Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/5.3.2
5.3.2 Eénvormig
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258688:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Goederen die worden ingevoerd in landen die het Geharmoniseerd Systeem toepassen, zullen, onafhankelijk van het land van invoer, op zes-cijferig niveau hetzelfde worden ingedeeld.
Een en ander biedt ook mogelijkheden voor dit onderzoek naar de vaststelling van de transactiewaarde van ingevoerde goederen vanuit een EU-perspectief, nu de douanewaardebepalingen en richtsnoeren uit andere WHO-landen ter inspiratie kan worden geraadpleegd.
Artikel IV, onderdeel b, Verdrag van Brussel.
HvJ EEG 12 juli 1973, nr. C-8/73 (Hauptzollamt Bremerhaven tegen Massey-Ferguson GmbH), ECLI:EU:C:1973:90, r.o. 3. Zoals in het onderdeel 3.2.2.3 beschreven, liet het Verdrag van Brussel de mogelijkheid om op bijzondere punten aanpassingen door te voeren. Derhalve was, ten tijde dat het verdrag toepassing vond, geen sprake van een eenvormige vaststelling in de nagestreefde volle omvang.
HvJ EEG 3 februari 1982, nr. C-248/80 (Kommanditgesellschaft in Firma Gebrüder Glunz tegen Hauptzollamt Hamburg-Waltershof), ECLI:EU:C:1982:33, r.o. 10. Een en ander is gebaseerd op de zesde overweging van Verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 inzake de douanewaarde van de goederen, nr. L 148/6.
Het element ‘éénvormig’ (ook wel: ‘uniformiteit’) verlangt van WHO-leden dat zij hun douanewetgeving consistent en coherent aan de CVA vormgeven. De met het douanewaardesysteem nagestreefde eenvormigheid heeft echter niet tot doel om uniforme waardes vast te stellen, zoals bijvoorbeeld het Geharmoniseerd Systeem beoogd op een uniforme wijze goederen in te delen.1 Telkens zal namelijk de douanewaarde vastgesteld worden aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs bij toepassing van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. Deze tussen verkoper en koper afgesproken prijs zal, ook ten aanzien van dezelfde goederen, per invoertransactie verschillen.
Met eenvormigheid wordt dus beoogd dat het douanewaardesysteem in WHO-lidstaten consistent en coherent aan de CVA wordt vastgesteld, wat tot doel heeft om het bepalen van de douanewaarde in de internationale handel eenvoudiger en voorspelbaarder te maken voor zowel importeurs als douaneautoriteiten. De eenvoud wordt bereikt doordat importeurs telkens geconfronteerd worden met eenzelfde set aan douanewaardebepalingen, onafhankelijk van de douanejurisdictie waar zij hun goederen invoeren. Op lokale uitvoeringsverschillen na, zal een importeur, betrokken in de internationale handel, zijn kennis van het douanewaardesysteem internationaal kunnen inzetten. De voorspelbaarheid van de regelgeving brengt (rechts)zekerheid met zich over op welke wijze de douanewaarde vastgesteld moet worden. Daarmee kan een kosten-batenanalyse worden gemaakt voorafgaand aan het maken van handelsafspraken, omdat vooraf met meer zekerheid kan worden vastgesteld wat de grondslag voor de heffing van invoerrechten is en daarmee het bedrag aan rechten dat bij invoer verschuldigd is. Ook voor douaneautoriteiten is het eenvoudiger als er internationaal hetzelfde douanewaardesysteem wordt toegepast. Een en ander maakt het mogelijk voor douaneautoriteiten om best practices te delen en elkaars lokale richtsnoeren ter uitvoering van de douanewaardebepalingen te raadplegen. Het delen van best practices kan ad hoc of in georganiseerd verband, zoals bijvoorbeeld in de Technische commissie douanewaarde van de WDO.2 Zoals in onderdeel 4.3.3 aan de orde geweest, kan de Technische commissie zelfs overgaan tot het uitvaardigen van instrumenten als de uniforme uitleg van douanewaardebepalingen daarom vraagt. Eenvoud en voorspelbaarheid van het douanewaardesysteem liggen kortom ten grondslag aan het streven naar eenvormigheid en zorgen ervoor dat goederen op een meer toegankelijkere wijze ten invoer kunnen worden aangeven. De douanewaardebepalingen zullen daarmee minder als een handelsbelemmering worden ervaringen, wat op zichzelf de internationale handel kan stimuleren. Dit sluit ook aan bij de in onderdeel 5.2 opgenomen overwegingen uit de preambule van de GATT 1947.
Dat de douanewaardebepalingen op internationaal niveau vastgesteld moeten worden om éénvormigheid te kunnen bereiken, laat zich het best illustreren aan de hand van een vergelijking tussen de CVA en de douanewaardesystemen die voor de inwerkingtreding van de CVA toepassing vonden. Zoals in hoofdstuk 3 al nader aan de orde is geweest kenden douanejurisdicties voor 1947 elk hun eigen systeem ter bepaling van de douanewaarde. Dat bracht met zich dat partijen betrokken in de internationale handel in elke douanejurisdictie potentieel met een ander douanewaardesysteem geconfronteerd werden. In GATT 1947 werden basisprincipes uiteengezet waaraan de douanewaardesystemen van de verdragslanden moesten voldoen. GATT 1947 voorzag echter niet in een alomvattend uitgewerkt douanewaardesysteem en de basisprincipes waren te algemeen geformuleerd om een éénvormig douanewaardesysteem te bereiken.3 Daarnaast voorzag de GATT 1947 in overgangsbepalingen, waardoor bepaalde onderdelen van de nationale douanewaardesystemen die in beginsel niet voldeden aan de basisprincipes, gecontinueerd mochten worden, wat eveneens de éénvormigheid in de weg stond. Een nadere stap richting éénvormigheid werd gezet met de vaststelling van de BWD. In de eerste plaats heeft dit te maken met het grote aantal verdragslanden dat uiteindelijk aansluiting heeft gezocht bij dit douanewaardesysteem. Daarnaast, ten tweede, voorzag de BWD, zoals nader uiteengezet in onderdeel 3.3.3.1, in een meer omvattender douanewaardesysteem en werd een Comité voor de Waarde ingesteld om op de uniforme uitleg van het douanewaardesysteem toe te zien.4 Een éénvormig internationaal geaccepteerd stelsel werd de BWD om diverse redenen echter niet. Hoewel er bijvoorbeeld uiteindelijk meer dan 100 verdragslanden aansluiting hebben gezocht bij de BWD, hebben grote handelslanden als Canada en de Verenigde Staten zich nooit aangesloten. Daarnaast liet het Verdrag van Brussel, op basis waarvan de BWD werd vastgesteld, op bijzondere punten ruimte om aanpassingen door te voeren en betrof het geen alomvattend douanewaardesysteem. De met de Tokyo-overeenkomst ingestelde GATT Valuation Code voorziet in een nagenoeg alomvattend douanewaardesysteem. De enige bepaling die de éénvormige uitleg van het douanewaardesysteem in de weg staat, betreft de keuze voor WHO-leden om de douanewaarde overeenkomstig de CIF- of FOB-waarde vast te stellen. De Uruguay-ronde heeft geleid tot de vaststelling van de CVA. De douanewaardebepalingen en principes zijn niet wezenlijk anders dan die in de Tokyo-overeenkomst zijn opgenomen. Met betrekking tot de éénvormigheid van het douanewaardesysteem kan nog worden opgemerkt dat laatstgenoemde overeenkomst verplicht door nieuwe WHO-leden moet worden gevolgd, waar landen voor de institutionalisering van de GATT niet gehouden waren tot implementatie van het douanewaardesysteem zoals vastgesteld in de Tokyo-overeenkomst.
Naast de éénvormigheid van het douanewaardesysteem op internationaal niveau, wordt ook binnen de Europese Unie gestreefd naar éénvormigheid van het douanewaardesysteem. Hierbij kan gewezen worden op Verordening (EEG) nr. 803/1968 dat een nadere uniforme vaststelling van de BWD in de, destijds, EEG-lidstaten tot doel had. Gesteld kan daarom worden dat in de lidstaten van de EEG er een meer éénvormig douanewaardesysteem toepassing vond. Vanaf de vaststelling van de Tokyo-overeenkomst zijn de douanewaardebepalingen in EU-verband successievelijk vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 1224/80, het CDW-wetgevingspakket en het DWU-wetgevingspakket waarmee de éénvormigheid wordt gewaarborgd.
Ook het Hof van Justitie heeft zich uitgelaten over de aan het douanewaardesysteem ten grondslag liggende doelstelling tot éénvormigheid. Het Hof van Justitie merkt in dat kader op dat:5
“[…] de werking van de douane-unie noodzakelijkerwijze de eenvormige vaststelling van de douanewaarde van de uit derde landen ingevoerde goederen verlangt, zodat de mate van de door het gemeenschappelijk douanetarief teweeggebrachte bescherming in de gehele gemeenschap gelijk is.”
In een later arrest heeft het Hof van Justitie voorzien in nadere uitleg, door nader de doelstelling van de eenvormige uitleg van de douanewaarde uiteen te zetten. Het Hof van Justitie merkte in dat kader op:6
“[…] voorschriften vastgesteld voor de berekening van de douanewaarden van de goederen, teneinde te waarborgen dat de douanewaarde in de lidstaten op eenvormig wijze wordt bepaald, zodat de mate waarin het gemeenschappelijk douanetarief bescherming biedt in de gehele gemeenschap dezelfde is, om aldus elke verlegging van het handelsverkeer en van de activiteiten, alsmede iedere verstoring in de concurrentievoorwaarden, welke kunnen voortvloeien uit verschillen tussen de nationale bepalingen te voorkomen, en de importeurs een gelijke behandeling te verzekeren ten aanzien van de heffing van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief.”
Waar éénvormigheid vanuit internationaal perspectief de eenvoud en voorspelbaarheid van het douanewaardestelsel lijkt voor te staan, wordt vanuit EU-perspectief de doelstelling ‘éénvormigheid’ (ook) gebruikt om de uniforme uitleg van douanewaardebepalingen in EU-verband te garanderen waarmee marktdistorsie moet worden voorkomen. Dit kan worden verklaard doordat de Europese Unie als één douanegebied wordt aangemerkt. De verlegging van handelsverkeer naar de EU-lidstaat waar de douanebepalingen het meest gunstig wordt uitgelegd, zou in dat geval lonen. Dit is niet het geval indien een land gunstigere douanewaardebepalingen hanteert ten opzichte van een ander land en beide landen niet toebehoren aan hetzelfde douanegebied.