De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/9.1.3:9.1.3 Is de bij dode opgerichte stichting bijzonder in vergelijking met een natuurlijk persoon?
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/9.1.3
9.1.3 Is de bij dode opgerichte stichting bijzonder in vergelijking met een natuurlijk persoon?
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232341:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Quist 2008.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Mijn onderzoek heeft niet alleen betrekking op de verhouding tussen de bij dode opgerichte stichting en de bij leven opgerichte stichting, maar ook op de vraag of een natuurlijk persoon in het erfrecht anders wordt behandeld dan een bij dode opgerichte stichting. Al in 1.5.1 is gerefereerd aan artikel 2:5 BW dat bepaalt dat een rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft, met een natuurlijk persoon gelijkstaat, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit. Inmiddels kan de conclusie worden getrokken dat van een dergelijk verschil tussen een natuurlijk persoon en een bij dode opgerichte stichting geen sprake is.
Toch is in 5.1 opgemerkt dat er één wezenlijk verschil bestaat tussen een rechtspersoon en een natuurlijk persoon. Een natuurlijk persoon behoeft zich niets gelegen te laten liggen aan de eisen van de redelijkheid en billijkheid bij zijn overwegingen een begunstiging te verwerpen. Een natuurlijk persoon is aan niemand verplicht tot aanvaarding van begunstigingen, hoe onredelijk en onbillijk dat ook in de ogen van anderen mag lijken. De enige reden hiervoor lijkt te zijn dat hoewel de stichting net als de natuurlijk persoon van zichzelf ‘is’,1 de stichting toch een hoger doel in het ‘leven’ heeft: het bereiken van het doel in rechtspersoonrechtelijke zin.
Nu een totaal beeld is gevormd, kan verder worden gezegd dat wij meer en andere emotionele betrekkingen onderhouden met natuurlijke personen dan met rechtspersonen. Dit geldt zeker als deze rechtspersoon juist is opgericht om ‘kop van jut’ te zijn. Als de bij dode opgerichte stichting die een eventueel vereffeningsoverschot moet verdelen onder de kinderen van de erflater failliet gaat, had de erflater/oprichter daartegen op voorhand geen overwegende bezwaren. Bij het overlijden van de erflater zullen de kinderen dat ook niet hebben. De kinderen zijn beschermd, daar ging het om. Die kinderen zouden echter evengoed beschermd zijn geweest met de benoeming van een natuurlijk persoon tot erfgenaam onder de last wat eventueel overblijft na betaling van de schulden van de nalatenschap, te verdelen onder kinderen van de erflater. Zijn faillissement veroorzaken, had de erflater waarschijnlijk wel bezwaarlijk gevonden.