Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/1.2:1.2 Vraagstelling en opbouw
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/1.2
1.2 Vraagstelling en opbouw
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947773:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Deel 1 en 2 van dit proefschrift staat de volgende vraag centraal:
Aan welke uitgangspunten moeten vrije en eerlijke verkiezingen in Nederland voldoen en in hoeverre waarborgen het EVRM en de Grondwet deze uitgangspunten?
Deze uitgangspunten volgen deels uit het constitutionele kader waarbinnen het kiesrecht functioneert. Dit kader valt uiteen in een aantal elementen, die in Deel 1 van deze dissertatie aan de orde komen. Allereerst besteed ik in hoofdstuk 2 aandacht aan het democratieprincipe, waarbij de juridische democratiebegrippen die tot uitdrukking komen in de Grondwet, het EVRM en het VEU centraal staan. Hoofdstuk 3 besteedt aandacht aan het grondrechtelijke karakter van het kiesrecht. Daarbij ligt de focus op artikel 4 Gw en artikel 3 Protocol 1 EVRM. In hoofdstuk 4 ga ik vervolgens in op het Nederlandse kiesstelsel en de uitgangspunten die aan dit stelsel ten grondslag liggen. Het Nederlandse lijstenstelsel op basis van evenredige vertegenwoordiging, zonder nadere onderverdeling in kiesdistricten, maakt partijvorming noodzakelijk voor verkiezingsdeelname. De (visie van de wetgever op de) rol van politieke partijen staat centraal in hoofdstuk 5.
Het grondrechtelijke karakter van het kiesrecht wordt in Deel 2 van deze dissertatie vervolgens uitgewerkt in drie overkoepelende uitgangspunten voor het verkiezingsproces, die op hun beurt elk in meerdere aspecten uiteenvallen. Het gaat daarbij om de uitgangspunten van algemeen kiesrecht (hoofdstuk 6), vrij kiesrecht (hoofdstuk 7) en gelijk kiesrecht (hoofdstuk 8). Hoofdstuk 9 formuleert vervolgens een drietal ‘afgeleide’ uitgangspunten.
In Deel 3 van dit proefschrift beantwoord ik de volgende vragen:
Op welke punten voldoet de regelgeving omtrent de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen niet of onvoldoende aan de kiesrechtelijke uitgangspunten voor vrije en eerlijke verkiezingen?
Welke maatregelen moeten genomen worden om de geconstateerde gebreken te adresseren?
Dit derde deel behandelt de verkiezingsprocedure in chronologische volgorde. In hoofdstuk 10 richt ik mij op de fase van kandidaatstelling. De drie volgende hoofdstukken hebben betrekking op de verkiezingscampagne. In hoofdstuk 11 behandel ik de regulering van online verkiezingscampagnes die met behulp van microtargeting gevoerd worden. In hoofdstuk 12 en 13 ga ik vervolgens in op de regulering van de belangrijkste bronnen voor de financiering van verkiezingscampagnes, te weten overheidssubsidiëring en particuliere donaties. Hoofdstuk 14 bespreekt de fase van de stemming. In hoofdstuk 15, ten slotte, staat het vaststellen van de uitslag centraal. Steeds geef ik de nodige context bij het betreffende thema, alvorens de bestaande en aanstaande regels aan de uitgangspunten te toetsen en waar nodig voorstellen tot aanpassing te doen. Een antwoord op de hoofdvragen en de belangrijkste conclusies van dit onderzoek hebben een plek gekregen in hoofdstuk 16.