Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.2
5.2 Het vereiste van toerekenbaarheid
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS504906:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/98. Vgl. Brahn/Reehuis 2015, p. 367.
Voor de overheid moet bij de toerekening krachtens de wet met name worden gedacht aan aansprakelijkheid voor het gedrag van anderen (bijvoorbeeld artikel 6:170 BW) of voor zaken (bijvoorbeeld artikel 6:174 BW), en niet zozeer aan de aansprakelijkheid voor een ‘eigen’ onrechtmatige daad.
Zie bijvoorbeeld Van Maanen & De Lange 2005, p. 79.
Sieburgh 2000, p. 151 e.v.
Volgens Van Maanen & De Lange 2005, p. 76, ligt toerekening op grond van schuld bij een organisatie als de overheid minder voor de hand, omdat een rechtspersoon geen schuld kan hebben op de wijze waarop een mens van vlees en bloed dat kan hebben. Ik ben daarvan niet overtuigd. Zie paragraaf 5.6.1.
Memelink 2009, p. 269-270,
Sieburgh 2000, 221-222.
Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is slechts plaats wanneer de dader een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend. Met het vereiste van toerekenbaarheid wordt dus een verband gelegd tussen de dader en zijn gedraging.1 Dit toerekeningsverband is blijkens het derde lid van artikel 6:162 BW aanwezig wanneer de gedraging te wijten is aan de schuld van de dader of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Van deze drie gronden voor de toerekening van een onrechtmatige daad aan de dader worden er in dit hoofdstuk twee besproken: schuld en verkeersopvattingen. Toerekening krachtens de wet is voor dit boek zonder belang.2
Toerekening op basis van schuld is, kort samengevat, aan de orde wanneer de dader in persoonlijk en subjectief opzicht – rechtens – een verwijt kan worden gemaakt van zijn gedraging.3 Indien iemand in de omstandigheden van het specifieke geval kon en rechtens mocht menen dat zijn gedraging niet onrechtmatig is, dan treft hem daarvan – in juridisch opzicht – geen enkel verwijt.4 Wanneer geen grond bestaat voor toerekening krachtens schuld5 is het mogelijk dat de betreffende gedraging toch wordt toegerekend, en wel krachtens verkeersopvattingen. Bij gebreke van verwijtbaarheid kan toerekening op deze grond plaatsvinden wanneer het gaat om een oorzaak die krachtens verkeersopvattingen voor rekening van de dader komt. Het gaat hierbij om de opvattingen die in het maatschappelijke verkeer leven.6 Sieburgh heeft in haar proefschrift laten zien dat de inhoud van de verkeersopvattingen met name door twee – sterk samenhangende – factoren wordt bepaald, te weten de persoonlijke kenmerken van de dader, althans zijn hoedanigheid, en de aard van de gedraging.7 Onder het begrip hoedanigheid verstaat Sieburgh zowel de betrekking van de dader tot hetgeen waarvoor hij aansprakelijk is als zijn maatschappelijke positie. Bij de aard van de gedraging speelt volgens Sieburgh een rol of zij de kans op het ontstaan van schade eenzijdig verhoogt.
Tegen deze achtergrond wordt hierna bezien wanneer een onrechtmatige daad die bestaat in het verstrekken van onjuiste informatie kan worden toegerekend aan de overheid.