Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/5.2.6.1
5.2.6.1 Bewijs van opzet
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS355873:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor bij verzwijging onder 4.3.3.
Zie voor een zaak waarin de verzekerde het opzet tot het verkrijgen van een zo hoog mogelijke schade-uitkering heeft bekend Hof Den Haag 21 januari 1992, S&S 1993, 19.
J.H. Wansink in 'Verval van een recht of een recht in verval?' in de Clausing-bundel 1990, p. 203 e.v. Doorgeschoten in de terughoudendheid bij het onderzoek naar bedrog acht ik de RvT in zijn uitspraak van 12 september 2005, nr. 2005, 54 Br: in een zaak waarin de hoofdmoot - een bedrag van ruim 9.000 - is voldaan, stond nog uitsluitend ter discussie de nota van de schilderswerkzaamheden en de (on)juistheid van het daarop vermelde BTW-nummer. Hoewel verzekeraar geen beroep doet op algeheel verval van de (reeds gedane) uitkering, leidt de RvT zijn overwegingen wel in met een overweging over algeheel verval bij partieel bedrog (zoals we die kennen uit de in de inleiding van deze paragraaf neergelegde uitspraak nr. 2002, 11 Br van 8 april 2002). Dit mijns inziens ten onrechte, omdat het in deze zaak niet ging om algeheel verval als sanctie, maar om verval van dat deel van de vordering (schilderwerk ad 250) waarop het aannemelijk geachte bedrog wél zag. Hoewel de RvT gelijk heeft waar hij stelt dat de overlegging van een nota eigenlijk niet nodig was geweest, werd deze in de procedure op verzoek van de verzekeraar - zonder dat uit de gegevens blijkt dat verzekerde zich hiertegen verzet heeft - wel overgelegd. En als dan blijkt dat verdedigbaar is dat verzekeraar van de onjuistheid van de nota's uitgaat, dan lijkt mij verval van die uitkering op zijn plaats. Wél terecht komt mij voor het oordeel van de Raad dat het bedrog de opzegging van de door klaagster gesloten brandverzekeringen rechtvaardigt (zij het dat ik het gekunsteld vind dat de Raad enerzijds dus oordeelt dat het bedrog niet mag 'meetellen' in de sanctionering van de uitkering zelf, maar dat wél mag t.a.v. de opzegging van de verzekeringen).
De gevolgen van het onvoldoende weerspreken - en daardoor: bewezen zijn - van opzet tonen zich in HR 3 december 2004, NJ 2005, 160: verzekerde werd niet toegelaten tot het (tegen)bewijs van de onvoldoende weersproken stelling van verzekeraar.
In een behoorlijk aantal gevallen (o.m. 2000/26 Br.T; in iets andere bewoordingen: 2005/74 Br) heeft de Raad van Toezicht een beslissing met deze overweging ingeleid. Veelal komt de Raad vervolgens toch tot een beslissing door te overwegen dat het al dan niet verdedigbaar is dat verzekeraar van de (on)juistheid van bepaalde stukken uitgaat (o.m. 2005/54 Br.).
Vgl. voor gemanipuleerde facturen HR 3 december 2004, NJ 2005, 160, m.nt. MMM en RvT 2005/54 Br.
Hof Den Haag 21 januari 1992, S&S 1993, 19 (verzekerde bekent het opzet tot het verkrijgen van een zo hoog mogelijke schade-uitkering) en Hof Den Bosch 30 januari 2001, Prg. 2001, 5652, m.nt. Hendrikse (verzekerde erkent dat hij bewust een verkeerde opgave heeft gedaan omtrent schade aan een drietal posten).
RvT 8 maart 1993, nr. II-93/7. Wat opvalt aan de uitspraak is dat de Raad in het midden laat of sprake is van opzet, maar uitsluitend aangeeft dat 'vaststaat dat klager in strijd met de waarheid apparatuur als gestolen heeft opgegeven'. De Raad gaat vervolgens in op de vraag of algeheel verval als sanctie gerechtvaardigd is indien - zoals hier het geval is -slechts op één punt een onjuiste opgave is gedaan. De uitspraak is juridisch inhoudelijk inmiddels 'overruled' door het nadien 'omgaan' van de Raad in eerder genoemde uitspraak van 8 april 2002, RvT 2002, 11 Br.
Voorkomend in de inboedelverzekering is de polisbepaling waarbij onder de omvang van de dekking als gedekte gebeurtenis is opgenomen: 'Diefstal. Waaronder begrepen poging tot diefstal alsook beschadigingen als gevolg van inbraak of diefstal.'
Bij het vaststellen van de betekenis van de verklaringen van partijen kan de maatstaf van het Haviltex-arrest (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, m.nt. CJHB) als uitgangspunt gelden.
Een vergelijking die zich opdringt is die met de zgn. tussenfase bij het leerstuk van verzwijging: Feiten en omstandigheden die bekend worden nadat de aanvraag is ingezonden, maar voordat de verzekeraar heeft bericht over zijn definitieve beslissing het ter verzekering aangeboden risico al dan niet te verzekeren, moeten alsnog aan de verzekeraar worden medegedeeld, indien deze vallen onder de vraagstelling in het aanvraagformulier dat, tezamen met de op de aangevraagde verzekeringsdekking van toepassing zijnde voorwaarden van verzekering, in tweevoud ter hand is gesteld. (Aldus de door het Verbond van Verzekeraars aan de markt geadviseerde modelteksten). Het is voor verzekeraar een geringe moeite (verschoonbaarheidsvereiste) om verzekerde erop te wijzen hoe te handelen in de fase nä melding, maar vóór in behandeling name van de schade, resp. uitkering daarvan.
Ten onrechte lijkt het Hof Den Haag, 22 augustus 2000, Prg. 2000, 5565 (m.nt. Hendrikse), er vanuit te gaan dat de belangenbenadeling wél een rol speelt, waar het overweegt: 'Dat [verzekeraar] door die misleiding in haar belangen zou worden geschaad, is niet (gemotiveerd) betwist.
Vgl. ook Hof Den Haag 4 februari 1977, NJ 1978, 264 dat zelfs in de regresverhouding tussen de WAM-verzekeraar en zijn verzekerde - dus nadat de benadeelde was schadeloos gesteld - een beroep op een vervalbeding dat de dekking met zo veel woorden deed vervallen bij een opzettelijk niet-nakomen, ondanks gebleken bedrog in strijd met de goede trouw (redelijkheid en billijkheid) oordeelde, nu de verzekerde had gesteld dat de verzekeraar daardoor niet in een redelijk belang was geschaad en de laatste dat ook niet had bestreden.
Wansink 2006, p. 363.
Uitgangspunt bij een beroep op het verval van uitkering bij bedrog, is dat de verzekeraar dat bedrog stelt en bewijst: het is verzekeraar immers die zich beroept op bevrijding van zijn verplichting tot schadevergoeding onder de polis en het is daarom aan hem om aan te voeren dat de verzekeringnemer of de verzekerde hem onjuist heeft voorgelicht omtrent een gevallen schade met het oogmerk een hogere schadevergoeding te verkrijgen respectievelijk een uitkering te verkrijgen waarop hij bij kennis van de ware stand van zaken geen recht zou hebben gehad. Of dit opzet bij de overtreding van de polisvoorwaarde aan de orde is geweest, kan, zoals reeds eerder bleek,1 in die gevallen waarin de verzekeringnemer of de verzekerde dit niet zelf erkent, alleen kan worden aangetoond met behulp van vermoedens, te putten uit de omstandigheden van het geval.2
De vraag die in het kader van dit boek rijst, is welke eisen aan het bewijs van opzet dienen te worden gesteld. Zoals uit de inleiding van deze paragraaf al naar voren kwam (zie meer uitgebreid onder 5.2.6.2), wordt bij bedrog van de verzekeraar uitgegaan van een strenge sanctie, te weten die van verval van elk recht op uitkering. Juist de ernst van deze sanctie, zo zou kunnen worden betoogd, pleit ervoor dat het bedrog niet te eenvoudig dient te worden aangenomen. Wansink heeft eerder terughoudendheid bepleit bij de beoordeling van de vraag of aan het handelen van de verzekerde inderdaad het opzet tot misleiden ten grondslag heeft gelegen.3Wanneer terughoudendheid bij de beoordeling zich laat vertalen in nauwgezet onderzoek door een verzekeraar naar de feiten en omstandigheden en de achtergrond achter een bepaalde opgave (zoals deze door de verzekerde is gedaan), dan is dat op zijn plaats. Gelet op het belang dat de verzekeringnemer heeft bij polisdekking, mag hij van de verzekeraar verlangen dat deze nauwgezet nagaat of er inderdaad sprake is van bedrog, dan wel of er wellicht slechts sprake is (geweest) van onhandigheid van de verzekerde, een verschoonbare dwaling omtrent de invulling van het schadeaangifteformulier heeft plaatsgehad dan wel of er sprake is van een misverstand in terminologie of uitlatingen.4 Van de verzekeraar mag daarbij verwacht worden dat hij in ruime mate voldoet aan zijn stelplicht en dat hij ingaat op het standpunt van de verzekerde en inzicht geeft in het (nauwgezet) onderzoek dat hij heeft uitgevoerd en, zo deze aanwezig zijn, de stukken daarvan overlegt. Daarmee is ook in lijn de op de verzekeraar rustende verplichting tot het - ook ongevraagd - overleggen van een expertiserapport.5 Het blijft echter wel aan de verzekerde om daar voldoende gemotiveerd op in te gaan: de zo-even genoemde 'terughoudende' opstelling dient mijns inziens niet verder te gaan dan deze eerste, feitelijke fase van (nauwgezet) onderzoek. Daarna dienen in beginsel de gewone regels omtrent de stelplicht te gelden: als een verzekeraar gemotiveerd stelt dat een verzekerde opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt bij de afwikkeling van de schade en de verzekerde dat onvoldoende weerspreekt, staat daarmee het opzet vast.6Vergelijk Mendel in zijn annotatie bij het meergenoemd arrest van de Hoge Raad van 3 december 2004, waar hij stelt (en ik zou hem daarin willen volgen): 'Opzet is een kwestie van geestesgesteldheid en dus moeilijk te bewijzen. Als een verzekeraar stelt dat een verzekerde opzettelijk onjuiste gegevens heeft verstrekt bij de afwikkeling van de schade en de verzekerde dat onvoldoende weerspreekt, staat daarmee het opzet vast (r.o. 3.5 [van de HR, NvT])'. Het is voor de verzekeraar immers al moeilijk genoeg om bewijs bij te brengen.
Tijd om te bezien hoe een en ander uitwerkt in de praktijk. Een eerste uitspraak die richting geeft, is de hiervoor door mij al genoemde uitspraak van de Raad van Toezicht uit 1990. De Raad van Toezicht kan, gelet op de marginale toets die hij aanlegt, géén voor partijen bindende uitspraak doen over omtrent feiten 'waarover partijen van mening verschillen en bewijs van de juistheid van de ene of de andere stelling ontbreekt'.7 Dergelijke uitspraken zijn aan de rechter voorbehouden. Wel kan de Raad beoordelen of een door verzekeraar ingenomen standpunt verdedigbaar is en in het kader van die toetsing heeft de Raad zich uitgelaten over de vraag hoe om te gaan met verzoeken tot schadevergoeding in een polis die de verval-clausule bij bedrog kent. De Raad overwoog, voor zover van belang:
'Gelet op de consequenties die toepassing van voormelde bepaling voor een verzekerde heeft, is echter onverenigbaar met de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf dat verzekeraar bovenvermelde bepaling in casu een zodanig ruime toepassing geeft dat klager reeds zijn recht op schadevergoeding zou verliezen zonder nauwgezet onderzoek door verzekeraar naar het waarheidsgehalte van met de opgave van klager - op het eerste gezicht - strijdige verklaringen van derden alsook zonder terdege na te gaan of de geconstateerde discrepantie wellicht te wijten is aan gebezigde terminologie of aan het feit dat klager zich, hoewel te goeder trouw, minder duidelijk of exact heeft uitgelaten. Door in casu - waar de nodige misverstanden denkbaar zijn - na te laten zulk een onderzoek te doen heeft verzekeraar de goede naam van het schadeverzekeringsbedrijf geschaad.' 8
Een dergelijk onderzoek doet mijns inziens recht aan het belang van beide partijen: enerzijds aan dat van verzekerde, die er belang bij heeft dat een verzekeraar zich niet lichtvaardig beroept op de vervalclausule bij bedrog, maar anderzijds ook aan dat van de verzekeraar. Een feitelijk gedegen onderzoek immers kan bijdragen aan het oordeel van de rechter om de verzekeraar - behoudens tegenbewijs - te volgen in zijn stellingname. Dat tegemoetkomen is niet nodig in gevallen waarin op het punt van de vraag óf er sprake is van bedrog, geen discussie bestaat.9 In een incidenteel geval wordt het bedrog ronduit toegegeven.10 Naast die 'duidelijke' situaties zijn echter veel grensgevallen voorstelbaar. Ter illustratie een aantal voorbeelden.
Situatie A
Ten gevolge van een inbraak is braakschade ontstaan en een aantal voorwerpen is uit de woning van verzekerde gestolen. Verzekerde meldt de schade en geeft een lijst op van de gestolen goederen waarvoor hij vergoeding vraagt. Toevallig wordt de dader van de inbraak aangehouden en deze verklaart dat hij de stereoinstallatie niet gestolen heeft. De met de verklaring van de dader geconfronteerde verzekerde geeft aan dat deze in zoverre juist is, dat de bedoelde installatie inderdaad niet gestolen was, maar door de dief wel ter plekke onherstelbaar was beschadigd (zonder restwaarde).
Verzekerde stelt daarbij dat hij in alle oprechtheid gemeend heeft dat ook beschadigde voorwerpen op de lijst opgenomen dienden te worden.
Situatie B
Eveneens in het kader van een inbraak en het verzoek om vergoeding onder de opstal/inboedel-verzekering (gedekte gebeurtenis: diefstal), meldt verzekerde
dat een groot aantal goederen weggenomen is. Onderdeel van de opgave maakt uit een dure Duitse telescoopkijker. De kijker is gestolen uit de werkkamer van verzekerde, maar de volgende ochtend vindt verzekerde hem terug in de achtertuin. Doordat er vocht in het oculair is gekomen, is de kijker onbruikbaar en verzekerde besluit ook de verrekijker als gestolen op te geven.
Situatie C
In de hiervoor onder B geschetste situatie vindt verzekerde de kijker eveneens terug, zij het eerst een paar dagen nadat verzekerde de diefstal heeft gemeld en hij de lijst van gestolen goederen heeft ingezonden.
Vooropgesteld zij, dat voor de beoordeling van de onderscheiden situaties de (uitleg van de) polisvoorwaarden steeds van doorslaggevend belang zullen zijn.
De casus onder A is ontleend aan een uitspraak van de Raad van Toezicht11en hoewel de uitspraak geen inzicht geeft op het punt van de onder de polis geboden dekking, moet aangenomen worden dat de gedekte gebeurtenis 'diefstal' niet uitgebreid is geweest tot beschadigingen als gevolg van inbraak of diefstal.12 In dat geval, immers, zou er geen discussie hebben hoeven bestaan: de schade zou dan in ieder geval onder de dekking vallen en enig opzet tot het verkrijgen van een hogere uitkering speelt dan niet.
Wanneer de polisvoorwaarden die uitbreiding niet kennen, dient allereerst aan de orde te komen de vraag of hier sprake is geweest van bedrog. Oftewel: is hier met opzet (tot het verkrijgen van een hogere uitkering) een valse opgave gedaan? Bij de beantwoording van die vraag speelt een belangrijke rol of er voor de verzekerde in redelijkheid ruimte was om er -ten onrechte - vanuit te gaan dat het begrip diefstal in de polis mede betrekking had op beschadiging als gevolg van diefstal. Het spreekt voor zich dat de omstandigheden van het geval daarbij betrokken dienen te worden. Belangrijk is allereerst het 'profiel' van de verzekerde: tot welke maatschappelijke kringen behoort hij en welke rechtskennis kan van hem worden verwacht.13 Belangrijk is voorts de inrichting van het schadeaangifteformulier: wordt verzekerde daarbij 'geleid' in zijn opgave doordat als gedekte gebeurtenis naar bijvoorbeeld 'gestolen of weggenomen goederen' wordt gevraagd? En tenslotte kan een bepalende rol spelen hetgeen de verzekerde in het kader van zijn aangifte bij de politie heeft verklaard: Is de stereo-installatie aan de orde geweest? Lijkt het erop dat de verzekerde deze bewust buiten schot heeft gelaten? Het is daarmee afhankelijk van de (hier niet gegeven) omstandigheden van het geval of door verzekerde met het opzet tot het verkrijgen van een (hogere) uitkering een valse opgave is gedaan, dan wel door hem is gedwaald.
De situatie onder B is in zoverre anders, dat van diefstal in ieder geval sprake is geweest: de kijker is weggenomen, zelfs het huis uit gebracht en valt daarmee strikt genomen onder de gedekte gebeurtenissen. Wel blijft overeind dat verzekerde een onware opgave heeft gedaan en de vraag die opkomt is hoe hier mee om te gaan. Op zichzelf lijkt de hiervoor bij de bespreking van situatie A genoemde ruimte voor verzekerde (om er vanuit te kunnen gaan dat het begrip diefstal in de polis mede betrekking had op beschadiging als gevolg van diefstal) groter te zijn: de kijker is nu eenmaal gestolen en niet van belang lijkt te zijn welk lot de gestolen kijker uiteindelijk ondergaat. Ook een door de dief doorverkochte verrekijker is voor verzekerde niet (langer) bruikbaar en voor hem is in beginsel duidelijk dat diefstal heeft plaatsgehad en dat deze onder de dekking valt. Aan de andere kant blijft natuurlijk een feit dat de handelwijze van verzekerde niet juist is geweest, nu hij niet naar waarheid aan de verzekeraar heeft verklaard. Ook hier zullen de omstandigheden van het geval het oordeel inkleuren.
In de situatie zoals deze onder C is geschetst, is in beginsel sprake geweest van een zuivere, ware opgave. Eerst later, immers, dus nä het invullen van het aangifteformulier is de kijker teruggevonden en is bij de verzekerde de gedachte ontstaan om op de eerdere opgave niet terug te komen en deze gewoon onder de dekking te laten (blijven) vallen. Bij de beoordeling van de vraag naar de 'verschoonbaarheid' van verzekerde komt verzekerde hier mijns inziens (nog meer) ruimte toe om te oordelen dat het evenement onder de dekking valt: er is gestolen, er is een juiste opgave gedaan en het nadien terugvinden van de 'waardeloze' kijker leidt niet tot verandering van de situatie. De verzekerde heeft ook daarmee zijn kijker niet 'terug'. Onder die omstandigheden lijkt verschoonbaar de gedachte bij verzekerde dat een nadere aanvullende verklaring dat de kijker is teruggevonden, niet nodig is. Dit is naar mijn oordeel slechts anders, indien het schadeaangifteformulier van de verzekeraar aangeeft hoe in voorkomende situaties te handelen.14
Op het moment nu dat er sprake is van opzet om de verzekeraar te misleiden, rijst de vraag of ook dan aan het vereiste van belangenbenadeling dient te worden voldaan. Oftewel, zou de verzekeraar ook dan uitsluitend een beroep op het vervalbeding kunnen doen, indien hij aannemelijk maakt dat hij door de late melding in het concrete geval daadwerkelijk in een ongunstiger positie is gebracht? Het antwoord op deze vraag wordt gegeven in art. 7:941 lid 5 BW, dat een wettelijk vervalbeding inhoudt voor die gevallen waarin sprake is van bedrog: indien de verzekeringnemer of de verzekerde een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 van art. 941 BW niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, vervalt het recht op uitkering, behoudens voor zover deze misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. Het vereiste van belangenbenade-ling wordt daarbij dus niet langer gehanteerd.15
In het kader van de aansprakelijkheidsverzekering gaat ook Wansink in op de verhouding tussen het bedrog van de verzekerde en het vereiste van de belangenbenadeling. Hij stelt dat het tegenover de verzekeraar niet redelijk te achten is, dat deze ook bij bedrog van de verzekerde zich alleen dan op het vervalbeding zou mogen beroepen, indien hij aannemelijk maakt dat hij daardoor in het concrete geval daadwerkelijk in een ongunstiger positie is gebracht in het kader van de beoordeling van de aansprakelijkheids- en dekkingsvraag. Daarmee sluit hij aan bij het hierboven weergegeven wettelijke bepaling. Wel werpt hij anderzijds op dat het niet langer verenigbaar lijkt met de rol die de Raad van Toezicht aan de aansprakelijkheidsverzekering bij de bescherming van de benadeelde derde toedicht, dat bij de niet-nakoming te kwader trouw - in de woorden van Bongers - voor de vordering van de verzekerde 'la mort sans phrase' zou hebben te gelden. Hij stelt op dit punt:
'Een aanvaardbare oplossing is mijns inziens deze, dat de verzekeraar zich bij bedrog van de verzekerde in beginsel op het vervalbeding mag beroepen, maar dat niet langer opgaat wanneer de laatste aantoont dat de verzekeraar daardoor niet in een redelijk belang is geschaad.'16
Oftewel: als ondanks het opzet tot misleiding van belangenbenadeling geen sprake is, kan verzekeraar op het (algeheel) vervalbeding (alsnog) geen beroep doen. Deze benadering past - zoals Wansink stelt17 - bij de genuanceerde benadering zoals we die uit de ('opzetloze') belangenbenadeling door te laten melding kennen: 'geen algeheel verval indien geen benadeling of slechts gedeeltelijke benadeling'. Ruimte voor deze oplossing kent ook de regeling in art. 7:941 lid 5 BW. De bewijslast in deze rust dan op de verzekerde.