Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.3.1.1:3.3.1.1 Jurisprudentie en literatuur
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.3.1.1
3.3.1.1 Jurisprudentie en literatuur
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940785:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals in paragaaf 3.2.6 is opgemerkt, had de mate van verwijtbaarheid in 1944 een prominente plaats ingenomen bij het opleggen van de verhoging. Voortaan was er sprake van een wettelijke disculpatiegrond: de verhoging verviel als aannemelijk was dat het niet door opzet of grove onachtzaamheid (hierna ook: grove schuld) kwam dat te weinig belasting was geheven. Dat past bij de opvatting dat de verhoging het karakter heeft van een straf. In lijn daarmee werd de schadevergoedingsgedachte spoedig na de Tweede Wereldoorlog in de jurisprudentie en de literatuur verlaten. Voorheen leidde de jurisprudentie van de Hoge Raad constant tot het oordeel dat er sprake was van een gefixeerde schadevergoeding.1 Begin 1950 overwoog de Hoge Raad echter dat een wettelijke verhoging als straf werkt voor de belastingplichtige.2 Iets later verbond de Hoge Raad aan de hiervoor genoemde wettelijke disculpatiegrond (a contrario) de conclusie dat de verhoging bedoeld is als een straf op het doen van een onjuiste aangifte.3 Ook in de literatuur werd de verhoging in deze periode aangeduid als strafbepaling.4 Scheltens heeft in 1959 het karakter van de verhoging geduid en kwam tot de conclusie dat er sprake was van een fiscale administratieve sanctie, die beoogde (geldelijk) leed toe te brengen aan degene van wie de te lage heffing door zijn schuld vaststaat.5 De verhoging behoorde daarmee niet tot het ‘echte’ strafrecht, maar was ook zeker geen schadevergoeding. Materieelrechtelijk was er sprake van een straf (een sanctie met een strafkarakter). Het onderscheid met het ‘echte’ strafrecht was slechts formeelrechtelijk van aard: als de rechter de straf oplegt, dan is het een ‘echte’ strafrechtelijke sanctie, maar als de sanctie rechtstreeks uit de wet voortvloeit en wordt opgelegd door de overheid, dan is er sprake van een bestuursrechtelijke sanctie.