Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.3.2
2.3.2 De wilsleer
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS587297:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. Asser-Rutten 4-11 (vierde druk), p. 64-65: 'Volgens de wilstheorie moet weliswaar de wil op enigerlei wijze zijn geuit, zodat er een natuurlijke band bestaat tussen wil en verklaring, doch is het in wezen de wil die de overeenkomst tot stand doet komen. Een consequente toepassing van deze leer zou zijn dat, wanneer de verklaring van een der handelende personen niet overeenstemt met diens wil, een overeenkomst niet tot stand komt: evenmin als de wil zonder verklaring, kan de verklaring zonder het bestaan van de werkelijke wil een overeenkomst tot stand doen komen. (curs. in origineel)' Zie voorts, met verwijzing naar literatuur, Blei Weissmann, Losbl. Contractenrecht* 11, nr. 20.
Pitlo/Bolweg 1974, p. 186, Asser-Rutten 3-11 (derde druk), p. 67. Zie voorts, met verwijzing naar verdere literatuur, Blei Weissmann, Losbl. Contractenrecht* II, nr. 20.
Hijma 1988, p. 16. Zie ook Hijma e.a. 2010, nr. 24. Vgl. voorts Van den Brink 2006, p. 7-8.
Smits 1995, p. 190 e.v.
Smits 1997, als te vinden op: http://arno.unimaas.nl/show.cgi?fid=7862.
Zie Opzoomer 1891 alwaar op p. 28 wordt opgemerkt: 'De geheime, verborgen wil kan geen kracht hebben: alleen de uitgesproken, geopenbaarde wil kan werken. Op het uiten, het verklaren van den wil, komt het aan. (...) Er is geen andere wil dan de uitgedrukte wil; van strijd tusschen wil en wilsverklarend woord kan geen sprake zijn. (...)' Daarmee komt Opzoomer' s opvatting in zeker opzicht dichtbij die van de Duitse dogmaticus Karl Larenz. Diens in § 7 hierna te bespreken opvatting komt er namelijk eveneens op neer dat er geen van de verklaring afgezonderde wil bestaat. De wil wordt in de verklaring voltrokken en daarin geobjectiveerd; zie nader Larenz 1966, p. 62.
Smits 1995, p. 192. Vgl. Blei Weissmann, t.a.p.
Smits 1995, t.a.p.
In de klassieke, negentiende-eeuwse wilsleer berust de gebondenheid aan het overeengekomene op de wil van partijen.1 Consequentie van een strikt hanteren van deze leer is dat, waar de wilsverklaring afwijkt van de werkelijke wil, geen overeenkomst tot stand komt2 en dat voor de beantwoording van de vraag of gebondenheid is ingetreden steeds een empirisch-psychologisch onderzoek naar de wil van de betrokkene(n) noodzakelijk is.3 Smits heeft in zijn hierna nog te bespreken proefschrift en elders echter uiteen gezet dat de wilsleer dikwijls verkeerd wordt begrepen.4 Hij merkt op:
"Wanneer men de wilsleer dan ook bekritiseert met het argument dat wanneer de wil niet in overeenstemming is met de gedane verklaring geen overeenkomst ontstaat, ook niet wanneer de wederpartij mocht aannemen dat overeenstemming wel bestond, dan kan dit eenvoudig worden gepareerd: in de ideaaltypische wilsleer bestaat geen discrepantie tussen wil en verklaring. Het is een van de twee: of er is een wil en dan ook (per definitie) een daarmee corresponderende verklaring, of er is geen wil, maar dan ook geen verklaring. Tertium non datur. Een psychologisch onderzoek, nodig om de 'werkelijke' wil te achterhalen, is evenmin vereist nu deze reeds blijkt uit de verklaring die daarmee per definitie samenvalt."5
In de aldus begrepen wilsleer (door Smits reële wilsleer genoemd) telt derhalve niet de "geheime, verborgen wil"6 maar alleen de in een verklaring geopenbaarde wil7 In deze wilsleer wordt de wil belichaamd door de verklaring: er is geen wil buiten de verklaarde wil.8