Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.3.1.2
3.3.1.2 Kwijtschelding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940784:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.2.5.
Haas 2009, par. 1.1.
Daarmee was de verhoging (van doorgaans 100 % van de grondslag) een gegeven, zie bijvoorbeeld HR 13 juni 1956, BNB 1956/242.
HR 6 februari 1957, BNB 1957/90 en HR 13 november 1957, BNB 1958/15.
Dat leidde soms tot opvallende uitkomsten. Wanneer een verhoging bijvoorbeeld voor 50 % was kwijtgescholden, waarna in beroep de grondslag met 50 % werd verminderd, vond er geen feitelijke vermindering van het boetebedrag plaats. Een vermindering tot op 50 % van het oorspronkelijke belastingbedrag, waarbij een tot op 50 % kwijtgescholden verhoging in het geding was, had in guldens dus geen enkel effect (100 % * 50 % is gelijk aan 50 % * 100 %). Zie bijvoorbeeld HR 13 oktober 1954, BNB 1954/339, HR 6 februari 1957, BNB 1957/90. Scheltens (losbl.), par. 65, p. 535 geeft voorts een cijfervoorbeeld waarmee een en ander wordt geïllustreerd. Zie voorts Scheltens (losbl.), par. 24.d..
Resolutie van de Minister van Financiën, Stb. 1954, 160, V-N 1954, p. 663.
Aldus ook: Scheltens 1959, p. 36 en Feteris 2002, par. 1.3.2.
De verhogingen waren rechtstreeks uit de wet verschuldigd tot daarin vastgelegde hoogtes, en hielden dus geen rekening met het strafrechtelijke beginsel van de individuele straftoemeting. Wel bestond – reeds onder de wetgeving van 1914 – het fenomeen kwijtschelding, dat via een omweg alsnog een mogelijkheid bood om de hoogte van de boete af te stemmen op de ernst van het feit.1 Het uitblijven van een besluit tot het verlenen van kwijtschelding kon echter niet aan de rechter worden voorgelegd.2 De rechter kon bij de toetsing van de opgelegde verhoging niet verder gaan dan nagaan wat de grondslag daarvan was en of aan de formele vereisten was voldaan.3 De toegepaste verhoging mocht (volgens de wet) niet hoger zijn dan (100 % van) de uiteindelijk vastgestelde (eventueel verlaagde) grondslag, zijnde de enkelvoudige belasting.4 Verder dan het bewaken van die bovengrens ging de rechter niet.5
In de Resolutie van 27 oktober 1954 werden vuistregels voor de kwijtschelding gegeven.6 De kwijtschelding vond op grond daarvan meteen bij het opleggen van de navorderingsaanslag met verhoging plaats. De vuistregels (doorgaans kwijtschelding tot op 50 %, maar in voorkomende gevallen ook tot op 75 % of 25 %) haakten bovendien steeds aan bij de mate van verwijtbaarheid in het concrete geval.7 Dat laatste was in overeenstemming met het strafkarakter van de verhoging, welk karakter ook in de resolutie zelf werd bevestigd: de verhoging moest niet als een schadevergoeding, maar als een door de administratie opgelegde straf op het doen van een onjuiste aangifte worden aangemerkt.