Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/5.4.3
5.4.3 Algemeen belang
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS592055:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Lindijer 2006, p. 464.
Hartkamp 2007, p. 16.
Vgl. Vriesendorp 1981, p. 62.
Vgl. HR 9 januari 1998, NJ 1998, 363: 'Vooropgesteld moet worden dat de Rechtbank kennelijk — en terecht — art. 6:248 lid 2 BW tot uitgangspunt heeft genomen. Zij heeft ook aangekondigd in het kader van die bepaling tot haar voormelde afweging te willen komen. Onjuist is echter in elk geval de door de Rechtbank kennelijk gehanteerde gedachte dat in dat kader alleen met 'civielrechtelijke belangen' rekening zou kunnen worden gehouden, wat de Rechtbank bij die term ook voor ogen mag hebben gestaan. Integendeel moet worden aangenomen dat in het kader van de voormelde bepaling, toegepast op overeenkomsten met de overheid, ook algemene beginselen van behoorlijk bestuur en publieke belangen in aanmerking dienen te worden genomen, zoals ook strookt met de art. 3:12 en 3:14 BW en art. 3:1 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb).'
Vgl. Vriesendorp 1981, t.a.p.: 'Hetgeen vrouwe Justitia overigens verhoede, de advocaat past geen blinddoek.'
Van de schuldenaar of een tot diens bedrijfsleiding behorend persoon.
HR 12 december 1997, NJ 1998, 208 (Gemeente Stein/Driessen). Zie nader over deze problematiek: De Graaf 2006, p. 13 e.v., Wessels/Jongeneel/Hendrikse 2006, p. 298 en Duyvensz 2011.
HvJ 27 juni 2000, gevoegde zaken C-240/98 en C-244/98.
HvJ 21 november 2002, C-473/00.
HvJ 26 oktober 2006, C-168/05.
HvJ 4 juni 2009, C-243/08.
HvJ 26 oktober 2006, C-168/05 (curs. PSB).
HvJ 4 juni 2009, C-243/08.
HvJ 6 oktober 2009, C-40/08. Curs. PSB.
Als te vinden op: http://www.rechtspraak.de/Procedures/Landelijke-regelingen/Sector-civiel-recht/Documents/EindrapportLOVCKwerkgroepambtshalvetoetsing_17210.pdf. De afkorting staat voor Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren.
Zie p. 10 e.v. van het rapport.
Zie bijv. Rechtbank Zutphen 27 mei 2009, LJN: B17904 en Rechtbank Breda (sector kanton) 13 oktober 2010, LIN: B02775, beide te vinden op www.rechtspraak.nl. In het oog moet overigens wel worden gehouden dat ook in dit soort gevallen het niet de rechter is die een beding ter zijde schuift, maar het objectieve recht zelf. De rechter kan, zoals eerder in hoofdstuk 1 opgemerkt, slechts constateren dat redelijkheid en billijkheid in deze of gene zin tot een wijziging van contractuele rechten en plichten hebben geleid. Kennelijk anders: Schelhaas 2007, p. 295.
HvJ 23 maart 1993, C-314/91: '8. Wat de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring betreft, zij eraan herinnerd, dat de Europese Economische Gemeenschap een rechtsgemeenschap is in die zin, dat noch haar Lid-Staten, noch haar instellingen ontkomen aan het toezicht op de verenigbaarheid van hun handelingen met het constitutionele handvest waarop de Gemeenschap is gegrond, namelijk het Verdrag, en dat dit laatste een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven heeft geroepen, waarbij het Hof van Justitie het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de instellingen is opgedragen (arresten van 23 april 1986, zaak 294/83, Les Verts, Jurispr. 1986, blz. 1339, r.o. 23, en 22 oktober 1987, zaak 314/85, Foto-Frost, Jurispr. 1987, blz. 4199, r.o. 16; beschikking van 13 juli 1990, zaak C-2/88 Imm., Zwartveld e.a., Jurispr. 1990, blz. 1-3365, r.o. 16; advies 1/91 van 14 december 1991, Jurispr. 1991, blz. 1-6079, punt 21).'
Waar de redelijkheid en billijkheid in een gegeven situatie in belangrijke mate (mede) strekken tot bescherming van het algemeen belang en de consequenties van het verzaken van de verplichting tot het betrachten van redelijkheid en billijkheid dus in belangrijke mate ook de maatschappij als geheel treffen, bestaat wel een rechtvaardiging voor een ambtshalve, door genoemd algemeen belang ingegeven, ingrijpen van de rechter.1 Bij aanwezigheid van zo'n algemeen belang is het niet (langer) enkel aan partijen om actief voor hun rechten op te komen. Handhaving van die rechten staat in zo'n geval "niet te hunner vrije dispositie.2 Redelijkheid en billijkheid moeten alsdan zo nodig ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd kunnen worden toegepast. Een dergelijke toepassing moet evenwel worden gezien als een betrekkelijke zeldzaamheid, al was het maar omdat er in de regel geen behoefte aan zal bestaan, nu veelal al (voldoende) expliciet door één der partijen op de redelijkheid en billijkheid een beroep zal zijn gedaan.3 Enige, denkelijk (relatief) vaker voorkomende gevallen van ambtshalve toepassing van redelijkheid en billijkheid — buiten de rechtstrijd van partijen om — zullen niettemin hiernavolgend kort worden bezien.
Ambtshalve toepassing in de zojuist bedoelde zin lijkt ten eerste aan de orde te kunnen komen in situaties, waarin de overheid als contractspartij optreedt en een zich onverkort door (kunnen) zetten van een tussen de overheid en haar contractuele wederpartij geldende contractuele regel op sterk gespannen voet zou komen te staan met het algemene belang.4 Alsdan is denkbaar dat de maatschappelijke belangen die bij het gegeven geval betrokken zijn, zodanig zwaar drukken dat de eisen van redelijkheid en billijkheid ex art. 3:12 BW een openbare orde-karakter krijgen en zonodig ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd behoren te worden toegepast.5
Een tweede type gevallen waarin ambtshalve toepassing in de hier bedoelde zin aan de orde zou kunnen zijn betreft exoneratieclausules, waarop in een geval van opzet of bewuste roekeloosheid6 niettemin een beroep wordt gedaan. Een dergelijk beroep is in het algemeen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten.7 Mocht een beroep op die onaanvaardbaarheid wegens opzet of bewuste roekeloosheid onverhoopt in rechte niet door de benadeelde partij zijn gedaan (terwijl die opzet of bewuste roekeloosheid wel tijdens het geding ter kennis van de rechter is gekomen), dan is goed verdedigbaar dat het algemeen belang in zo'n geval zozeer geschonden wordt bij het zich onverkort kunnen doorzetten van de exoneratie, dat ambtshalve toepassing van de (derogerende) redelijkheid en billijkheid geboden is.8
Tot slot kan hier worden gewezen op een derde categorie van gevallen, die kunnen nopen tot ambtshalve toepassing van de redelijkheid en billijkheid buiten de rechtsstrijd van partijen om. Het betreft consumentenovereenkomsten die vallen onder de Richtlijn 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en een oneerlijk beding in de zin van die richtlijn bevatten.
De arresten Océano,9 Cofidis,10 Mostaza Claro11 en Pannon12 van het Europese Hof van Jusitie hebben duidelijk gemaakt dat (in de zin van de richtlijn) oneerlijke bedingen ambtshalve door de rechter terzijde moeten (kunnen) worden geschoven, ook als op de oneerlijkheid van het beding ten overstaan van de rechter door de consument geen beroep is gedaan. De ratio voor deze ambtshalve te verrichten terzijdestelling is blijkens het arrest Mostaza Claro gelegen in de aard en het gewicht van het openbare belang, waarop de door de richtlijn aan de consument verschafte bescherming berust. Deze rechtvaardigen dat de nationale rechter ambtshalve dient te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is:
"36 Het belang van bescherming van de consument heeft de communautaire wetgever met name ertoe gebracht om in artikel 6, lid 1, van de richtlijn te bepalen, dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument „de consument niet binden". Het gaat om een dwingende bepaling die, rekening houdend met de zwakke positie van een der partijen bij de overeenkomst, beoogt het door deze overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt.
37 Verder vormt de richtlijn, die tot doel heeft de bescherming van de consument te bevorderen, overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub t, EG een maatregel die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap en in het bijzonder voor de verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan binnen de gehele Gemeenschap (zie naar analogie, met betrekking tot artikel 81 EG, arrest Eco Swiss, reeds aangehaald, punt 36).
38 De aard en het gewicht van het openbare belang, waarop de door de richtlijn aan de consument verschafte bescherming berust, rechtvaardigen bovendien dat de nationale rechter ambtshalve dient te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is en aldus het tussen de consument en verkoper bestaande gebrek aan evenwicht dient te compenseren.
39 Derhalve moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat zij van een nationale rechter die kennis neemt van een beroep tot vernietiging van een arbitraal vonnis verlangt dat hij de nietigheid van de arbitrageovereenkomst beoordeelt en dat vonnis vernietigt wanneer hij van oordeel is dat deze overeenkomst een oneerlijk beding bevat, ook wanneer de consument die nietigheid niet tijdens de arbitrageprocedure, maar enkel in het kader van het beroep tot vernietiging heeft opgeworpen."13
In het enige jaren na Mostaza Claro gewezen Pannon arrest heeft het Europese Hof van Justitie buiten twijfel gesteld dat de rechterlijke constatering van een oneerlijk beding in een overeenkomst die onder de richtlijn valt, tevens de verplichting voor die rechter met zich brengt het beding ambtshalve buiten toepassing te laten:
"Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat de nationale rechter gehouden is, ambtshalve te toetsen of een contractueel beding oneerlijk is zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Acht hij een dergelijk beding oneerlijk, dan laat hij het buiten toepassing, tenzij de consument zich hiertegen verzet. De nationale rechter is daartoe ook verplicht wanneer hij onderzoekt of hij ratione loci bevoegd is."14
In het enkele maanden nadien gewezen Asturcom arrest heeft het Europese Hof van Justitie vervolgens duidelijk gemaakt wat de status is van de in art. 6 lid 1 van de richtlijn vervatte regel, dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument „de consument niet binden"•
"51 Onderstreept moet worden dat, zoals in punt 30 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 een dwingende bepaling is. Voorts dient erop te worden gewezen dat deze richtlijn in haar geheel volgens de rechtspraak van het Hof overeenkomstig artikel 3, lid 1, sub t, EG een maatregel vormt die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Europese Gemeenschap en in het bijzonder voor de verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan binnen de gehele Gemeenschap (arrest Mostaza Claro, reeds aangehaald, punt 37).
52 Gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door richtlijn 93/13 aan de consument verzekerde bescherming berust, dient derhalve te worden vastgesteld dat artikel 6 van deze richtlijn moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden.15
Naar aanleiding van deze arresten is in februari 2010 het rapport "Ambtshalve toepassing van Europees consumentenrecht" van de LOVCK werkgroep "Ambtshalve toetsing" verschenen.16 In dit rapport wordt onder meer gewezen op de mogelijkheid van ambtshalve toepassing — met voorbijgaan aan de grenzen van rechtsstrijd — van de in art. 6:248 lid 2 BW verankerde derogerende redelijkheid, ingeval de rechter wordt geconfronteerd met de noodzaak een contractueel beding dat onder de richtlijn valt wegens de oneerlijkheid ervan ter zijde te stellen.17 De in het rapport gesuggereerde ambtshalve toepassing van de derogerende redelijkheid en billijkheid wordt inmiddels door rechters in Nederland gehanteerd.18
De zojuist geschetste, uit het gemeenschapsrecht voortspruitende ontwikkeling van ambtshalve toepassing van de derogerende redelijkheid en billijkheid congrueert met de hiervoor betrokken stelling dat, waar de redelijkheid en billijkheid in een gegeven situatie in belangrijke mate (mede) strekken tot bescherming van het algemeen belang en de consequenties van het verzaken van de verplichting tot het betrachten van redelijkheid en billijkheid dus in belangrijke mate ook de maatschappij als geheel treffen, een rechtvaardiging voor een ambtshalve, door genoemd algemeen belang ingegeven, toepassing van de redelijkheid en billijkheid bestaat.19 Dat dit algemeen belang in dit soort gevallen een sterk door "Europa" gekleurd karakter heeft, doet daaraan niet af, nu de Nederlandse rechtsgemeenschap al vele jaren een integraal onderdeel is van de Europese rechtsgemeenschap en het algemeen belang van "Europa" dus in hoge mate ook het hare is.20