Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.2.3:3.2.3 Een normatieve maatstaf
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/3.2.3
3.2.3 Een normatieve maatstaf
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het standpunt van MacCormick houdt in dat het mogelijk is om op een rationele manier over het handelen na te denken, en dat dat denken op zo’n manier kan worden gestructureerd dat daaruit ook een praktisch bruikbare methode valt af te leiden. Die methode kent als eerste stap, zoals hiervoor uiteengezet, een inventarisatie van de relevante redenen die men kan hebben om op een bepaalde wijze te handelen. Daarbij worden de genoemde drie typen redenen onderscheiden, die bovendien in hun inhoud materieel of ideëel kunnen zijn. Wanneer die inventarisatie heeft plaatsgevonden, wordt het relevant welke kwalitatieve keuze gemaakt wordt op grond van een geheel aan waarden dat men tot leidraad voor het handelen wenst te nemen.
Wanneer het over private beslissers gaat, die in vrijheid over hun handelen kunnen beraadslagen, zijn die normatieve uitgangspunten tot op grote hoogte particularistisch. Men dient voor zichzelf te besluiten op grond van welk normatief kader men in de keuzes ten aanzien van het eigen handelen wil worden geleid. In zoverre gaat het bij private beslissers over een autonome moraal als invulling van deze normatieve uitgangspunten. Dat is anders bij beslissers die niet in de positie zijn om zelfstandig een normatief kader op te stellen dat als waardencatalogus hun handelen kan informeren. Wanneer bijvoorbeeld een ambtenaar beslissingen neemt in het kader van zijn taakuitoefening, dient hij daarbij te handelen conform de waarden die de overheidsorganisatie waartoe hij behoort onderschrijft. Dat betekent niet dat de wijze van beslissen en de structuur waarbinnen die beslissing genomen wordt wezenlijk verschillend is, maar wel dat de inhoud van de normatieve uitgangspunten die daarbij worden gehanteerd niet noodzakelijkerwijs door de beslisser zelf is ontwikkeld. Daardoor is er dan ook geen sprake van morele autonomie bij degene die voor de uiteindelijke beslissing verantwoordelijk is: die heeft plaatsgevonden in relatieve heteronomie ten opzichte van de normatieve uitgangspunten die aan hem extern zijn.1
MacCormick erkent dat morele autonomie ten grondslag ligt aan de normatieve uitgangspunten die als leidraad voor het handelen worden gebruikt, waardoor diversiteit in morele standpunten onontkoombaar is.2 Desondanks heeft hij zelf een sterke voorkeur voor een bepaald type moraliteit, waarbij hij het niet heeft over de morele inhoud van die normatieve uitgangspunten, maar over de meta-ethiek die gebruikt wordt bij het tot stand brengen ervan. Deze meta-ethiek bestaat bij MacCormick uit een combinatie van de Kantiaanse categorische imperatief en de theorie van Adam Smith over moral sentiments. Die combinatie levert volgens MacCormick een meta-ethiek op waarin het risico van willekeur en onbeslisbaarheid in morele kwesties, dat op de loer ligt vanwege de morele autonomie van elke beslisser, ondervangen wordt, vanwege de plaats die daarin is ingeruimd voor wezenlijke menselijke emoties en voorkeuren die voortvloeien uit de menselijke natuur en de omgeving waarin menselijke samenlevingen functioneren. Het emotionele karakter van de menselijke natuur, zoals door Adam Smith ten grondslag gelegd aan zijn theorie over moral sentiments, moet tot uitdrukking kunnen komen in de wijze waarop menselijke beraadslaging over het handelen plaatsvindt. Vanwege de overeenkomstigheid van de menselijke natuur voor alle beslissers, betekent dat dat morele autonomie niet meebrengt dat grenzeloze verschillen in morele keuzes vaak en onoplosbaar zullen voortbestaan.
MacCormick brengt Smiths theorie in verband met een aangepaste versie van de eerste formulering van Kants categorische imperatief. Terwijl de eerste formulering van Kant vereist dat men moet handelen volgens een maxime waarvan men kan willen dat deze een universele wet wordt, heeft MacCormick in zijn versie de gerichtheid op de universele wet vervangen door het concrete oordeel. Dat sluit volgens hem beter aan bij de wijze waarop beslissers hun morele standpunten tot uitdrukking laten komen in het handelen. Daarbij dient dat concrete oordeel over wat in een bepaald geval het beste is om te doen, te zijn gebaseerd op een onpartijdige beoordeling van de gevoelens van alle betrokkenen. Daarin is de verbinding te zien tussen de categorische imperatief en de moral sentiments. De ‘Smithiaanse categorische imperatief’ is volgens MacCormick samen te vatten in twee samenhangende uitspraken:
‘Enter as fully as you can into the feelings of everyone directly involved in or affected by an incident or relationship, and impartially form a maxim of judgment about what is right that all could accept if they were committed to maintaining mutual beliefs setting a common standard of approval and disapproval among themselves’, en vervolgens: ‘Act in accordance with that impartial judgment of what it is right to do in respect of the given incident or relationship’.3