Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/3.2.7
3.2.7 Hernieuwde discussie over akkoord buiten faillissement (1925-1935)
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192647:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 16 mei 1925, Stb. 191. Zie verder over de belangrijke wijzingen die in 1925 in de surseanceregeling werden doorgevoerd Wessels InsolventierechtVIII 2011/8008; Vreeswijk 1973, p. 10-12.
Kortmann & Faber 1995, p. 328-329.
Ribbius 1927; Rutgers 1927a; Rutgers 1927b; Hooykaas 1927. De bijdrage van Hooykaas bevat een uitgewerkte schets voor een wettelijke regeling.
Grosheide 1931, p. 14-23; Star Busmann 1931, p. 8-15.
Twee derde van de stemgerechtigde schuldeisers, vertegenwoordigende drie vierde van de concurrente vorderingen moest vóór het akkoordvoorstel stemmen. Deze vereiste meerderheid werd in 2005 verlaagd teneinde de totstandkoming van akkoorden te bevorderen. Zie Kamerstukken II 1999/2000, 27 244, nr. 3, p. 19 en Wet van 24 november 2004, Stb. 2004, 615. Art. 145 Fw vereist sindsdien de gewone meerderheid van de ter vergadering verschenen erkende en voorwaardelijk toegelaten concurrente schuldeisers die tezamen ten minste de helft van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen.
Grosheide 1931, p. 27-29.
Star Busmann 1931, p. 19-20.
Grosheide 1931, p. 24.
Star Busmann 1931, p. 19.
Handelingen NJV 1931/I, p. 105-108.
Wet van 7 februari 1935, Stb. 413.
Kortmann & Faber 1995, p. 332-336.
Wet van 31 mei 1934, Stb. 193, 279.
Zie hierover Cleveringa 1955; Emmerich & De Beer 1937, hoofdstuk III.
Art. 7 van de Wet op de vergadering van houders van schuldbrieven aan toonder vereiste een meerderheid van drie vierde van de uitgebrachte stemmen. Op grond van art. 5 konden er slechts besluiten worden genomen indien meer dan de helft van het schuldbedrag van de gezamenlijke schuldbrieven vertegenwoordigd was. Voor zover deze opkomstdrempel niet werd gehaald, kon er een tweede vergadering worden gehouden. Tijdens deze tweede vergaderingen konden besluiten worden genomen – met de vereiste drie vierde meerderheid – zonder dat de opkomstdrempel werd behaald. Vgl. art. 5, laatste zin.
Zie bijvoorbeeld Hof ‘s-Gravenhage 25 maart 1935, NJ 1935, p. 559; Hof Amsterdam 30 juni 1936, NJ 1937/319.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 12 februari 1936, NJ 1936/496; Hof Amsterdam 24 juni 1936, NJ 1937/302; Rb. Amsterdam 8 februari 1940, NJ 1940/270.
Zie bijvoorbeeld HR 10 oktober 1935, NJ 1936/124.
HR 10 oktober 1935, NJ 1936/124.
Stb. 1981, 420.
Zie Vreeswijk 1973, p. 68-70; Frima 1992; Houben 2006.
47. Aanvankelijk was voor verlening van surseance van betaling een gegrond vooruitzicht op integrale betaling van de schulden noodzakelijk.1 Omdat dit criterium als te streng werd ervaren werd het versoepeld. Bij wetswijziging van 1925 werd bepaald dat voor de verlening van surseance vereist is dat vooruitzicht op bevrediging van de schuldeisers bestaat.2 De minister gaf gedurende de behandeling van het wetsvoorstel te kennen geen dwangakkoord gedurende de surseance in te willen voeren. Volgens de bewindsman zou een dwangakkoord het bijzondere karakter en de bijzondere voordelen van de surseance teloor doen gaan.3
Mede naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Duitse ‘Verordnung über die Geschäftsaufsicht zur Abwendung des Konkursesf’ brengt Ribbius de discussie over de wenselijkheid van een dwangakkoord buiten faillissement weer op gang. Ribbius schrijft dat de behoefte aan een stille en niet al te complexe regeling moeilijk valt te verenigen met de wens om voldoende waarborgen voor crediteuren op te nemen. In 1927 verschijnt een tweetal reacties in het Weekblad van het Recht.4
In 1931 kon het dwangakkoord buiten insolventie wederom op aandacht van de Nederlandse Juristen Vereniging rekenen. Grosheide en Star Busmann schreven een preadvies over de volgende vraag:
“Is wettelijke regeling van het akkoord buiten faillissement gewenscht, en zoo ja, op welke wijze?”
Beide preadviseurs komen na een uitvoerige weging van voor- en tegenargumenten tot de conclusie dat een wettelijke regeling van het akkoord buiten faillissement gewenst is.5 Zowel Grosheide als Star Busmann meent dat de akkoordprocedure buiten faillissement neerslag zou moeten vinden in en aansluiting zou moeten zoeken bij de surseanceregeling. Zo zou steeds een bewindvoerder benoemd moeten worden en zou de procedure gepaard moeten gaan met de nodige openbaarheid. Verder bepleitten zij aansluiting bij de destijds geldende vereiste meerderheid voor het aannemen van een faillissementsakkoord.6
Grosheide ageert, geïnspireerd door diverse buitenlandse regelingen, voor een wettelijk minimum-akkoordpercentage. Hoe hoog dat percentage moet zijn, laat hij in het midden.7 Star Busman wijst die suggestie van de hand, omdat naar zijn oordeel een wettelijk verankerd minimumpercentage willekeurig is.8 Grosheide meent dat de rechtbank de mogelijkheid moet hebben de homologatie te weigeren, wanneer zij meent dat de debiteur – kort gezegd – niet te goeder trouw is.9 Star Busman opteert voor een andere oplossing. Naar zijn mening moet er een ingangstoets in de procedure worden ingebouwd om misbruik van de regeling tegen te gaan. Wanneer bij aanvang van de procedure al vaststaat dat een bepaald gedeelte van de schuldeisers tégen het akkoord is, zou het verzoek niet in behandeling moeten worden genomen.10
Na een lange beraadslaging werd er ter vergadering over de volgende vraag gestemd:
“Is wettelijke regeling van het akkoord buiten faillissement gewenscht?”
Een meerderheid bestaande uit 42 personen beantwoordde deze vraag bevestigend. 28 aanwezigen stemden tegen. Nadien kwam nog een negental vraagpunten ter stemming die de inrichting van de procedure betroffen. De meerderheid van de vergadering stemde vóór een dwangakkoord dat langs de lijnen van de surseanceprocedure en in de openbaarheid tot stand komt. Men stemde vóór wettelijke verankering van een minimum-akkoordpercentage. Ook zou de wettelijke regeling voorschriften moeten bevatten over de vereiste meerderheid voor een akkoord en de goede trouw van de schuldenaar.11
48. In 1935 is een dwangakkoordregeling ingevoerd in de surseanceregeling.12 Het was volgens de wetgever “geen zeldzaamheid, dat een schuldenaar, de groote meerderheid van zijne schuldeisers bereid vindend tot een dergelijk akkoord toe te treden, stuit op den tegenstand van eene kleine minderheid, die, in de hoop zich bijzondere voordeelen te kunnen bedingen of om andere redenen, hare medewerking weigert.” Een dergelijke weigering leidde tot faillietverklaring, terwijl het in sommige gevallen ook voor die minderheid beter was geweest wanneer dit was voorkomen.13 Een akkoord werd gezien als “de meest gewenschte oplossing” voor de schuldeisers en de schuldenaar en het werd onterecht geacht dat een (kleine) minderheid de totstandkoming ervan zou kunnen blokkeren.14 De surseanceakkoordregeling komt uitgebreider aan de orde in §3.3.
49. Niet lang voor de invoering van het surseanceakkoord werd ook de Wet op de vergadering van houders van schuldbrieven aan toonder van kracht.15 De wetgever achtte een bijzondere regeling voor obligaties destijds “uitermate urgent”, gelet op de “ongekende moeilijkheden op economisch gebied”.16 De wet zag alleen op aan toonder luidende schuldbrieven met een bedrag van minstens 50.000 gulden, die bovendien vóór 6 juni 1934 waren uitgegeven.17 De gekwalificeerde meerderheid18 van obligatiehouders kon de minderheid binden aan bijvoorbeeld een renteverlaging,19 de omzetting van obligaties in aandelen20 of de conversie van dollarobligaties naar guldenobligaties.21 Tegenover het offer van de obligatiehouders moest ofwel tenminste een even groot voordeel staan, ofwel met het offer zou een even groot nadeel worden voorkomen, bijvoorbeeld de nadelige consequenties van liquidatie.22 Deze wet is in 1981 ingetrokken.23
50. Na de invoering van de surseanceregeling is in de literatuur nog diverse malen gediscussieerd over de wenselijkheid van een dwangakkoord buiten een formele openbare insolventieprocedure, maar tot concrete wetgevingsinitiatieven heeft dit tot voor kort niet geleid.24 Sinds het begin van de 21ste eeuw zijn wederom diverse pleidooien voor invoering van een pre-insolventieakkoord te horen. Die recent geuite behoefte aan het dwangakkoord buiten surseance en faillissement is niet los te zien van de beperkingen verbonden aan de thans bestaande akkoordvarianten. Deze akkoordprocedures staan dan ook centraal in de volgende paragraaf. De recente aandacht houdt bovendien nauw verband met Europese en internationale ontwikkelingen op het gebied van het (pre-) insolventierecht. Deze ontwikkelingen staan in §3.4 en 3.5 centraal.