Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.6
4.7.6 Daadwerkelijk vertrouwen is niet vereist
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS502389:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219 (‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
Vgl. HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201 m.nt. C.E. Du Perron, r.o. 4.10.4 (World Online). Wellicht anders: Rb. Overijssel 5 december 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:4872, r.o. 5.10 en r.o. 5.17 (Kamerverhuur Goor).
Vgl. HR 2 februari 1990, NJ 1993/635 m.nt. M. Scheltema, AB 1990/223 m.nt. G.P. Kleijn (Staat/Bolsius) en HR 7 oktober 1994, NJ 1997/174 m.nt. M. Scheltema, AB 1996/ 125 m.nt. B.J.P.G. Roozendaal (Staat/Van Benten).
De tweede vraag is of het verstrekken van onjuiste informatie (al) onrechtmatig is indien de burger erop heeft mogen vertrouwen dat hij juist werd geïnformeerd, of dat voor het aanmerken van informatieverstrekking als onrechtmatig (ook) nodig is dat de burger hierop daadwerkelijk heeft vertrouwd.
Het antwoord op deze vraag ligt besloten in de laatste volzin van de maatstaf die de Hoge Raad in het arrest ‘s-Hertogenbosch/Van Zoggel heeft geformuleerd, die hier omwille van de leesbaarheid wordt herhaald: ‘Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.’1 Uit de gekozen bewoordingen volgt dat een onrechtmatigheidsoordeel (al) binnen handbereik ligt indien de burger redelijkerwijs heeft mogen vertrouwen op de juistheid van de verstrekte informatie. Het gaat immers erom of de informatieverstrekking in de gegeven omstandigheden op zichzelf genomen vertrouwenwekkend was.
Voor aansprakelijkheid is evenwel pas plaats indien de burger daadwerkelijk op het verkeerde been is gezet door de verstrekte informatie. Dit betekent dat (pas) in het kader van de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid aan de orde komt of, en zo ja in hoeverre, de burger daadwerkelijk is beïnvloed en als gevolg daarvan is benadeeld.2 Dit strikte onderscheid ligt in zoverre voor de hand, dat de gevolgen van de informatieverstrekking niet mede bepalend behoeven te zijn voor de kwalificatie van onjuiste informatieverstrekking als onrechtmatig. Tussen onrechtmatigheid en schadevergoedingsplicht bevinden zich immers de overige vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, waaronder causaal verband. Of de burger feitelijk heeft vertrouwd op de gegeven informatie, is (pas) van belang bij de vaststelling van het causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de schade. De schade van de burger die weliswaar mocht vertrouwen op de informatieverstrekking maar dat feitelijk niet heeft gedaan, is niet het gevolg te achten van de informatieverstrekking (zie paragraaf 7.2.3.1). Deze subjectieve beoordeling of de burger daadwerkelijk heeft vertrouwd op de overheidsinformatie heeft geen plaats in de objectief georiënteerde onrechtmatigheidsbeoordeling, en dient pas te worden verricht als in geschil is of de burger op basis van dat vertrouwen iets heeft gedaan of nagelaten.3