nr. 3; Stille 2012, nr. 6.2; Perrick 2012, p. 649-650; Van Mourik & Schols 2015, nr. 39.
Art. 6:155 BW.
Art. 3:180 lid 2 BW. Op grond van dit artikellid wordt een schuldeiser in staat gesteld zijn belangen zoveel mogelijk veilig te stellen. Een verdeling waaraan niet alle deelgenoten en alle andere personen wier medewerking vereist is (zoals de bedoelde schuldeiser) hebben deelgenomen, is op grond van het bepaalde in art. 3:195 lid 1 BW in beginsel nietig. Zie ook: Parl. Gesch. Boek 3, p. 628, 632; Perrick 1986, nr. 25; Van Mourik & Schols 2015, nr. 54, 74.
Dijkman 2018, p. 30-34. Zie ook B.E. Reinhartz in haar noot onder Hof Den Haag 12 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:1174, JPF 2017, 100.
B.E. Reinhartz, t.a.p., onder verwijzing naar A.A.M. Dijkman, ‘Draagplicht voor de onderwaarde van de echtelijke woning; Een juridische en economische analyse van artikel 1:100 lid 1 BW betreffende de draagplicht voor schulden bij echtscheiding’ (masterscriptie). Zie ook Dijkman 2018, p. 34.
Dijkman 2018, p. 33-34; B.E. Reinhartz, t.a.p.
Stel M en V hebben ongehuwd samengewoond in een woning die eigendom is van M. Voor de financiering van de woning is een hypothecaire lening afgesloten waarbij M en V als schuldenaren zijn aangemerkt. Thans is de woning verkocht maar de verkoopopbrengst is onvoldoende om de hypotheekschuld volledig te voldoen. In geschil is in hoeverre M en V draagplichtig zijn voor al hetgeen partijen uit hoofde van de bedoelde lening aan de bank zijn verschuldigd. Rechtbank Rotterdam 1 juni 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:4320 neemt aan, zich mede baserend op Hof ’s-Gravenhage 12 december 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BC2040, dat nu V heeft zich verbonden aan een schuld terwijl zij geen (mede)eigenaar was van de woning waarvoor de schuld is aangegaan en V aflost op een schuld van een ander, de restschuld een schuld is die alleen M aangaat. Zie anders: Hof ’s-Hertogenbosch 17 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1608 waarin door het hof werd aangenomen dat er voor de voormalige partners een draagplicht voor gelijke delen bestaat. Het hof baseert zich hier mede op het feit dat blijkens art. 6:10 BW hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem of haar in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht zijn in de schuld en in de kosten bij te dragen. Omtrent de vaststelling van de mate waarin het deel van de schuld een bepaalde schuldenaar aangaat, geeft de wet geen criteria. Uit TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 108 blijkt dat onder meer een rol spelen (niet limitatief): de aanwezigheid van een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst omtrent de bijdrageplicht; de onderlinge rechtsverhouding op grond waarvan men zich heeft verbonden; de vraag in hoeverre de tegenwaarde van de schuld ieder der schuldenaren ten goede is gekomen indien de schuld om baat is aangegaan. Indien geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn dat wordt in beginsel ervan uitgegaan dat er een draagplicht bestaat voor gelijke delen. Zie ook Van Boom 2016, nr. 5.4.
Daarbij kan onder handhaving van de relatieve draagplicht ook langs andere weg de draagplicht in absolute zin worden verminderd. In Hof Den Haag 12 april 2017, JPF 2017, 100 m.nt. B.E. Reinhartz overweegt het hof (r.o. 35, 36) dat de vrouw voor de helft draagplichtig is, maar dat de door de vrouw aan de man te vergoeden helft van de onderwaarde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wordt gewaardeerd op 65 procent van dat bedrag.
Ik ga ervan uit dat geen aanvaarding van de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft plaatsgevonden (art. 4:190 e.v. BW). Ten gevolge van de aanvaarding van de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving is een erfgenaam in beginsel niet verplicht een schuld van de nalatenschap ten laste van zijn overig vermogen te voldoen. Zie ook Asser/Perrick 4 2017, nr. 530.
Vergelijk Van Mourik 2012, nr. 3.
Vergelijk Zwalve 2006, p. 1 e.v.
Denk aan de situatie waarin een aanvankelijke ‘positieve’ nalatenschap door erfgenamen zuiver is aanvaard. Door het intreden van een crisis wordt de nalatenschap ‘negatief’ doordat de waarde van de tot de nalatenschap behorende woning daalt tot onder het niveau van de uitstaande bankschuld ter financiering daarvan. Indien alle activa worden geliquideerd ter voldoening van de schulden, kunnen uiteindelijk nog schulden resteren (bijv. aan de bank, nutsbedrijven, online winkels). Alle erfgenamen zijn in beginsel ter grootte van hun erfdeel gehouden tot voldoening van hun aandeel in de schulden. De erfgenamen (een of meer van hen) kunnen behoefte hebben aan een integrale regeling omtrent het dragen van de schulden. Daarbij zouden bijvoorbeeld enkele van de erfgenamen op billijkheidsgronden (laag inkomen, onvermogend) door een of enkele andere erfgenamen kunnen worden ontzien. Een dergelijke regeling heeft in beginsel interne werking. Denkbaar is echter dat crediteuren met een dergelijke regeling kunnen instemmen (art. 3:179 lid 3 BW jo. art. 6:155 e.v. BW), in welk geval aan een dergelijke regeling externe werking toekomt.
Vergelijk Van Mourik 2012, nr. 3. Van Mourik verdedigt dat de gemeenschap van schulden bestaanbaar is zonder in strijd te komen met de systematiek van het Burgerlijk Wetboek. Hij is van opvatting dat het terminologische spanningsveld als hierboven bedoeld, niet optreedt door aan te nemen dat de tekst van art. 3:166 lid 1 BW ruimte laat voor andere gedachten. Van Mourik (t.a.p.): ‘In dat kader denk ik thans aan schulden’. Met Van Mourik ben ik van mening dat de schuldengemeenschap als gemeenschap bestaanbaar is. Voor een onderbouwing daarvan zal ik hier enige eigen gedachten ontvouwen.
Struik 1965, p. 204-205. Struik wijst in het bijzonder op de theorie van de oneindige verzamelingen van Cantor in verband met de ontsluiting van de verzamenlingenleer (’Mengenlehre’). Zie daarover ook: Dauben 1990, p. 169 e.v.
Cantor 1895, p. 481: ‘Unter einer ‘Menge’ verstehen wir jede Zusammenfassung M von bestimmten wohlunterschiedenen Objecten m unsrer Anschauung oder unseres Denkens (welche die ‘Elemente’ von M genannt werden) zu einem Ganzen [cursivering in origineel, THS].’
Reid 1965, p. 17; Jech 2003, p. 8.
Naar een voorbeeld van H. Sikkema, oud-docent wiskunde en vader van de auteur, tijdens een gesprek over wiskundige verzamelingen.
Reid 1965, p. 7 e.v.; Hogendijk 1990, p. 11.
Reid 1965, p. 7 e.v.; Hogendijk 1990, p. 11.
Gebruikelijk zal in gevallen waarin zowel sprake is van tot de gemeenschap behorende goederen als voor rekening van de gemeenschap komende schulden, op grond van het bepaalde in art. 3:178 jo. 3:179 BW een ‘integrale afwikkeling’ van goederen en schulden plaatsvinden. Op grond van laatstbedoelde bepalingen kan in beginsel ieder van de deelgenoten verdeling van een gemeenschapsgoed vorderen en verlangen dat alle tot de gemeenschap behorende goederen en de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen.
Zie art. 3:182 BW.
In art. 3:179 lid 3 BW wordt gesproken van ‘de toedeling van een schuld’. Gebruikelijk worden geen schulden ‘verdeeld’, maar wordt in het kader van een verdeling van goederen tevens bepaald welke deelgenoten welke schulden in welke mate voor hun rekening nemen (in termen van draagplicht).
Zie par. 5.6.
Zie par. 7.3 en 7.4.
Zie par. 5.6.
Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat ‘verdeling’ en ‘toedeling’ op een lijn kunnen worden gesteld en dat met beide begrippen niet bedoeld is ‘levering’. Zie Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1299. Dat een dergelijk onderscheid door de wetgever niet steeds consequent is doorgevoerd (vergelijk bijv. art. 3:187 lid 1 BW), kan hieraan niet afdoen.
Ik wil benadrukken dat deze maatstaf uitsluitend is geformuleerd met betrekking tot de lege gemeenschap, zoals hierboven bedoeld. Daarmee kan een dergelijke maatstaf geen toepassing vinden in het kader van de verdeling van enige gemeenschap van (een of meer) goederen, daargelaten of in dat verband tevens sprake is van voor rekening van de gemeenschap komende schulden.
Zie art. 3:179 lid 3 BW: ‘toedeling van een schuld’. Zoals eerder aangegeven wordt hiermee bedoeld het in het kader van een verdeling vaststellen welke deelgenoten welke schulden in welke mate voor hun rekening nemen.
Vergelijk Perrick 2012, p. 649.
Blijkens deze afdeling is voor de overgang van de schuldenaarspositie kennisgeving aan en toestemming van de schuldeiser nodig (art. 6:155 BW). Zonder een dergelijke kennisgeving/toestemming heeft toedeling van een schuld in beginsel (slechts) interne werking. Zie ook: Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 301; Van Mourik 2012, nr. 3; Perrick 2012, p. 649.
Als object van de rechtshandeling van verdeling dient te worden beschouwd het (gehele) goed dat tot de gemeenschap behoort.1 Gemeenschap wordt aangenomen wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk.2 De situatie kan zich echter voordoen dat twee of meer personen ten aanzien van een of meer schulden gezamenlijk schuldenaar zijn zonder dat zij gezamenlijk tot een of meer goederen zijn gerechtigd. In een dergelijke situatie wordt wel gesproken van een ‘schuldengemeenschap’.3 De ‘schuldengemeenschap’ lijkt een vreemde eend in de bijt van de gemeenschappen. De wettelijke omschrijving van het begrip ‘gemeenschap’ is immers gericht op goederen4 en niet op schulden.5 Daar staat tegenover dat schulden aan de gemeenschap niet vreemd zijn. Zo spreekt de wet over ‘voor rekening van de gemeenschap komende schulden’ en over ‘tot de gemeenschap behorende schulden’.6
Indien de bepalingen van titel 3.7 BW op de schuldengemeenschap van toepassing kunnen worden verklaard kan tevens in de mogelijkheid worden voorzien de rechtshandeling van verdeling op een dergelijke gemeenschap toe te passen.7 Vanuit het gezichtspunt van deze studie is het daarmee ook relevant enige gedachten te wijden aan de mogelijkheid van aanvaarding en verdeling van de hier bedoelde schuldengemeenschap.
Hoewel enerzijds het wettelijke verdelingsbegrip in de formulering gericht is op de verdeling van goederen (en niet van schulden),8 wordt anderzijds ‘de toedeling van een schuld’ met zoveel woorden door de wet bepaald,9 zodat ook voor de schuldengemeenschap de mogelijkheid van toedeling van schulden aangenomen zou kunnen worden. Hierbij dient te worden bedacht dat de overgang van een schuld pas (externe) werking heeft ten opzichte van de schuldeiser indien deze, na van de overneming in kennis te zijn gesteld, daartoe zijn toestemming verleent.10 Ook schrijft de wet na een verkregen bevel tot verdeling de medewerking van een schuldeiser voor.11 Indien schuldenaren hoofdelijk tot een schuld zijn verbonden, zal een schuldeiser de vereiste toestemming doorgaans niet verlenen indien hij daardoor in een slechtere positie komt te verkeren. Dit laat echter onverlet dat schuldenaren een enkel intern werkende draagplichtregeling kunnen overeenkomen.
Uit recente publicaties blijkt dat er in de praktijk onder omstandigheden behoefte bestaat aan een regeling van de draagplicht voor de onderwaarde van de eigen woning.12 Zo wordt wel met een beroep op rechtseconomische beginselen betoogd dat indien bij het einde van de affectieve relatie een van de partners het huis verlaat en de ander achterblijft, de vertrekkende partner niet zou moeten worden aangeslagen voor het gehele aandeel in de restschuld indien op het moment van het vertrek de woning niet wordt verkocht (de restschuld wordt niet als ‘verlies’ gerealiseerd).13 Bij een dergelijke vaststelling kan in aanmerking worden genomen de mate waarin degene die achterblijft, kan profiteren van het aantrekken van de woningmarkt met als gevolg dat die betreffende persoon op termijn minder last heeft van de restschuld die op de woning rust, omdat de onderwaarde door de waardestijging afneemt.14 Eveneens kan worden meegewogen de mate waarin de betreffende woning tussen de beide partners al dan niet gemeenschappelijk was.15 Het meewegen van dergelijke factoren kan leiden tot een draagplichtregeling ‘op maat’.16 Dit geldt zowel in de situatie dat er naast een of meer gezamenlijke schulden gemeenschappelijke goederen zijn, maar ook indien er enkel gezamenlijke schulden zijn.
Indien de schuldenaren zijn verbonden voor bepaalde (al dan niet gelijke) delen – denk bijvoorbeeld aan een verbondenheid voor deelbare prestaties ingevolge erfopvolging17 – kan eveneens een belang worden aangewezen om voor verdeling geschreven regels toe te passen op de afwikkeling van de hier bedoelde schuldengemeenschap, zoals het recht om te komen tot een ‘integrale’ afwikkeling van schulden (art. 3:179 BW).18 Mijns inziens hoeft in het laatstbedoelde geval geen strijd te worden aangenomen met de splitsing van (deelbare) schulden van rechtswege op grond van art. 4:182 lid 2 BW.19 Op grond van art. 3:179 lid 1 BW staat de mogelijkheid open ook ex art. 4:182 lid 2 BW ‘verdeelde’ schulden in de verdeling te betrekken. Als de werking van art. 4:182 lid 2 BW niet in de weg staat aan het bij verdeling overeenkomen van een ‘toedeling’ van schulden in het kader van een draagplichtregeling indien ook gemeenschapsgoed aanwezig is, lijkt het mij verdedigbaar dat dit evenmin het geval is in verband met het overeenkomen van een draagplichtregeling van schulden in het geval de ‘gemeenschap’ geen goederen (meer) bevat maar enkel sprake is van tot de voor rekening van de gemeenschap komende schulden.20
Gelet op het bovenstaande zal ik in deze paragraaf een doordenking geven van de mogelijkheid de ‘schuldengemeenschap’ rechtens als gemeenschap te aanvaarden en de rechtshandeling van verdeling op een dergelijke gemeenschap van toepassing te doen zijn. Ik begin daartoe met een beschouwing over de vraag of de ‘schuldengemeenschap’ rechtens als gemeenschap kan worden aanvaard.
Hoewel botsing met de omschrijving van het begrip ‘gemeenschap’ moeilijk te vermijden is, kunnen er argumenten worden aangedragen op basis waarvan de acceptatie van de vorenbedoelde schuldengemeenschap als ‘gemeenschap’ – mede in het licht van het bepaalde in art. 3:166 lid 1 BW – kan worden vergemakkelijkt.21 Voor de uitwerking hiervan begin ik met een korte beschouwing over een denkkader ontleend aan de verzamelingenleer in de wiskunde. Hoewel de eigen aard van het recht in de weg staat aan de onverkorte toepassing daarbinnen van een dergelijk leerstuk, kan naar aanleiding daarvan niettemin een perspectief worden geboden voor de doordenking van het begrip ‘gemeenschap’ met betrekking tot de ‘gemeenschap zonder object’ ofwel de ‘lege gemeenschap’.
Een van de fundamentele leerstukken in de wiskunde is het leerstuk dat betrekking heeft op verzamelingen.22 Kort gezegd is een verzameling een geheel van objecten, ook wel elementen genaamd.23 Zo is er sprake van een verzameling indien tot een collectie een of meer elementen behoren. Een verzameling kan echter ook worden aangenomen indien dergelijke elementen ontbreken; er is dan sprake van een lege verzameling.24 Ik geef een voorbeeld:
Van een veelkleurige verzameling knikkers moeten de knikkers worden gerangschikt op kleur. Voor deze rangschikking dienen de knikkers te worden gedeponeerd in bakjes met dezelfde kleur als die van de knikkers. Deze bakjes vormen op zichzelf een nieuwe verzameling. Indien het bakje met de kleur geel leeg blijft omdat er geen gele knikkers zijn, geldt met betrekking tot de knikkers van die kleur dat er sprake is van een lege verzameling.25
Indien we op zoek gaan naar het juridische equivalent van de lege verzameling dan moeten we constateren dat in het geheel van de juridische gemeenschappen een soortgelijke verschijningsvorm ontbreekt. Een dergelijke gemeenschap leidt uitgaande van art. 3:166 lid 1 BW tot een contradictio in terminis; een gemeenschap dient overeenkomstig dit artikellid noodzakelijk een of meer goederen te bevatten en kan derhalve niet leeg zijn. Toch kan aan de hand van het concept van de lege verzameling een denkkader worden geboden dat als alternatief kan dienen voor de opvatting dat een lege gemeenschap gelijk staat aan een non-existente gemeenschap. Het begrip ‘leeg’ kan namelijk op verschillende manieren worden begrepen. We wenden ons tot de getaltheorie.
Binnen de getaltheorie neemt het getal ‘nul’ een bijzondere plaats in. Historisch gezien wordt nul aanvankelijk niet als getal beschouwd; ‘nul’ staat gelijk aan ‘niets’.26 In de loop van tijd ontwikkelt nul zich echter tot een getal.27 Nul evolueert daarmee kort gezegd van ‘niets’ naar ‘minder dan iets, maar meer dan niets’. In fundamentele zin heeft deze ontwikkeling tot consequentie dat nul als getalswaarde ‘bestaat’. Uitgaande van nul als getalswaarde kan nu ook het verschil worden overbrugd tussen non-existentie en existentie. In termen van een lege gemeenschap komt dat neer op het verschil tussen een non-existente en een existente gemeenschap. In het eerste geval is er geen object en derhalve geen gemeenschap, in het tweede geval is er wel een gemeenschap, hoewel geen object.
Het concept van de lege verzameling biedt als denkkader mogelijkheden voor toepassing in het gemeenschapsrecht. De toepassing van een dergelijk wiskundig concept in het gemeenschapsrecht vraagt echter om een aanpassing van het bedoelde concept, waarbij tevens een kader voor toepassing daarvan dient te worden geformuleerd.
Stel dat we het concept van de lege verzameling ten behoeve van het recht transformeren tot het concept van de lege gemeenschap. In hoeverre kan het concept van de lege gemeenschap functioneren in het gemeenschapsrecht? Ik geef hieronder enige gedachten weer.
Het heeft mijns inziens geen goede zin aan te nemen dat in alle gevallen waarin tussen twee of meer personen géén gemeenschappelijke gerechtigdheid tot enig goed bestaat, niettemin sprake is van een tussen hen bestaande (lege) gemeenschap. Wel is het denkbaar dat het concept van de lege gemeenschap dienst kan doen zonder dat op enig moment tussen personen een gemeenschappelijke gerechtigdheid tot goederen heeft bestaan, maar er wel sprake is van gezamenlijke schulden. Eveneens is denkbaar dat het concept van de lege gemeenschap wordt aanvaard voor de situatie waarin op basis van een in het verleden bestaand hebbende gemeenschap – waarbij er zowel sprake was van tot de gemeenschap behorende goederen als voor rekening van de gemeenschap komende schulden – er thans nog een rechtsverhouding tussen de ‘deelgenoten’ resteert, bestaande in een gezamenlijk schuldenaarschap ten aanzien van de bedoelde schulden.28
Voor het functioneren van het concept van de lege gemeenschap zou derhalve als voorwaarde kunnen gelden dat er geen sprake (meer) is van tot de gemeenschap behorende goederen, maar wel sprake is van gezamenlijke schulden als in een schuldengemeenschap zoals hierboven bedoeld. Daarmee komt aan de lege gemeenschap niet zozeer een zelfstandig bestaansrecht toe, maar aan het concept van de lege gemeenschap – als denkkader – des te meer. Door de aanvaarding van het bovenbedoelde concept kan de schuldengemeenschap van ‘existentie’ worden voorzien.
Nu door de aanvaarding van het concept van de lege gemeenschap de schuldengemeenschap van ‘existentie’ kan worden voorzien, kan de vraag worden gesteld hoe bij een lege gemeenschap de rol van de deelgenoten moet worden bezien. Daar de schuldengemeenschap zoals hiervoor bedoeld geen goederen bevat en derhalve als lege gemeenschap moet worden beschouwd, zouden de gezamenlijke schuldenaren als gerechtigden tot de goederen van de gemeenschap zonder object kunnen worden beschouwd en daarmee als deelgenoten in de lege gemeenschap.
De mogelijkheid om aan de schuldengemeenschap ‘existentie’ te verlenen werkt eveneens door in het kader van de afwikkeling van een dergelijke gemeenschap met behulp van de rechtshandeling van verdeling. Daar enerzijds het wettelijke verdelingsbegrip gericht is op de verdeling van goederen (en niet van schulden),29 maar anderzijds ‘de toedeling van een schuld’ met zoveel woorden door de wet wordt bepaald,30 vergemakkelijkt het bedoelde concept de mogelijkheid de rechtsfiguur van verdeling te betrekken op een gemeenschap van (enkel) schulden zoals hier bedoeld.
In hoofdstuk 5 heb ik reeds geconcludeerd dat als maatstaf voor verdeling heeft te gelden het – na verdeling en levering – optreden van een verminderde mate van onverdeeldheid ten gevolge van de vermindering van het aantal tot ten minste een goed van de gemeenschap gerechtigde deelgenoten.31 Deze verminderde mate van onverdeeldheid dient op te treden krachtens een daartoe strekkend handelen tussen deelgenoten (als deelgenoten)32 waaraan alle deelgenoten medewerken.33
De vraag kan worden gesteld op welke wijze – uitgaande van het voor verkrijging krachtens verdeling vereiste rechtsgevolg – verdeling van een schuldengemeenschap kan plaatsvinden. Voorop moet worden gesteld dat aan het concept van de lege gemeenschap eveneens goede zin toekomt in het kader van de afwikkeling van de schuldengemeenschap met behulp van de rechtshandeling van verdeling. Nu een lege gemeenschap naar zijn aard geen object kan bevatten, maar overeenkomstig het concept van de lege gemeenschap de gezamenlijke schuldenaren wel als deelgenoten van de lege gemeenschap kunnen worden beschouwd, zou mijns inziens voor een dergelijke gemeenschap als maatstaf voor toedeling34 kunnen worden aangenomen het optreden van een verminderde mate van onverdeeldheid ten gevolge van de vermindering van het aantal tot de (lege) gemeenschap gerechtigde deelgenoten.35 Aangezien de deelgenoten in de lege gemeenschap hun deelgenootschap ontlenen aan de toepassing van het concept van de lege gemeenschap op de tussen hen bestaande rechtsverhouding op grond waarvan een ‘gemeenschap van schulden’ wordt aangenomen, zal een vermindering van het aantal tot de lege gemeenschap gerechtigde deelgenoten dienen te worden bereikt via de toedeling van schulden.36 Ten gevolge hiervan zal de vorenbedoelde rechtsverhouding in die zin dienen te wijzigen dat een vermindering van de mate van gezamenlijk schuldenaarschap optreedt. Ik zou voor de invulling van dit criterium willen aansluiten bij hetgeen waar het in het kader van toedeling van schulden primair om gaat: de regeling van de draagplicht.37 Overigens wordt op de toedeling van een schuld ingevolge art. 3:179 lid 3 BWafdeling 6.2.3 BW (’schuld- en contractsoverneming’) van toepassing verklaard.38
Ik kom tot een afronding. In deze paragraaf heb ik mij ten doel gesteld een doordenking te geven van de mogelijkheid de ‘schuldengemeenschap’ rechtens als gemeenschap te aanvaarden en de rechtshandeling van verdeling op een dergelijke gemeenschap van toepassing te doen zijn.
Het begrip ‘gemeenschap’ is blijkens de omschrijving van art. 3:166 lid 1 BW gericht op goederen en niet op schulden. Op grond van deze omschrijving kan bezwaar worden aangevoerd tegen het hanteren van de term ‘schuldengemeenschap’. Het belang om te kunnen spreken van een schuldengemeenschap is erin gelegen dat voor de situatie dat twee of meer personen gezamenlijk schuldenaar zijn zonder dat zij gezamenlijk tot een of meer goederen zijn gerechtigd het rechtens verdedigbaar is op een dergelijk verband de voor de gemeenschap geschreven bepalingen (titel 3.7 BW) van toepassing te doen zijn. Om deze reden heb ik getracht een alternatieve benadering te vinden voor de doordenking van deze met de term ‘schuldengemeenschap’ samenhangende problematiek. Hiertoe heb ik het concept van de lege gemeenschap geïntroduceerd dat kan functioneren als denkkader waarbinnen bestaansrecht kan worden toegekend aan de rechtsfiguur van de gemeenschap van schulden in de hierboven bedoelde zin.
Het concept van de lege gemeenschap maakt het tevens mogelijk de rechtsfiguur van verdeling te betrekken op een dergelijke gemeenschap; door de terminologische ‘ontspanning’ kan ten behoeve van de afwikkeling van een schuldengemeenschap de toedeling van enkel schulden worden aanvaard. Ten gevolge van het betrekken van de rechtsfiguur van verdeling op de schuldengemeenschap dient evenwel bij de vaststelling van de voor verkrijging krachtens verdeling vereiste maatstaf gedifferentieerd te worden tussen de maatstaf voor verdeling van goederen en de maatstaf voor toedeling van schulden. Hiertoe heb ik na vaststelling van de maatstaf voor verdeling van goederen deze maatstaf gemodificeerd ten behoeve van de toedeling van schulden in het kader van een schuldengemeenschap. In het kader van de verdeling van een schuldengemeenschap zal krachtens de toedeling van schulden een vermindering van het aantal tot de lege gemeenschap gerechtigde deelgenoten dienen te worden bereikt, in verband waarmee de rechtsverhouding tussen de deelgenoten in die zin dient te wijzigen dat een vermindering van de mate van gezamenlijk schuldenaarschap optreedt (in termen van draagplicht).
Aldus kan – uitgaande van de wettelijke omschrijvingen van gemeenschap en verdeling – met het concept van de lege gemeenschap en een maatstaf voor toedeling van schulden een kader worden geboden voor zowel de aanvaarding als de verdeling van de schuldengemeenschap.